Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel[Regeling vervallen per 18-06-2003.]

Geldend van 22-03-2002 t/m 17-06-2003

Besluit van 28 februari 1985, houdende vaststelling en invoering van een rechtspositieregeling voor het personeel in het basis-, speciaal, voortgezet speciaal en voortgezet onderwijs, bij het leerlingwezen, het vormingswerk voor jeugdigen, het vormingswerk voor jonge volwassenen, bij de proefprojecten nieuw en deeltijd vervolg/beroepsonderwijs en voor het personeel werkzaam bij instellingen bedoeld in artikel B3 van de pensioenwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Binnenlandse Zaken van 5 oktober 1984, nr. 148 927, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid;

Overwegende, dat het wenselijk is te komen tot het onderbrengen van de verschillende voor het onderwijspersoneel geldende rechtspositieregelingen in één rechtspositiebesluit voor het onderwijspersoneel;

Gelet op artikel 5 van de Kleuteronderwijswet;

artikel 9 bis van de Lager-onderwijswet 1920;

de artikelen 17 [Red: Artikel 17 van de WBO komt niet meer voor in de WPO.] , 32, vierde lid, 33, tweede lid, 52, 59, eerste lid, 62, vijfde lid, en 64 van de Wet op het primair onderwijs;

de artikelen 32, vierde lid, 33, tweede lid, 55, 65, vijfde lid, en 66 van de Wet op de expertisecentra;

de artikelen 152, vierde lid, 153, tweede lid, 173, 183, vijfde lid, en 184 van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;

de artikelen 4 en 4a van de Experimentenwet onderwijs;

de artikelen 38, 39, tweede lid, 40, 43, derde lid, 53, vierde lid, 61, 62 en 63 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

de artikelen 21, eerste lid, 23, tweede en derde lid, 25, vierde lid, en 26 van de Wet op het leerlingwezen;

de artikelen 19, 21, tweede lid, en 22 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen;

de artikelen 27, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, van het Besluit proefprojecten nieuw vervolg/beroepsonderwijs en de artikelen 25, eerste lid, 27, eerste lid, en 28, eerste lid, van het Besluit proefprojecten deeltijd vervolg/beroepsonderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1985, nr. W 05.84.0594/07.5.96);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Ministers van Landbouw en Visserij en Binnenlandse Zaken van 15 februari 1985, nr. 149431, directie Arbeidsvoorwaardenbeleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt als volgt vastgesteld:

Titel I. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging voor het bijzonder onderwijs [Vervallen per 18-06-2003]

Hoofdstuk I-A. Algemene bepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-A1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

  • a1. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank;

  • b. tijdelijke dienst: het dienstverband van bepaalde duur;

  • c. vaste dienst: het dienstverband van onbepaalde duur;

  • d. instelling:

    • 1. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs;

    • 2. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • 3. [Red: vervallen;]

    • 4. De privaatrechtelijke rechtspersoon die optreedt als landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;

    • 5.

      • a. een vormingsinstituut als bedoeld in het Besluit vormingswerk voor jeugdigen;

      • b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een vormingsinstituut, als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d6, d14, d17 of d18;

    • d6. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor basiseducatie als bedoeld in artikel 1 onder h van de Rijksregeling basiseducatie (Stb. 1986, 433);

    • 7. een B3-lichaam als bedoeld in artikel 1, onder g, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde 3, onderdeel b, juncto artikel 3 van de WPA, waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard;

    • 8. [Red: vervallen;]

    • 9. [Red: vervallen;]

    • 10. een instituut voor landbouwpraktijkonderwijs met één of meerdere lokaties (Innovatie en Praktijkcentrum) (IPC), dat wordt gesubsidieerd met toepassing van artikel 61 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vallende onder één bevoegd gezag en waarbij de leiding berust bij één centrale directie;

    • 11. [Red: vervallen;]

    • d12. een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging (Stb. 1986, 635);

    • 13. Een ondersteuningsinstelling als bedoeld in de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991

      • a. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke of provinciale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie, die door Onze minister op grond van artikel 42, derde lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 als zodanig is aangewezen;

      • b. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 41, derde lid, tweede volzin, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991;

      • c. een landelijke ondersteuningsinstelling als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991.

    • 14.

      • a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

      • b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d17 of d18;

    • 15. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholengemeenschap voor lager en middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs (Agrarisch Opleidingscentrum) voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

    • 16. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra of artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • 17.

      • a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs;

      • b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d14 of d18;

    • 18.

      • a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs voor zover bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

      • b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld onder a, en een of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d14 of d17.

  • e. betrokkene:

    • e1. de bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, bedoeld onder d1, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b van de Wet op het primair onderwijs. De leraar in opleiding wordt aangemerkt als een lid van het onderwijsgevend personeel;

    • 2. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d2, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b, van de Wet op de expertisecentra of artikel 153, tweede lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • 3. [Red: vervallen;]

    • 4. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d4, benoemde personeel;

    • 5. het bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, genoemd onder d5, benoemde personeel;

    • e6. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d6, benoemde directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator, lid van het educatief personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel;

    • 7. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d7, benoemde personeel;

    • 8. [Red: vervallen;]

    • 9. [Red: vervallen;]

    • 10. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d10, benoemde personeel;

    • 11. [Red: vervallen;]

    • e12. het lid van het personeel dat is benoemd aan een instelling genoemd onder d12;

    • e13. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d13, benoemde directeur, adjunct-directeur of lid van het inhoudelijk personeel dan wel van het ondersteunend personeel;

    • 14. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d14, benoemde personeel;

    • 15. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d15, benoemde personeel;

    • 16. Het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d16, benoemde onderwijsondersteunend en beheerspersoneel, respectievelijk het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs;

    • 17. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d17, benoemde personeel;

    • 18. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d18, benoemde personeel;

  • f. bevoegd gezag:

    • 1. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d1 of d2 voor wat betreft:

      • - een rijksschool: Onze minister;

      • - een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de school van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;

      • - een bijzondere school: het schoolbestuur;

    • 2. ten aanzien van een instelling genoemd onder d4: het bestuur;

    • 3. ten aanzien van een instelling genoemd onder d5: het bestuur;

    • f4. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d6, d14, d15, d17 en d18 voor wat betreft:

      • - een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegd orgaan;

      • - een bijzondere instelling: het instellingsbestuur;

    • 5. ten aanzien van een instelling genoemd onder d7: het bestuur;

    • 6. [Red: vervallen;]

    • 7. ten aanzien van een instelling genoemd onder d10 en d12: het bestuur;

    • 8. [Red: vervallen;]

    • f9. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d13 voor wat betreft:

      • - een gemeentelijke instelling: het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan bij een publiekrechtelijke regionale instelling dan wel het college van burgemeester en wethouders bij een publiekrechtelijke plaatselijke instelling, voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hen te stellen regelen;

      • - een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college van Gedeputeerde Staten, voor zover de Provinciale Staten niet anders bepalen en, indien de Provinciale Staten dit wenselijk oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen;

      • - een privaatrechtelijke instelling: het instellingsbestuur;

    • 10. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d16:

      het bestuur;

  • g. werktijdfactor: het gedeelte van de normbetrekking waarvoor een personeelslid is benoemd, waarbij de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op vier cijfers achter de komma.

  • h. inspectie:

    de inspectie belast met het toezicht op de desbetreffende instelling;

  • i. normbetrekking: de betrekking of de betrekkingen waarvan de omvang op jaarbasis na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid, eerste volzin en na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C41, gelijk is aan 1659 uren en waarbij de gemiddelde weektaak op jaarbasis gelijk is aan 36,86 uren.

  • j. bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen, genoemd in de artikelen I-P5, vierde lid, I-P16, I-P55, tweede lid, I-P58, I-P60, I-P83, I-Q209b, I-S107, I-S108, V-P4, V-P5, V-R102, tweede lid, derde lid en vierde lid, en V-R103, tweede lid, derde lid en vierde lid waarop de betrokkene ingevolge dit besluit aanspraak heeft;

  • k. diensttijd: de tijd die in aanmerking komt voor pensioen dan wel daarvoor in aanmerking zou komen, indien van het recht van inkoop was gebruik gemaakt, alsmede ten aanzien van de betrokkene genoemd onder e5, e6, e8 of e9, vermeerderd met de diensttijd doorgebracht in dienst van een vormingsinstituut vóór het daarop van toepassing verklaren van de WPA en het daarop berustende pensioenreglement;

  • l. WPA: de Wet privatisering ABP;

  • ll. het pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

  • m. pensioen: een pensioen, als bedoeld in en vastgesteld bij of krachtens de WPA;

  • n. schooljaar: het administratieve schooljaar, zijnde het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli, dan wel, voor de instellingen bedoeld in artikel I-A1, onder d6, en d12, het kalenderjaar;

  • o. benoeming of aanstelling: de benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 154, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 2.47, eerste lid onder h, van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, onderscheidenlijk de benoeming bij een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d13 en de aanstelling bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d13.

  • p. bestuursbenoeming: de benoeming in algemene dienst bedoeld in artikel 34 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34 van de Wet op de expertisecentra of artikel 154 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • q. "akte van benoeming": de akte van benoeming bij het bijzonder onderwijs dan wel de arbeidsovereenkomst met het bestuur van een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of van een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d13 en de akte van aanstelling bij het openbaar onderwijs, bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d13, een en ander als bedoeld in hoofdstuk I-B, dan wel het Koninklijk besluit bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs;

  • r. "dagschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen vóór 18.00 uur;

  • s. "avondschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen na 18.00 uur;

  • t. "contractactiviteiten": werkzaamheden die aan een instelling naast de door het Rijk bekostigde taken worden verricht ingevolge een daartoe met een derde door het bevoegd gezag gesloten overeenkomst en waarvoor de door het Rijk bekostigde formatie door het bevoegd gezag wordt uitgebreid, een en ander als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen artikel 2.7 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;

  • u. "contractperiode": de periode gedurende welke het bevoegd gezag de voor een instelling door het Rijk bekostigde formatie heeft uitgebreid in verband met een overeenkomst met een derde tot het verrichten van contractactiviteiten;

  • v. echtgeno(o)t(e): voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede begrepen de levensparter met wie de ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, dan wel de persoon met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven levenspartner, dan wel de achtergebleven geregistreerde partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de levenspartner of geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner of geregistreerde partner worden aangemerkt.

    Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

Artikel I-A2. Tervisielegging [Vervallen per 18-06-2003]

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een bijgewerkt exemplaar van dit besluit en de overige van toepassing zijnde rechtspositionele regelingen op een voor de betrokkene steeds toegankelijke plaats op de instelling ter inzage beschikbaar is.

Artikel I-A3. Aanvang termijnen [Vervallen per 18-06-2003]

Indien de betrokkene ten genoege van de bevoegde instantie aannemelijk maakt dat de aanvang van een in dit besluit gestelde termijn gedurende welke een aanspraak kan worden geldend gemaakt, hem niet tijdig bekend kon zijn en hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, wordt de termijn geacht te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de betrokkene naar het oordeel van de bevoegde instantie redelijkerwijs heeft kunnen kennisdragen van het ontstaan van zijn aanspraken.

Artikel I-A4. Algemene termijnenwet [Vervallen per 18-06-2003]

De Algemene termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen II-A8, eerste lid, II-C4, tweede en vierde lid, en II-D10, tweede en vierde lid.

Artikel I-A5. Wijzigingen salarisbedragen en toelagen [Vervallen per 18-06-2003]

De salarisbedragen, tegemoetkomingen en toelagen, genoemd in de bijlagen van dit besluit, kunnen worden gewijzigd bij ministeriële regeling.

Artikel I-A6. Niet-bekostigd personeel [Vervallen per 18-06-2003]

Indien het ingevolge de desbetreffende bekostigingswet mogelijk is dan wel toegestaan wordt, personeel te benoemen voor wie de salaris- en andere kosten niet voor vergoeding van Rijkswege in aanmerking komen, is - tenzij uitdrukkelijk anders bepaald - ten aanzien van dit personeel het bepaalde in dit besluit van toepassing.

Artikel I-A7 [Vervallen per 26-03-1995]

Artikel I-A8. Billijkheidsbepaling [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 In gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze minister.

  • 2 Onze minister geeft nadere voorschriften omtrent de toepassing van dit besluit in geval van samenvoeging of splitsing van instellingen.

  • 3 Onze minister kan nadere regelen geven voor de uitvoering van dit besluit.

Hoofdstuk I-B. Akte van benoeming, verklaring omtrent het gedrag en sollicitatiecode [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-B1. Geneeskundig onderzoek voor benoeming [Vervallen per 23-08-2000]

Artikel I-B2. Akte van benoeming [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Bij zijn indiensttreding ontvangt de betrokkene een akte van benoeming waarin tenminste is vermeld:

    • a. de datum van ingang van de benoeming;

    • b. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd en de daarbij behorende maximumschaal;

    • c. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de benoeming;

    • d. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor.

    • e. het op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde begintraject, aanlooptraject of de van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;

    • f. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn en de verdeling van de uren over die instellingen.

    • g. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling.

    • h. andere voor de rechtspositie van belang zijnde zaken.

  • 2 Wijziging van:

    • a. de aard van het dienstverband,

    • b. de functie waarin hij is benoemd, of

    • c. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor, of

    • d. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn.

  • 3 Wanneer voor de betrokkene die nog niet volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal bedoeld in artikel I-P1, onder d, wordt bezoldigd, een schaal met een hoger maximumsalaris bedoeld in artikel I-P1, onder g, gaat gelden, wordt hem schriftelijk medegedeeld:

    • a. de datum waarop voor hem een andere schaal gaat gelden;

    • b. de schaal welke vanaf de onder a bedoelde datum van toepassing zal zijn;

    • c. het op de onder a bedoelde datum binnen de onder b bedoelde schaal van toepassing zijnde salarisnummer en het daarbij behorende bruto maandsalaris bij een normbetrekking.

  • 4 Bij het einde van zijn dienstverband ontvangt de betrokkene van het bevoegd gezeg een schriftelijke verklaring waarin is vermeld:

    • a. het begintraject, aanlooptraject of de schaal welke op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing was;

    • b. het op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing zijnde salarisnummer binnen het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel binnen de onder a bedoelde schaal;

    • c. de datum vanaf welke voor de betrokkene het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel de onder a bedoelde aanloopschaal en het onder b bedoelde salarisnummer gold en de mate waarin de betrokkene aan de voor hem geldende promotiecriteria heeft voldaan.

Artikel I-B3. Verklaring omtrent het gedrag [Vervallen per 18-06-2003]

De verklaring omtrent het gedrag, welke vereist is voor benoeming bij een bevoegd gezag van aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, en d4 tot en met d6, d10, d12 tot en met d15 alsmede d17 en d18, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395), is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag van afgifte.

Artikel I-B4. Sollicitatiecode, vaststelling en ter visielegging [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Ter zake van werving en selectie van personeel neemt het bevoegd gezag een sollicitatiecode in acht.

  • 2 De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs” [tekstcorrectie :“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”.] artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991 dan wel met verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.

  • 3 Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de sollicitatiecode op een voor de betrokkene toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is en hem op diens verzoek een exemplaar van de sollicitatiecode ter beschikking wordt gesteld.

Artikel I-B5. Keuring voor nieuwe betrekking [Vervallen per 31-12-1996]

Artikel I-B6. Hernieuwde keuring [Vervallen per 31-12-1996]

Artikel I-B7 [Vervallen per 31-12-1996]

Artikel I-B8 [Vervallen per 31-12-1996]

Artikel I-B9 [Vervallen per 31-12-1996]

Artikel I-B8. Slotbepaling [Vervallen per 18-06-2003]

Onze minister kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Hoofdstuk I-C. Vakantieverlof en buitengewoon verlof [Vervallen per 18-06-2003]

§ 1. Vakantieverlof onderwijzend personeel basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede onderwijzend personeel centrale dienst [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, voor zover het betreft, onder:

    • 1. e1, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;

    • 2. e2, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;

    • 3.

      • a. [Red: vervallen;]

      • b. e15, het lid van de centrale directie als bedoeld in artikel I-Q1302 en het lid van het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel I-R1305;

    • 3. [Red: Abusievelijk is bij Stb. 1998/413 een tweede onderdeel 3 toegevoegd.] e16, een lid van het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs.

  • b. vakanties: de voor de instelling van de betrokkene geldende vakanties;

  • c. dag: iedere dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het normale lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in 2 halve dagen.

Artikel I-C2. Vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

  • 2 Het bevoegd gezag kan op verzoek na omzetting van de dienst verlof verlenen op andere tijdstippen aan:

    • a. de directeur, de adjunct-directeur en de leraar die is benoemd als adjunct-directeur;

    • b. het lid van de centrale directie.

  • 3 Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof bedoeld in het eerste lid, verlof verlenen op andere tijdstippen. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.

  • 4 De betrokkene houdt zich zo nodig gedurende enkele dagen van het verlof ter beschikking van het bevoegd gezag ten behoeve van werkzaamheden van onderwijskundige of schoolorganisatorische aard.

  • 5 Het totale vakantieverlof van de betrokkene, bedoeld in artikel I-C1, onder a1, a2 en a3, kan bij toepassing van het vierde lid met niet meer dan twee dagen per schooljaar worden verminderd. Voor die vermindering komen slechts in aanmerking de eerste en de laatste twee dagen van de zomervakantie.

  • 6 [Red: Vervallen.]

  • 7 Het bevoegd gezag bepaalt tijdig na overleg met de betrokkene of, en zo ja, welke dagen voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel in aanmerking komen.

  • 8 Van het eerste tot en met het zevende lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.

Artikel I-C3. Bijzonder vakantieverlof in verband met vakantiespreiding [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene, werkzaam in deelbetrekking aan meer dan één instelling, waarvan de zomervakanties ten gevolge van vakantiespreiding niet in dezelfde periode vallen, heeft aanspraak op een aaneengesloten lesvrije periode van ten minste drie weken. Het bevoegd gezag van de instelling of instellingen waar de zomervakantie het laatst aanvangt, verleent daartoe aan de betrokkene desgevraagd zoveel dagen bijzonder vakantieverlof dat genoemde termijn wordt bereikt. Dit bijzondere vakantieverlof wordt verleend in de periode die direct voorafgaat aan de aanvang van de zomervakantie van bedoelde instelling of instellingen.

  • 2 Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel I-C2, vierde tot en met zevende lid, niet van toepassing.

Artikel I-C4. Vakantieverlof kort-tijdelijk personeel en cursussen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Voor de betrokkene, die een benoeming heeft voor korter dan één jaar aan een instelling of instellingen met een jaarcursus, geldt artikel I-C2, eerste lid, met dien verstande, dat alleen in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste en de laatste dag van zijn werkzaamheden, tenzij de betrokkene is benoemd vóór 1 maart en zijn werkzaamheden voortzet tot aan de zomervakantie, in welk geval in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste dag van zijn werkzaamheden en het einde van het schooljaar.

  • 2 Het eerste lid laat onverlet de aanspraak op een evenredig gedeelte van vier weken vakantie per schooljaar.

Artikel I-C5. Intrekking vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

  • 2 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

§ 2. Vakantieverlof onderwijsondersteunend personeel basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede onderwijsondersteunend personeel centrale dienst [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C6. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

  • 2 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

Artikel I-C7. Vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. Het verlof wordt bij voorkeur in de schoolvakanties verleend.

  • 2 De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 8 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.

