Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Afvloeiingsregeling rijksscholen voor agrarisch onderwijs[Regeling vervallen per 18-06-2003.]

Geldend van 26-10-1985 t/m 17-06-2003

Afvloeiingsregeling rijksscholen voor agrarisch onderwijs

De minister van Landbouw en Visserij, Gelet op artikel I-G 2 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110);

Gelet op artikel I-G 2 van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (Stb. 1985. 110),

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 18-06-2003]

Deze beschikking verstaat onder:

‘de wet’:

de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1963, 40);

‘het bevoegd gezag’:

de minister van Landbouw en Visserij;

‘school’:

een rijksschool voor agrarisch onderwijs in de zin van de wet;

‘diensttijd’:

de totale tijd, doorgebracht bij het onderwijs, als nader gedefinieerd in circulaire P 8126, dd. 24 augustus 1981;

Voor wat betreft paragraaf 1:

‘belanghebbende’:

de directeur, leraar of lid van het overige personeel van een school voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het besluit ter uitvoering van artikel 38 van de wet;

Voor wat betreft paragraaf 2:

‘de adjunct-directeur’:

de adjunct-directeur als zodanig door het bevoegd gezag aangesteld;

‘de plaatsvervangende directeur’:

de adjunct-directeur die door het bevoegd gezag tevens aangesteld is tot plaatsvervangend directeur.

Paragraaf 1 [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel 2 [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Ontslag van in vaste dienst aangestelde belanghebbenden op grond van opheffing van de school of de betrekking, dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de school, dat de werkzaamheden van een of meer belanghebbenden overbodig worden, geschiedt in de volgende rangorde:

    • a. zij, die zulks wensen;

    • b. zij, die de minste werkelijke diensttijd hebben, waarbij jongeren in leeftijd vóór ouderen gaan.

  • 2 Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid of wanneer het belang van de school dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde, bedoeld in het vorige lid, worden afgeweken, met dien verstande, dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de belanghebbenden kenbaar gemaakt plan.

  • 3 Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 40 van de wet, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan een zodanige school verbonden personeel, overleg is gepleegd.

Paragraaf 2 [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel 3 [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Ontslag van in vaste dienst aangestelde adjunct-directeuren op grond van opheffing van de school of de betrekking, dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de school, dat de werkzaamheden van één of meer adjunct-directeuren overbodig worden, geschiedt in de volgende rangorde:

    • a. zij, die zulks wensen;

    • b. zij, die de minste werkelijke diensttijd hebben, waarbij jongeren in leeftijd vóór ouderen gaan.

  • 2 Degene, die als plaatsvervangend directeur is aangesteld, vloeit als laatste der adjunct-directeuren af, ongeacht zijn diensttijd.

  • 3 Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid of wanneer het belang van de school dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde, bedoeld in het eerste en tweede lid worden afgeweken, met dien verstande, dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de adjunct-directeuren kenbaar gemaakt plan.

  • 4 Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 40 van de wet, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan een zodanige school verbonden personeel, overleg is gepleegd.

Artikel 4 [Vervallen per 18-06-2003]

Voor zover toepassing van artikel 3, eerste lid onder b en tweede lid, voor de adjunct-directeuren die op 31 maart 1985 en 1 april 1985 in vaste dienst aan de school waren verbonden, leidt tot een wijziging in de onderlinge afvloeiingsvolgorde zoals deze gold op 31 maart 1985, geschiedt de afvloeiing in de op 31 maart 1985 geldende volgorde.

Paragraaf 3 [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel 5 [Vervallen per 18-06-2003]

Deze beschikking kan worden aangehaald als: Afvloeiingsregeling rijksscholen voor agrarisch onderwijs. Zij treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, voor wat betreft paragraaf 2 terug tot 1 april 1985.

's-Gravenhage, 24 oktober 1985

De

minister

van Landbouw en Visserij,
Voor deze,
De

secretaris-generaal

,

G. J. van Dinter