  • 3 De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

    Leeftijd Verlenging

    18 jaar (en jonger) 24 uren

    19 jaar 16 uren

    20 jaar 8 uren

    van 30 tot en met 39 jaar 8 uren

    van 40 tot en met 44 jaar 16 uren

    van 45 tot en met 49 jaar 24 uren

    van 50 tot en met 54 jaar 32 uren

    van 55 tot en met 59 jaar 40 uren

    60 jaar en ouder 48 uren

  • 4 Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

  • 5 Op verzoek van de betrokkene, en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

Artikel I-C8. Intrekking vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

  • 2 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken.

  • 3 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

  • 4 Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C9 [Vervallen per 01-05-1987]

§ 3. Vakantieverlof landelijke organen [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C10. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4;

  • b. uur: klokuur

Artikel I-C11. Vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag in elk kalenderjaar vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

  • 2 De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal bedoeld in hoofdstuk I-P.

    Bezoldiging

    Duur van het vakantieverlof

    a. lager dan het maximum van schaal 8

    184 uren

    b. gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 8

    192 uren

  • 3 De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

    Leeftijd Verlenging

    18 jaar (en jonger) 24 uren

    19 jaar 16 uren

    20 jaar 8 uren

    van 30 tot en met 39 jaar 8 uren

    van 40 tot en met 44 jaar 16 uren

    van 45 tot en met 49 jaar 24 uren

    van 50 tot en met 54 jaar 32 uren

    van 55 tot en met 59 jaar 40 uren

    60 jaar en ouder 48 uren

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.

  • 5 Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

  • 6 Op verzoek van de betrokkene en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

Artikel I-C12. Vakantieverlof gedurende de eerste 6 maanden [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel I-C11, vierde lid, heeft de betrokkene gedurende de eerste 6 maanden van zijn betrekking slechts aanspraak op vakantieverlof naar reden van 1/12 gedeelte van het naar artikel I-C11, tweede en derde lid, berekende aantal uren vakantieverlof voor iedere volle kalendermaand, dat hij in genoemd tijdvak werkelijke dienst heeft vervuld.

  • 2 Het aantal uren waarop ingevolge het vorige lid aanspraak op vakantie bestaat wordt zonodig naar beneden afgerond op hele uren.

Artikel I-C13. Intrekking vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

  • 2 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

  • 3 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

  • 4 Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C14 [Vervallen per 01-05-1987]

§ 4. Vakantieverlof vormingswerk voor jeugdigen, basiseducatie, middelbaar beroepsonderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsbegeleidend onderwijs met uitzondering van beroepsbegeleidend onderwijs verbonden aan een AOC [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C15. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e6;

  • b. betrokkene behorend tot het educatief personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6, voor zover het betreft de directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator en educatief werker;

  • c. betrokkene behorend tot het overige personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel;

  • d. betrokkene bij het vormingswerk, mbo, vavo en bbo: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e14, e17 en e18 voor zover het betreft:

    • 1. het lid van de centrale directie;

    • 2. de leraar, met uitzondering van de leraar, bedoeld in de artikelen I-R1212, eerste of derde lid, I-R1412, eerste of derde lid en I-R1512, eerste of derde lid;

  • e. uur: klokuur.

Artikel I-C16. Vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene behorend tot het educatief personeel, bedoeld in artikel I-C15, onderdeel b, en onderdeel d heeft per kalenderjaar recht op 184 uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

  • 2 Aan de betrokkene, behorend tot het overige personeel, verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal, bedoeld in hoofdstuk I-P.

    Bezoldiging

    Duur van het vakantieverlof

    a. lager dan het maximum van schaal 9

    184 uren

    b. gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 9

    192 uren

  • 3 De ingevolge het vorige lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

    Leeftijd Verlenging

    18 jaar (en jonger) 24 uren

    19 jaar 16 uren

    20 jaar 8 uren

    van 30 tot en met 39 jaar 8 uren

    van 40 tot en met 44 jaar 16 uren

    van 45 tot en met 49 jaar 24 uren

    van 50 tot en met 54 jaar 32 uren

    van 55 tot en met 59 jaar 40 uren

    60 jaar en ouder 48 uren

  • 4 Voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

  • 5 Het tijdstip van het vakantieverlof wordt na overleg met de betrokkene door het bevoegd gezag vastgesteld. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, geschiedt dit in de periode, waarin geen vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden.

  • 6 In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag op verzoek van de betrokkene vakantieverlof verlenen buiten de periode, genoemd in het vijfde lid.

  • 7 Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in verband met contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, verlof verlenen in de periode waarin vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.

  • 8 Het vierde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.

  • 9 Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

Artikel I-C17. Vakantieverlof bij kort dienstverband [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene, die slechts een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is, heeft in dat kalenderjaar recht op een evenredig deel van het in artikel I-C16, eerste en tweede lid, vastgestelde aantal uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

  • 2 Het derde en vierde lid van artikel I-C16 is van toepassing.

Artikel I-C18. Intrekking van vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

  • 2 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag met goedvinden van de betrokkene het vakantieverlof intrekken.

  • 3 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

  • 4 Voor de betrokkene komt het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C19. Verlof met Kerstmis en Pasen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de betrokkene, behorend tot het educatief dan wel onderwijzend personeel, wordt bovendien, boven het vakantieverlof bedoeld in de artikelen I-C16 en I-C17, verlof met behoud van bezoldiging verleend met Kerstmis en Pasen.

  • 2 Het verlof met Kerstmis omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Eerste kerstdag, tweede kerstdag en nieuwjaarsdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.

  • 3 Het verlof met Pasen omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Goede Vrijdag, eerste paasdag en tweede paasdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.

  • 4 Het bevoegd gezag stelt de begindata vast van de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde periode.

  • 5 Het bepaalde in artikel I-C18, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-C20. Afwijking vakantieverlof vormingswerk-, mbo-, vavo-, en bbo-instellingen [Vervallen per 18-06-2003]

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-C19 mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft en voor zover het dienstbelang zich niet tegen die afwijking verzet.

§ 5. Vakantieverlof personeel B3-instellingen, verzorgingsinstellingen en instellingen ter ondersteuning van de volwasseneneducatie [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C21. Begripsbepaling [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e7, e12 en e13.

Artikel I-C22. Vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging met inachtneming van de regelen, gesteld in deze paragraaf.

Artikel I-C23. Jaarlijkse vakantie [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag verleent het vakantieverlof in beginsel gedurende de perioden waarom de betrokkene heeft verzocht. De perioden kunnen vallen buiten de vakanties van de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2. Slechts in bijzondere omstandigheden kan het bevoegd gezag in verband met het dienstbelang beslissen dat het vakantieverlof niet of niet geheel in de gevraagde periode wordt verleend. Bij splitsing van het vakantieverlof wordt dit voor ten minste de helft van de ingevolge artikel I-C24 geldende duur aaneengesloten verleend.

  • 2 Aan de betrokkene wordt in enig kalenderjaar niet genoten vakantieverlof zoveel mogelijk in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat in geen kalenderjaar meer uren vakantieverlof kunnen worden opgenomen dan anderhalf maal het hem volgens artikel I-C24 toekomende aantal.

  • 3 Indien de betrokkene in enig kalenderjaar meer vakantie heeft genoten, dan waarop hij ingevolge deze paragraaf recht heeft, wordt dit meerdere verrekend met het hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantieverlof. Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat uit dien hoofde in enig kalenderjaar het vakantieverlof nimmer met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de betrokkene ingevolge het bepaalde in de artikelen I-C24 en I-C25 toekomt, mag worden verminderd.

Artikel I-C24. Duur van het vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 9 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.

  • 2 De ingevolge het eerste lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

    Leeftijd Verlenging

    18 jaar (en jonger) 24 uren

    19 jaar 16 uren

    20 jaar 8 uren

    van 30 tot en met 39 jaar 8 uren

    van 40 tot en met 44 jaar 16 uren

    van 45 tot en met 49 jaar 24 uren

    van 50 tot en met 54 jaar 32 uren

    van 55 tot en met 59 jaar 40 uren

    60 jaar en ouder 48 uren

  • 3 Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

Artikel I-C25. Evenredige vermindering van het aantal uren vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Indien het dienstverband van de betrokkene zich niet over een geheel kalenderjaar uitstrekt, wordt de duur van het vakantieverlof, bedoeld in artikel I-C24, verminderd naar evenredigheid met de werkelijke duur van zijn dienstverband.

  • 2 Indien de betrokkene niet met een volledige weektaak is belast, heeft hij aanspraak op vakantieverlof gedurende een tijd die evenredig is aan de duur van het vakantieverlof in een normbetrekking.

  • 3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt zonodig naar boven afgerond op een geheel aantal uren.

Artikel I-C26. Intrekking vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene op een ander tijdstip verleend.

  • 2 Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bepaalde in de laatste zin van het eerste lid is van toepassing.

  • 3 Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

Artikel I-C27 [Vervallen per 01-05-1987]

§ 6. Buitengewoon verlof [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C28. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. jaar:

    • 1. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het niet betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een schooljaar;

    • 2. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel, alsmede de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4 tot en met e7 en e10, e12 tot en met 18: een kalenderjaar;

  • b. dag: elke dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in twee halve dagen, tenzij de verlofgrond zich daartegen verzet.

Artikel I-C29. Kort buitengewoon verlof (imperatief) [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag verleent de betrokkene kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, behoudens het bepaalde in het derde lid, voor zover zijn werkzaamheden samenvallen met één of meer van de navolgende omstandigheden:

    • a. de uitoefening van het kiesrecht, indien en voor zover deze niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;

    • b. het voldoen aan een wettelijke verplichting, indien en voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;

    • c. het afleggen van een van rijkswege afgenomen of erkend examen of tentamen, voor zover die niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;

    • d. het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges, waarin de betrokkene is benoemd of gekozen, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden;

    • e. , het uitoefenen van het lidmaatschap van een van rijkswege ingestelde of erkende examencommissie of het optreden als rijksgecommitteerde bij een examen, voor in totaal ten hoogste 14 dagen per jaar in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen;

    • f. verhuizing in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor twee, in bijzondere gevallen ten hoogste vier dagen en indien de betrokkene geen eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen;

    • g. verhuizing anders dan in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen per jaar;

    • h. het zoeken van een woning in geval van verandering van standplaats, voor ten hoogste twee dagen;

    • i. ondertrouw of de aangifte van het voornemen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, van de betrokkene, voor één dag;

    • j. burgerlijk of kerkelijk huwelijk of registratie van het partnerschap van de betrokkene, voor in totaal vier dagen, voor zover de huwelijksdag of -dagen of de dag van registratie van het partnerschap hier binnen vallen;

    • k. huwelijk of registratie van het partnerschap van bloed- of aanverwanten van de eerste of tweede graad, voor één dag of ten hoogste twee dagen, al naar gelang dit huwelijk of deze registratie van het partnerschap wordt gesloten in of buiten de woonplaats van de betrokkene;

    • l. ernstige ziekte van echtgenoot, ouders of kinderen, stief-, schoon- of pleegfamilieleden daaronder begrepen, voor ten hoogste twee weken, tenzij blijkens een over te leggen geneeskundige verklaring gedurende een langere termijn de voortdurende aanwezigheid van de betrokkene bij de zieke, anders dan ter verpleging, noodzakelijk is;

    • m. overlijden van de onder l bedoelde personen, voor vier dagen; van bloed- of aanverwanten in de tweede graad, voor twee dagen; van bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad, voor ten hoogste één dag; is de betrokkene in de twee laatstgenoemde gevallen belast met de regeling van de begrafenis of van de nalatenschap, dan wordt verlof verleend voor ten hoogste vier dagen;

    • n. bevalling van de echtgenote, voor ten hoogste twee dagen;

    • o. het 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van de betrokkene en het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van zijn ouders, stief-, schoon- of pleegouders daaronder begrepen, voor één dag;

    • p. kerkelijke bevestiging of eerste communie van de betrokkene, zijn echtgenote en kinderen, stief-, schoon- of pleegkinderen daaronder begrepen, voor één dag;

    • q. adoptie van een kind, voor ten hoogste vijf dagen; in geval van adoptie van een buitenlands kind wordt, indien verlof noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen in het desbetreffende land het nodige te verrichten, éénmaal per geval van adoptie, verlof verleend voor de duur van de noodzakelijke reis- en verblijftijd tot ten hoogste zes weken;

    • r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep, als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 181, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs” [tekstcorrectie :“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”.] artikel 93 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 2.49 en 2.57 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 22 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 64 van de Wet op de onderwijsverzorging en artikel 11 van de Kaderwet Volwasseneducatie 1991, van dit besluit, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;

    • s. jeugd- en jongerenwerk als bedoeld in de door Onze Minister getroffen regeling, voor telkens ten hoogste 5 dagen, met dien verstande dat per schooljaar in totaal niet meer dan 10 dagen verlof worden verleend;

    • t. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1: het vervullen van een stage in het kader van deelname aan een door Onze Minister aan te wijzen applicatiecursus basisonderwijs, voor twee dagen per schooljaar;

    • u. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6: het volgen van een cursus, die naar het oordeel van het bevoegd gezag in het belang van de basiseducatie wordt geacht, en voor zover Onze minister op een verzoek van het betrokken bevoegd gezag instemmend heeft beschikt;

    • v. een calamiteit, waaronder wordt verstaan een plotseling optredende gebeurtenis, die uit zijn aard niet te voorzien is en waarvoor zonder uitstel maatregelen door betrokkene moeten worden genomen, voor ten hoogste een werkdag en maximaal 3 calamiteiten per jaar.

  • 2 Indien de in het eerste lid, onder d, genoemde omstandigheid zich voordoet en de betrokkene een vaste vergoeding ontvangt in verband met de aktiviteiten waarvoor hem verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd, dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen de betrokkene kan worden geacht te ontvangen als vaste vergoeding voor de aktiviteiten verricht gedurende de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

  • 3 Indien de betrokkene er naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt achteraf aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder v, kan het op het verlof betrekking hebbende salaris in mindering worden gebracht op het salaris, dan wel kan het verlof bij een betrokkene in de zin van hoofdstuk I-S, in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

Artikel I-C29a. Kort buitengewoon verlof in verband met nascholing [Vervallen per 18-06-2003]

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene gedurende een door Onze minister te bepalen aantal dagen of uren kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging indien deze met toestemming van het bevoegd gezag deelneemt aan een door Onze Minister aan te wijzen nascholingscursus en voor zover zijn werkzaamheden daarmee samenvallen.

Artikel I-C30. Kort buitengewoon verlof (facultatief) [Vervallen per 18-06-2003]

In andere dan in artikel I-C29, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen kan het bevoegd gezag de betrokkene bovendien kort buitengewoon verlof verlenen voor ten hoogste vier dagen per jaar, al dan niet met behoud van bezoldiging.

Artikel I-C31. Lang buitengewoon verlof (facultatief) [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag kan aan een betrokkene op diens verzoek uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof verlenen. Indien dit verlof wordt verleend is het bepaalde in één van de artikelen I-C32, I-C33 of I-C34 van toepassing, al naar gelang het betreft verlof uitsluitend in het persoonlijk belang, mede in het algemeen belang, dan wel overwegend in het algemeen belang.

  • 2 Het verlof gaat niet eerder in dan nadat de betrokkene zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.

  • 3 De voorwaarden bevatten in ieder geval een regeling met betrekking tot de betaling van door de betrokkene aan het bevoegd gezag verschuldigde premiebijdragen ter zake van pensioenen, vervroegde uittreding en sociale verzekeringen, volgens bij of krachtens dit besluit nader te stellen regels.

  • 4 Het verlof strekt zich naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk uit over de schoolvakantie dan wel wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd.

  • 5 Op verzoek van de betrokkene kan het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof, niet zijnde vakantieverlof en in andere daarvoor in aanmerking komende gevallen het verleende verlof opschorten dan wel intrekken en op een ander tijdstip opnieuw verlenen.

  • 6 De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing, indien met medewerking van alle betrokkenen het beoogde doel door een omzetting van dienst is te bereiken.

Artikel I-C32. Lang buitengewoon verlof in het persoonlijk belang [Vervallen per 18-06-2003]

Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de betrokkene, kan voor ten hoogste 6 maanden worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 6 maanden worden verlengd. Dit verlof wordt verleend zonder behoud van bezoldiging.

Artikel I-C33. Lang buitengewoon verlof mede in het algemeen belang [Vervallen per 18-06-2003]

Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat:

  • a. is aan te merken als studieverlof, dan wel,

  • b. ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen,

en dat naar het oordeel van Onze minister mede het algemeen belang dient, kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen I-C34 en I-C35, voor ten hoogste 1 jaar worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.

Artikel I-C34. Lang buitengewoon verlof overwegend in het algemeen belang [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst een functie te vervullen:

    • a. in dienst van een volkenrechtelijke organisatie,

    • b. ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba,

    • c. als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid,

    • d. in het kader van internationale hulpverlening aan ontwikkelingslanden, kan, indien Onze minister heeft verklaard, dat met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, voor ten hoogste drie jaren worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.

  • 2 Verlof verleend voor de vervulling van functies aan een instelling van onderwijs, door de regering van het ontvangende land in stand gehouden dan wel erkend, wordt in ieder geval geacht in overwegende mate het algemeen belang te dienen.

Artikel I-C35. Lang buitengewoon verlof voor politieke functies (imperatief) [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene die:

    • a. het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

    • b. de functie van lid van Gedeputeerde Staten van een provincie,

    • c. de functie van substituut-ombudsman,

    aanvaardt, geniet van rechtswege lang buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging.

  • 2 Aan de betrokkene die de functie van wethouder van een gemeente aanvaardt, verleent het bevoegd gezag op zijn verzoek voor het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Voor zover de uitoefening van de taak bij de instelling wordt geschaad, kan dit verlof door het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze minister ook eigener beweging worden verleend, mits de betrokkene te voren is gehoord.

Artikel I-C36. Afloop lang buitengewoon verlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Indien de betrokkene na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof, als bedoeld in de artikelen I-C31 tot en met I-C35, als gevolg van beperking van de formatieomvang van de instelling zijn werkzaamheden, mede gezien de afvloeiingsregeling, geheel of gedeeltelijk niet kan hervatten, vormt zulks een grond voor ontslag, respectievelijk vermindering van de taakomvang.

  • 2 De betrokkene die na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof zijn werkzaamheden niet te bestemder tijd hervat, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te zijn ontslagen.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing indien de betrokkene binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde redenen hebben opgehouden te bestaan.

Artikel I-C37. Borstkind [Vervallen per 18-06-2003]

Het bevoegd gezag verleent aan de vrouwelijke betrokkene die een borstkind heeft en die hiervan aan hem kennis heeft gegeven behoorlijke gelegenheid haar kind te zogen.

Artikel I-C38. Verlof in verband met overleg- en advieswerkzaamheden (imperatief) [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:

    • a. het verrichten van werkzaamheden van rechtspositionele aard in of ten behoeve van commissies voor georganiseerd overleg als bedoeld in onderscheidenlijk de hoofdstukken IV-C, IV-E en IV-F van dit besluit en het Overlegbesluit onderwijspersoneel;

    • b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid vertegenwoordigde centrale van verenigingen van ambtenaren of een bij zo’n centrale aangesloten vereniging waarvan hij lid is;

    • c. het op uitnodiging van een Centrale of vereniging als bedoeld onder b, als cursist deelnemen aan een cursus voor ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren, voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is.

  • 2 Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:

    • a. het verrichten van werkzaamheden van onderwijskundige aard in of ten behoeve van de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg, dan wel één van de onder de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg ressorterende commissies voor onderwijsoverleg;

    • b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze minister aan te wijzen adviescommissies.

  • 3 Het verlof, bedoeld in het eerste of het tweede lid, wordt verleend met behoud van bezoldiging. Omtrent de wijze waarop dit verlof wordt aangevraagd, de maximumduur en de omvang, alsmede de overige voorwaarden en gevolgen van dit verlof, geeft Onze minister nadere regels.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, dat met name ten doel heeft de betrokkene in staat te stellen de functie van bezoldigd bestuurder van een onder b van dat lid bedoelde Centrale of vereniging te vervullen, voor ten hoogste twee jaren en zonder behoud van bezoldiging verleend.

  • 5 Indien op grond van het eerste of het tweede lid lang buitengewoon verlof wordt verleend, is ten aanzien van de afloop daarvan het bepaalde in artikel I-C36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-C39. Buitengewoon verlof in verband met ouderschap (algemeen) [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt zonder behoud van bezoldiging verleend en wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband in het onderwijs ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze door het bevoegd gezag is ontvangen.

  • 2 Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat totéé n kind heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene als ouder tegelijkertijd tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking staat, bestaat er ten aanzien van elk ander kind dan het eerste kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.

  • 3 Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één kind en met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene tegelijkertijd de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van elk ander kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.

  • 4 Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof.

  • 5 Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.

  • 6 Geen recht op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop een kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

  • 7 Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan één jaar. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

  • 8 Voor een betrokkene, bedoeld in het tweede dan wel derde lid, geldt het zevende lid telkens per kind.

  • 9 Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.

  • 10 Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.

  • 11 Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.

Artikel I-C40 [Vervallen per 01-08-1993]

§ 7. Verlof in verband met arbeidsduurverkorting [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-C41. Verlof i.v.m. arbeidsduurverkorting [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Voor de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking geldt op jaarbasis een arbeidsduur van 1710 uren respectievelijk 1790 uren, waarbij aanspraak bestaat op 51 uren respectievelijk 131 uren verlof.

  • 2 Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.

  • 3 Het verlof, bedoeld in het eerste lid, wordt in gehele werkdagen opgenomen, met dien verstande dat een restant dat kleiner is dan een gehele werkdag voor een gedeelte van een werkdag wordt genoten. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, kan het verlof op verzoek van betrokkene anders dan in gehele werkdagen worden verleend.

  • 4 Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, het verbruik van het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, te berekenen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken, lesgebonden taken of behandeltaken en wel door de in het eerste lid bedoelde verlofaanspraak bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1710 uren vast te stellen op 31 uren en bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1790 uren op 80 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, verlof geniet op grond van dit artikel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.

  • 5 Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kunnen van het vierde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

  • 6 Het bevoegd gezag en betrokkene maken afspraken over het tijdstip waarop het verlof, bedoeld in dit artikel, wordt opgenomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over het tijdstip van opnemen van het verlof, beslist het bevoegd gezag. Voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S met uitzondering van een functie als bedoeld in artikel I-S203 of artikel I-S303 geldt dat 51 uur van het verlof op grond van dit artikel op verzoek van betrokkene buiten de schoolvakanties wordt verleend en wordt vermeld in de werktijdenregeling, bedoeld in artikel I-S105, tweede lid.

  • 7 Onder door Onze minister te stellen voorwaarden kan het verlof, bedoeld in dit artikel, worden opgenomen in een later schooljaar.

Artikel I-C42. Verlof in verband met niet genoten arbeidsduurverkorting onderwijsgevend personeel [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Tot een nader door Onze Minister te bepalen datum kan aan de betrokkene behorend tot het onderwijsgevend personeel die op zijn verzoek geen gebruik maakt van de voor hem geldende arbeidsduurverkorting door een verlaging van de normbetrekking met ingang van 1 augustus 1991, na een periode van minimaal 4 jaar en maximaal 8 jaar verlof worden verleend, waarvan de tijdsduur overeenkomt met de tijd van de niet genoten arbeidsduurverkorting.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt vermeerderd met extra verlof waarvan de tijdsduur overeenkomt met een percentage van de niet genoten arbeidsduurverkorting.

  • 3 Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het in dit artikel bedoelde verlof.

Hoofdstuk I-D. Verlof wegens militaire dienst [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-D1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. burgerlijke beloning: de bezoldiging, bedoeld in artikel I-A1, onder j;

  • b. militaire beloning: hetgeen als zodanig door Onze Ministers van Defensie en Financiën is aangemerkt.

Artikel I-D2. Algemeen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting op grond van de Kaderwet dienstplicht als militair in werkelijke dienst is, geniet van rechtswege verlof.

  • 2 Hij behoudt tijdens dit verlof zijn burgerlijke beloning, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk hem daarop aanspraak geven.

  • 3 Op de betrokkene die is benoemd in tijdelijke dienst, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk slechts van toepassing, zolang hij aan de instelling is verbonden.

  • 4 Op de betrokkene, die is benoemd in één of meer betrekkingen die elk voor zich kleiner zijn dan de omvang van een normbetrekking, zijn de voorschriften in de artikelen I-D3 en I-D7 van toepassing naar evenredigheid van:

    • a. de omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de totale omvang van de betrekkingen;

    • b. - ingeval de totale omvang van de betrekkingen kleiner is dan een normbetrekking - die omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de normbetrekking.

Artikel I-D3. Verlof wegens opleiding en oefening [Vervallen per 18-06-2003]

De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning tot een bedrag, gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en de Vut-bijdrage ingevolge de regels van het bestuur VUT-fonds met betrekking tot financiering VUT-aanspraken.

Artikel I-D4. Verlof wegens herhalingsoefening [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De belanghebbende die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning, voor zover deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventueel bedrag wegens genot van voeding en huisvesting.

  • 3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met herhalingsoefening gelijkgesteld:

    • a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair wordt verdacht of beklaagd;

    • b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven teneinde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;

    • c. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift;

    • d. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:

      • 1. ziekte;

      • 2. net niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;

      • 3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;

    • e. hetgeen voorts door Onze Minister van Defensie als zodanig is aangemerkt.

Artikel I-D5. Verlof wegens opkomst in bijzondere gevallen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Gedurende 2 weken na zijn opkomst in werkelijke dienst geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning indien hij bij zijn opkomst in werkelijke dienst anders dan voor herhalingsoefening de eerste 12 maanden van de opleiding en oefening of zoveel korter als deze opleiding en oefening duurt reeds in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

  • 2 Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn is het bepaalde in artikel I-D3, van toepassing.

Artikel I-D6. Verlof tijdens vakantieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

Voor zover de werkelijke dienst, niet zijnde de opleiding en oefening, wordt vervuld tijdens zijn vakantieverlof, geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning.

Artikel I-D7. Overeenkomstige toepassing [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bepaalde in dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die:

    • a. is te werk gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst (Stb. 1962, 370);

    • b. op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve in werkelijke dienst is;

    • c. op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht als militair in werkelijke dienst is;

    • d. op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder a of b, van de Rechtstoestandregeling reserve-politie (Stb. 1964, 473) of van een overeenkomstige verbintenis als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is;

    • e. op grond van een tijdelijke verbintenis als legeraalmoezenier, legerpredikant of anderszins als geestelijk verzorger in werkelijke dienst is;

    • f. op grond van een verbintenis als monumentenwachter in de zin van het Besluit Monumentenwacht (Stb. 1964, 477) in werkelijke dienst is;

    • g. op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke of daarmee gelijk te stellen dienst is, indien dit bij koninklijk besluit is bepaald.

  • 2 De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid onder d en e, worden gelijkgesteld met de betrokkene, die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is.

Hoofdstuk I-E. Verlof en aanspraken wegens ziekte [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-E1 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E1a [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E2 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E3 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E4 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E5 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E6 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E7 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E8 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E9 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E10 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E11 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E12 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E13 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E14 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E14a [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E15 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E16 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E17 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E18 [Vervallen per 20-03-1996]

Artikel I-E19 [Vervallen per 20-03-1996]

Artikel I-E20 [Vervallen per 20-03-1996]

Artikel I-E21 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E22 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E23 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E24 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E25 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel I-E26 [Vervallen per 01-01-1996]

Hoofdstuk I-F. Rechten van nabestaanden bij overlijden [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-F1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. overledene: hij, die op de dag van zijn overlijden betrokkene was.

  • b. uitkeringsbasis:

    • 1. in het geval, bedoeld onder a1:

      de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;

  • c. bevoegd gezag: voor wat betreft:

    • 1. een betrokkene als bedoeld onder a1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f;

    • 2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a2 en a3: Onze minister.

Artikel I-F2. Nabestaanden [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 In aanmerking voor een uitkering bij overlijden komen in navolgende rangorde:

    • a. de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde;

    • b. de minderjarige kinderen van de overledene;

    • c. de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was.

  • 2 Onder kinderen in de zin van het eerste lid worden mede begrepen natuurlijke kinderen en kinderen voor wie de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

Artikel I-F3. Bedrag en uitbetaling [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De uitkering bij overlijden is gelijk aan het bedrag dat gevormd wordt door de uitkeringsbasis met 3 te vermenigvuldigen.

  • 2 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een maand na het overlijden, door het bevoegd gezag uitgekeerd.

Artikel I-F4. Gebruik van de dienstwoning [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het recht op het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de overledene woonden.

  • 2 Indien door de overledene voor het gebruik van de dienstwoning of voor het verbruik van verwarming, gas, elektriciteit en water een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik van de dienstwoning behouden.

Artikel I-F5. Verrekening met andere uitkeringen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Indien de nabestaanden, bedoeld in artikel I-F2, aanspraak hebben op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 1639l, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de uitkering bij overlijden bedoeld in dit hoofdstuk slechts uitbetaald, voor zover deze de eerstgenoemde uitkering te boven gaat.

  • 2 In geval van overlijden als militair in werkelijke dienst wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, die uit hoofde van militaire dienst ter zake wordt gedaan.

  • 3 In geval van overlijden als gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-F1, onder a3, wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de uitkering waarop de nabestaanden van de gewezen betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel Q6 van de pensioenwet dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel I-F6. Vermindering wegens reeds genoten inkomsten [Vervallen per 18-06-2003]

Op de ingevole de voorgaande artikelen berekende uitkering bij overlijden wordt de reeds vóór zijn overlijden aan de betrokkene uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.

Artikel I-F7. Geen nabestaanden [Vervallen per 18-06-2003]

Indien de overledene geen nabestaanden als bedoeld in artikel I-F2 nalaat, kan het bedrag, bedoeld in artikel I-F3, door het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk I-G. Afvloeiingsregeling [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-G1. Algemeen [Vervallen per 18-06-2003]

Ontslag op grond van opheffing van de instelling of de betrekking dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting of de dienst van de instelling dat de werkzaamheden van een of meer betrokkenen overbodig worden, geschiedt aan de hand van een afvloeiingsregeling.

Artikel I-G2. Vaststelling [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.

  • 2 De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs” [tekstcorrectie :“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”.] artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie dan wel verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.

  • 3 Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.

  • 4 Bij omzetting van een benoeming in een bestuursbenoeming stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling wordt een voorziening geboden voor het reeds aan de instelling benoemde personeel dat geen omzetting van de benoeming wenst.

  • 5 Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande, dat indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.

Artikel I-G3. Tervisielegging [Vervallen per 18-06-2003]

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de regeling steeds op een voor de betrokkenen toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is.

Hoofdstuk I-H. Uitkeringen bij ontslag [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-H1 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H2 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H2a [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H3 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H3a [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H4 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H4a [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H5 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H6 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H7 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H8 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H9 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H9a [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H10 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H11 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H11a [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H12 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H13 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H14 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H15 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H16 [Vervallen per 01-04-1994]

Artikel I-H17 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H18 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H19 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H20 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H21 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H22 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H23 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H24 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H25 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H26 [Vervallen per 01-03-1994]

Artikel I-H27 [Vervallen per 01-03-1994]

Hoofdstuk I-J. Verplaatsingskosten [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-J1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1, e2, e4, e5, e6, e7, e10, e12 tot en met e18;

    • b. instelling: de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, d4, d5, d6, d7, d10, d12 tot en met d18;

    • c. hoofdinstelling: indien de betrokkene werkzaam is aan:

      • - één instelling: de desbetreffende instelling;

      • - twee of meer instellingen: de instelling waaraan hij de meeste tijd werkzaam is;

      • - twee of meer instellingen waaraan hij dezelfde tijd werkzaam is: de instelling met de kleinste afstand tot de woning van betrokkene.

    • d. standplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waarin door belanghebbende voor de hoofdinstelling de meeste werkzaamheden worden verricht. Indien door belanghebbende voor de hoofdinstelling in verschillende gemeenten evenveel werkzaamheden worden verricht: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende;

    • e. standplaatsbetrekking: een betrekking of een combinatie van betrekkingen met een omvang van tenminste het 6/10 deel van de normbetrekking;

    • f. gebouw: de plaats waar de belanghebbende zijn werkzaamheden verricht;

    • g. plaats van tewerkstelling: het gebouw van de hoofdinstelling in de standplaats waar belanghebbende werkzaam is. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen is de plaats van tewerkstelling het gebouw waar belanghebbende de meeste werkzaamheden verricht. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen, waar door belanghebbende evenveel werkzaamheden worden verricht, wordt het gebouw met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende als plaats van tewerkstelling aangemerkt. Indien de uitoefening van de functie van belanghebbende aan de hoofdinstelling zich uitstrekt over een meer of minder omvangrijk geografisch gebied (rayon of regio): de door het bevoegde gezag aangewezen plaats;

    • h. woonplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waar de belanghebbende metterwoon is gevestigd;

    • i. zone: de eenheid waarin het bus- en tramlijnennet is verdeeld en die de basis vormt van de strippenkaart in het stad- en streekvervoer;

    • j. jaarbezoldiging: de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de maand van verhuizen, tot ten hoogste de bezoldiging verbonden aan een normbetrekking vermeerderd met het percentage van de vakantieuitkering met inachtneming van het minimumbedrag, in voorkomende gevallen verhoogd met:

      • 1. een eventueel in die maand genoten uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de daarmede overeenkomende uitkeringsregelingen, als door Onze minister aan te geven;

      • 2. een eventueel in die maand genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag of de Uitkeringswet gewezen militairen, zoals deze uitkering is of zou zijn vastgesteld indien de leeftijd van 50 jaar nog niet is of zou zijn bereikt; een en ander herleid tot een jaarbedrag;

    • k. gezamenlijke jaarbezoldiging: de jaarbezoldiging vermeerderd met de inkomsten onder welke benaming dan ook genoten, door de echtgenoot die geen belanghebbende is;

    • l. berekeningstijdstip

      • 1e. de datum waarop de belanghebbende verhuist;

      • 2e. indien de belanghebbende verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van het werkzaam zijn in een standplaatsbetrekking;

    • m. voor het eerst in diensttreden: in dienst treden bij een instelling anders dan in geval van een overgang binnen een maand:

      • 1e. van de ene naar een andere instelling,

      • 2e. van de overheid naar een instelling, terwijl de tijd gedurende welke een ontslaguitkering wordt genoten niet als een onderbreking tussen beide benoemingen wordt beschouwd;

    • n. verplaatsing: verandering van de standplaats van de belanghebbende in opdracht van het bevoegd gezag;

    • o. gezinsleden: de echtgeno(o)t(e) van de belanghebbende en de eigen kinderen, stief- en pleegkinderen die deel uitmaken van het gezin;

    • p. dienstwoning: de door het bevoegd gezag aan de belanghebbende in verband met de uitoefening van de functie ter bewoning aangewezen woning, waarvoor van rijkswege een tegemoetkoming in de stichtingskosten of onderhoudskosten aan het bevoegd gezag is verleend;

    • q. dienstreis: de reis, welke, anders dan bedoeld in artikel I-J9, in het belang van het onderwijs dan wel van de instelling en in opdracht van het bevoegd gezag in of buiten de standplaats wordt gemaakt;

Artikel I-J1a [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J1b [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J2. Standplaatsbetrekking bij vervangingswerkzaamheden en contractactiviteiten [Vervallen per 18-06-2003]

Voor het ontstaan van een standplaatsbetrekking blijven vervangingswerkzaamheden en werkzaamheden die voor een periode van drie of minder aaneengesloten schooljaren aan een belanghebbende zijn toegekend in het kader van contractactiviteiten, buiten beschouwing.

Artikel I-J3. Aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De belanghebbende, die is verhuisd en een woning heeft betrokken die gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend indien:

    • a. hij is benoemd in een standplaatsbetrekking;

    • b. hij voor tenminste één jaar is benoemd;

    • c. hij op een afstand van 6 of meer zones woonde van de plaats van tewerkstelling;

    • d. de reisafstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling als gevolg van de verhuizing met tenminste 5 zones is bekort.

  • 2 Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt slechts éénmaal in de vijf jaar verleend, tenzij de verhuizing verband houdt met een verandering van betrekking die het gevolg is van een ontslag of van het vooruitzicht op ontslag, dat niet op eigen verzoek is verleend en niet aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.

  • 3 De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt verleend onder de voorwaarde dat de belanghebbende vooraf schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de terugbetalingsverplichting bedoeld in artikel I-J8.

Artikel I-J4. Aanspraak op een tegemoetkoming in verhuiskosten ter zake van het betrekken of verlaten van een dienstwoning [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De belanghebbende, die in opdracht van het bevoegd gezag, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend, tenzij het verlaten van de dienstwoning het gevolg is van een ontslag, dat op zijn verzoek anders dan wegens het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, of anders dan met recht op uitkering voor vervroegd uittreden is verleend, of aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.

  • 2 Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de belanghebbende, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.

Artikel I-J5. De hoogte van de tegemoetkoming in verhuiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:

    • a. Een tegemoetkoming in de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de belanghebbende en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken, en in de te maken reiskosten ter bezichtiging van woonruimte en in de eventuele opknapkosten aan de nieuwe woning en dubbele woonkosten, van in totaal een bedrag als aangegeven in de bijlage J1 onder 1, van dit besluit.

    • b. een tegemoetkoming voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.

  • 2 Indien de verhuizing door belanghebbende in eigen beheer wordt uitgevoerd, ontvangt belanghebbende slechts de helft van het in het eerste lid, onder a, bedoelde bedrag.

  • 3 Het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag wordt, afhankelijk van het aantal woon/slaapvertrekken dat de achter te laten woning telde, gesteld op een percentage van de jaarbezoldiging die de belanghebbende genoot op de dag waarop de nieuwe woning kon worden betrokken zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit.

  • 4 Voor de belanghebbende, die inwonend was bij de ouders is het laagst genoemde percentage zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit van toepassing.

  • 5 De belanghebbende, die een woning heeft betrokken op een reisafstand van meer dan 2 zones van de plaats van tewerkstelling, ontvangt slechts 80% van het bedrag van de in het eerste lid onder a en b bedoelde tegemoetkomingen.

  • 6 De tegemoetkoming in de verhuiskosten voor de belanghebbende, die voor het eerst bij een instelling in dienst treedt en op enig tijdstip wordt benoemd in een standplaatsbetrekking, bedraagt in afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid, de helft van de vergoeding waarop hij ingevolge die leden aanspraak zou hebben.

Artikel I-J6. Samenloop verhuiskostenvergoedingen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Bij een verhuizing van een gezin, waarvan beide echtgenoten terzake van de verhuizing aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk, ontvangt, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid:

    ieder van beiden de helft van de in artikel I-J5, eerste lid, onder a en b bedoelde vergoedingen.

    De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.

  • 2 Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de belanghebbende slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming welke uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.

  • 3 De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde belanghebbende geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel I-J5, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.

Artikel I-J7. Geen aanspraak op verhuiskostenvergoeding [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de betrokkene wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na de datum waarop betrokkene is benoemd in een standplaatsbetrekking doch binnen twee jaar na benoeming in vaste dienst in een standplaatsbetrekking.

  • 2 Aan de belanghebbende wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing in verband met een verplaatsing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de datum van de verplaatsing.

Artikel I-J8. Terugbetaling tegemoetkoming verhuiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene, aan wie een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verleend, is, behoudens het tweede lid, gehouden de ontvangen tegemoetkoming terug te betalen indien zijn dienstverband op zijn verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt beëindigd, tenzij deze beëindiging ingaat twee jaren of langer na de datum waarop de betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd of is verplaatst en deze beëindiging heeft plaatsgevonden een jaar of langer na de datum van de verhuizing.

  • 2 Geen terugbetalingsverplichting bestaat, indien de belanghebbende bedoeld in het eerste lid, ontslag neemt uit een standplaatsbetrekking teneinde aansluitend een zodanige betrekking aan een andere instelling te aanvaarden, mits de plaats van tewerkstelling binnen of op een afstand van 5 zones van zijn woonplaats is gelegen.

  • 3 De belanghebbende, die binnen twee jaar na de verhuizing, anders dan in verband met het beëindigen van het dienstverband bij de instelling waarvoor hem deze tegemoetkoming werd toegekend of wegens een verplaatsing van deze instelling, verhuist naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de plaats van tewerkstelling, is gehouden de ontvangen tegemoetkoming in de verhuiskosten terug te betalen:

    • a. gedeeltelijk, indien hij zich in een woonplaats binnen of op een afstand van 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft en wel voor zover de tegemoetkoming meer bedraagt dan de tegemoetkoming die hem zou zijn toegekend indien hij zich direct in deze woonplaats zou hebben gevestigd;

    • b. geheel, indien hij zich in een woonplaats op een afstand van meer dan 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft.

Artikel I-J9. Aanspraak op tegemoetkoming in de reiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de belanghebbende wordt door het bevoegd gezag maandelijks, onverminderd het bepaalde in artikel I-J11, een tegemoetkoming in de reiskosten tussen de woning en het gebouw of de gebouwen verleend, indien de te reizen afstand tussen de woning en het gebouw of de gebouwen meer dan twee zones bedraagt.

  • 2 De tegemoetkoming wordt per betrekking, en voor elk gebouw binnen de betrekking afzonderlijk, afhankelijk van de reisafstand in zones tussen de woning en het gebouw of de gebouwen en van het aantal dagen dat per week naar dit gebouw of deze gebouwen wordt gereisd, vastgesteld aan de hand van de in de bijlage J2 bij dit besluit opgenomen tabel.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde tabel is slechts van toepassing indien in een maand gemiddeld ten minste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw. Voor de toepassing van de tabel in hiervan afwijkende gevallen zijn in de bijlage J2 richtlijnen gegeven.

Artikel I-J10. Evenredige vermindering tegemoetkoming in de reiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Indien door een betrokkene over een aaneengesloten tijdvak van meer dan één week anders dan in verband met vakantieverlof niet is gereisd tussen de woning en het gebouw of de gebouwen, wordt de aan de betrokkene toe te kennen tegemoetkoming in de reiskosten vanaf de tweede week naar evenredigheid verlaagd.

  • 2 Indien door een belanghebbende in verband met de datum van indiensttreding of ontslag slechts een deel van een maand tenminste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw, dient de tegemoetkoming in de reiskosten naar evenredigheid te worden vastgesteld.

Artikel I-J11. Aanspraak aantal kalendermaanden per jaar tegemoetkoming in de reiskosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De belanghebbende, bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk I-C, die voor een heel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste tien kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maanden juli en augustus.

  • 2 De belanghebbende, bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 5 van hoofdstuk I-C, die voor een geheel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste elf kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maand juli.

  • 3 Indien de belanghebbende in een betrekking is benoemd voor een kortere periode dan een geheel schooljaar, vindt er, voor zover de in het eerste respectievelijk tweede lid, genoemde termijnen niet worden overschreden, geen inhouding plaats van de tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.

Artikel I-J12. Maximering reiskostenvergoeding [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De aan belanghebbende toe te kennen tegemoetkoming in reiskosten bedraagt per schooljaar per betrekking of combinatie van betrekkingen niet meer dan het bedrag als aangegeven in bijlage J1 onder 3, van dit besluit.

  • 2 De tegemoetkoming in de reiskosten bedraagt per betrekking vanaf het tweede jaar na indiensttreding voor het totaal van het gebouw of de gebouwen binnen deze betrekking niet meer dan het volgens de tabel in de bijlage J2 vanaf het tweede jaar na indiensttreding geldende bedrag bij vier of meer reisdagen per week over een reisafstand van vijf zones.

Artikel I-J13. Aanspraak op tegemoetkoming in pensionkosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Een belanghebbende, die bij een verhuizing in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming in verhuiskosten, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in de gelegenheid is dagelijks heen en weer te reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling, heeft gedurende het eerste jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd, aanspraak op een tegemoetkoming in pensionkosten, indien hij een pension betrekt dat gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 90% van de werkelijk gemaakte pensionkosten, met een maximum als aangegeven in de bijlage J1 onder 4, bij dit besluit.

  • 3 De belanghebbende heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de te maken reiskosten binnen Nederland, voor zover hij die éénmaal per week maakt voor het bezoeken van zijn woonplaats.

Artikel I-J14. Aanspraak op tegemoetkoming in de reis- en verblijfkosten bij dienstreizen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Aan de belanghebbende die een dienstreis maakt, wordt door het bevoegd gezag een tegemoetkoming toegekend in de gemaakte reis- en verblijfkosten volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.

  • 2 De belanghebbende ontvangt voor het gebruik van een eigen motorvoertuig, waarvoor door het bevoegd gezag een machtiging is verleend, een kilometervergoeding:

    • a. voor de eerste 10000 kilometer het bedrag dat per gereisde kilometer in het desbetreffende kalenderjaar belastingvrij mag worden toegekend;

    • b. voor de overige kilometers wordt het bedrag vastgesteld volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.

Artikel I-J15. Aanvraag en toekenning tegemoetkomingen [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de verhuiskosten dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 6 maanden na de verhuizing door de belanghebbende bij het bevoegd gezag te worden ingediend.

  • 2 Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten dient voor 1 januari volgend op het betreffende schooljaar bij het bevoegd gezag te worden ingediend.

Artikel I-J16. Aanspraak op vergoeding van de reis- en verblijfkosten bij geneeskundig onderzoek [Vervallen per 18-06-2003]

Degene die een geneeskundig onderzoek ondergaat in verband met benoeming of wijziging van het dienstverband, ontvangt van het bevoegd gezag een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde regels. De kosten van een geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag.

Artikel I-J17 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J18 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J19 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J20 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J21 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J22 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel I-J23 [Vervallen per 01-01-1994]

Hoofdstuk I-K. Jubileumgratificatie [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-K1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. diensttijd: de tijd, doorgebracht:

    • 1. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d, met dien verstande dat de tijd vóór 1 januari 1956 doorgebracht aan scholen voor kleuteronderwijs slechts medetelt indien daartoe naar het oordeel van Onze minister aanleiding bestaat;

    • 2. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid;

    • 3. in een betrekking waarbij betrokkene in dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, c, d, e en f, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, jo. artikel 3 van de WPA;

    • 4. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d7, voordat deze werd aangewezen als lichaam, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, van de WPA, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid onderdeel b, juncto artikel 3 van de WPA;

    • 5. vóór 1 januari 1966 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240);

    • 6. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de overheid van de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea alsmede, vóór 27 december 1949, bij de voormalige Nederlands Indische overheid, waaronder mede worden begrepen de voormalige Indische Pensioenfondsen;

    • 7. in een dienstbetrekking bij het niet-openbaar onderwijs in de onder 6 vermelde voormalige Rijksdelen, voor zover zulks de betrokkene onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling heeft gebracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst zou zijn aangesteld;

    • 8. vóór 1 januari 1955 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 1950, K 178) wordt bestreken;

    • 9. in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van de desbetreffende rechtspositieregelingen gelijkgestelde dienst, waaronder mede worden begrepen het voormalige KNIL en de troepen in de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname.

    • 10. als volontair met een volledige dagtaak in een betrekking bij de Nederlandse overheid;

    een en ander met uitzondering van de tijd gedurende welke de betrokkene geen inkomsten uit de dienstbetrekking heeft genoten, tenzij zulks het gevolg was van lang buitengewoon verlof dat naar het oordeel van Onze minister overwegend dan wel mede in het algemeen belang was verleend;

  • b. jubileumdatum: de datum waarop de betrokkene een diensttijd van 25, 40 dan wel 50 jaren volbrengt;

  • c. bezoldiging: voor zover het betreft: een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, d4 tot en met d7 en d 10, d 12 tot en met d18: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging of som der bezoldigingen welke voor de betrokkene op de jubileumdatum aan één of meer instellingen geldt, tot ten hoogste de bezoldiging behorende bij een normbetrekking;

    een en ander vermeerderd met:

    de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand;

    en de toelage wegens onregelmatige dienst over één maand, berekend naar hetgeen de betrokkene in de 3 aan de jubileumdatum voorafgaande kalendermaanden gemiddeld aan zodanige toelage heeft ontvangen.

Artikel I-K2. Aanspraak op jubileumgratificatie [Vervallen per 18-06-2003]

De betrokkene heeft bij het bereiken van de jubileumdatum aanspraak op een door het bevoegd gezag uit te betalen jubileumgratificatie.

Artikel I-K3. Bedrag jubileumgratificatie [Vervallen per 18-06-2003]

De jubileumgratificatie bedraagt bij een 25-jarig jubileum 50% en bij een 40- of 50-jarig jubileum 100% van de bezoldiging. De bedragen worden op een veelvoud van 5 gulden naar boven afgerond.

Artikel I-K4. Aanspraak op jubileumgratificatie bij meer dan één betrekking [Vervallen per 18-06-2003]

Indien betrokkene op de jubileumdatum een betrekking aan meer dan een instelling heeft, wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door ieder van de betrokken bevoegde gezagsorganen voor een evenredig deel.

Artikel I-K5. Geen dubbeltelling diensttijd [Vervallen per 18-06-2003]

De tijd gedurende welke de betrokkene twee of meer betrekkingen naast elkaar vervulde, komt slechts eenmaal in aanmerking voor de berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.

Artikel I-K6. Geen aanspraak op jubileumgratificatie [Vervallen per 18-06-2003]

De betrokkene die ter zake van zijn dienstvervulling voor een 25-, 40- of 50-jarig jubileum reeds krachtens een andere regeling een overeenkomstige gratificatie heeft ontvangen, heeft voor datzelfde jubileum geen aanspraak op een jubileumgratificatie als bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel I-K7. Opschorting aanspraak bij lang buitengewoon verlof overwegend of mede in het algemeen belang [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Indien de jubileumdatum valt in een periode waarin de betrokkene lang buitengewoon verlof geniet dat, naar het oordeel van Onze minister, overwegend of mede in het algemeen belang is verleend, heeft hij, onverminderd het bepaalde in artikel I-K6, eerst aanspraak op een jubileumgratificatie zodra hij na afloop van het verlof zijn werkzaamheden aan een instelling hervat.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door het bevoegd gezag van de instelling waaraan de betrokkene na afloop van het verlof werkzaam is.

  • 3 Daarbij geldt als bezoldiging de bezoldiging die de betrokkene gedurende de maand waarin de jubileumdatum valt zou hebben genoten indien hij in de functie en met het salarisnummer welke hij had op de dag voorafgaande aan het ingaan van het verlof, op de jubileumdatum in actieve dienst was geweest.

Hoofdstuk I-L. Vakantie-uitkering [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-L1. Aanspraak op uitkering [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor de tijd gedurende welke hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder tijd, gedurende welke bezoldiging is genoten niet begrepen tijd gedurende welke de betrokkene wegens verplichte militaire dienst, anders dan voor herhalingsoefeningen, niet verlof zijnde, slechts bezoldiging heeft genoten tot een bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

Artikel I-L2. Bedrag van de vakantie-uitkering [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, bedraagt de vakantie-uitkering per kalendermaand 8% van het bedrag dat de betrokkene in die maand aan bezoldiging met uitzondering van de vakantie-uitkering heeft genoten.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de gevallen bedoeld in artikel 4 en 5 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel steeds uitgegaan van de volledige aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

  • 3 Voor de betrokkene die in de van toepassing zijnde maand op grond van het bepaalde in het eerste lid aanspraak heeft op een bedrag dat lager is dan het bedrag dat in bijlage 2, onder 2, bij zijn leeftijd is vermeld, wordt de vakantie-uitkering vastgesteld op laatstbedoeld bedrag, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd voor de betrokkene die is aangesteld in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking.

  • 4 Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien:

    • a. de betrokkene in de desbetreffende maand of gedurende een deel daarvan een deelbetrekking heeft vervuld;

    • b. de bezoldiging van de betrokkene op een andere dag dan de eerste dag van die maand is aangevangen dan wel indien hij in een deel van die maand geen bezoldiging heeft genoten;

    • c. de betrokkene in de loop van die maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.

Artikel I-L3. Aanspraak vakantie-uitkering in bijzondere omstandigheden [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het bepaalde in dit hoofdstuk is mede van toepassing op de gewezen betrokkene, die ingevolge artikel 39, eerste, tweede, vierde of zesde lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel nog bezoldiging geniet.

  • 2 Voor de betrokkene op wie het bepaalde in artikel I-D3, tweede lid, van toepassing is wordt de vakantie-uitkering berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Hij geniet deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering, waarop hij als militair aanspraak heeft.

Artikel I-L4. Uitbetaling van de vakantie-uitkering [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De vakantie-uitkering wordt per instelling eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand mei.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van ontslag.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt met ontslag van de betrokkene gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de bezoldiging van de gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-L3, eerste lid.

Hoofdstuk I-M. Studiefaciliteiten [Vervallen per 18-06-2003]

Paragraaf 1. Studiefaciliteiten onderwijsondersteunend personeel [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-M1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. betrokkene:

    • 1. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1, e2 en e16, e4, e5 en e6, alsmede e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend of ondersteunend personeel en e12 voorzover het niet de directie bedoeld in artikel I-Q1001, onder f, betreft;

    • 2. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e7;

  • b. studie: een opleiding die van belang is voor het persoonlijk welbevinden van de betrokkene in zijn arbeidssituatie en, naar het oordeel van het bevoegd gezag, tevens van belang is voor de uitoefening van zijn functie;

  • c. studiefaciliteiten:

    • 1. verlof als bedoeld in artikel I-M3;

    • 2. een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel I-M4;

  • d. ontslag: elke beëindiging van het dienstverband.

Artikel I-M2. Algemene voorwaarden [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen, dient het verzoek daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat dit verzoek vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het bevoegd gezag noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten.

  • 2 Het bevoegd gezag kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen na overleg met de betrokkene een psychologisch advies inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van het bevoegd gezag.

  • 3 Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de studie. Het bevoegd gezag kan deze termijn verlengen.

  • 4 Verleende studiefaciliteiten kunnen, al dan niet tijdelijk, worden ingetrokken indien het bevoegd gezag op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is, dat de betrokkene niet in die mate studeert of vorderingen maakt dat hij in staat kan worden geacht de studie binnen de in het derde lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking geschiedt niet indien de betrokkene aannemelijk maakt, dat deze omstandigheid niet aan hem te wijten is.

  • 5 Aan de betrokkene, die krachtens een op hem van toepassing zijnde regeling aanspraak heeft op een verhoging van zijn bezoldiging uitsluitend op grond van het voltooien van een studie, worden ter zake van die studie geen studiefaciliteiten verleend.

Artikel I-M3. Studieverlof [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Tenzij het belang van de instelling zich daartegen verzet, kan aan de betrokkene studieverlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor ten hoogste een halve dag per week, met dien verstande dat indien lessen in de normale werktijd moeten worden gevolgd, het verlof tot maximaal één dag per week kan worden verleend.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan studieverlof worden verleend op de dag, waarop wordt deelgenomen aan een examen of een tentamen, dat aan het einde van de studie is gelegen dan wel volgt op een duidelijk afgerond onderdeel van de studie.

  • 3 Ter voorbereiding op een examen en tentamen als bovenbedoeld kan bovendien studieverlof worden verleend voor ten hoogste vijf halve dagen per jaar.

Artikel I-M4. Tegemoetkoming in studiekosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Voor volledige tegemoetkoming komen in aanmerking:

    • a. indien de studie in een andere plaats dan de woon- of standplaats moet worden gevolgd; de noodzakelijk gemaakte reiskosten voor interlokaal vervoer en het daarmee in samenhang optredende vervoer in de plaats waar de cursus of het examen wordt gehouden, op basis van het laagste tarief van het gebezigde middel van openbaar vervoer, waarvan redelijkerwijs gebruik kan worden gemaakt, voor zover de betrokkene voor deze kosten niet uit anderen hoofde een vergoeding geniet; kan van openbaar vervoer redelijkerwijs geen gebruik worden gemaakt, dan worden de noodzakelijk gemaakte kosten vergoed tegen het tarief genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Regeling vergoeding reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel;

    • b. de werkelijk gemaakte kosten, welke in verband met het afleggen van een examen noodzakelijkerwijze worden gemaakt voor nachtverblijf en het gebruik van maaltijden, met dien verstande dat de daarvoor in artikel 17 van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel geldende bedragen niet worden overschreden.

  • 2 Voor een tegemoetkoming van maximaal 50% komen in aanmerking de noodzakelijk gemaakte:

    • a. aanschaffingskosten van het verplicht gestelde studiemateriaal;

    • b. cursus- of lesgelden;

    • c. examen- of diplomakosten.

  • 3 In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister, het in het tweede lid genoemde percentage op 75 worden gesteld.

  • 4 Een tegemoetkoming in studiekosten wordt eerst verleend nadat de betrokkene schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de verplichting tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling, bedoeld in artikel I-M5.

Artikel I-M5. Terugbetaling tegemoetkoming studiekosten [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene is verplicht tot terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de studiekosten in geval:

    • a. hem ontslag wordt verleend vóórdat de studie met goed gevolg is afgesloten;

    • b. de studie niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die naar het oordeel van het bevoegd gezag aan de betrokkene te wijten zijn;

    • c. hem ontslag wordt verleend binnen een termijn van drie jaren sedert de datum, waarop de studie met goed gevolg is afgesloten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt:

    • a. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b, tot het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum, waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan;

    • b. in het geval, bedoeld in het eerste lid onder c, voor elke maand welke ontbreekt aan de in die bepaling genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren voorafgaande aan de datum waarop de studie is afgesloten.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien:

    • a. de betrokkene ter zake van het ontslag aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of op een direct ingaand pensioen;

    • b. de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen aansluitend wordt gevolgd door een nieuwe betrekking bij het onderwijs dan wel in overheidsdienst.

Artikel I-M6 [Vervallen per 01-08-1993]

Hoofdstuk I-N. Overgangsregeling 10-jarig onbevoegden voortgezet onderwijs [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-N1. Toepassing artikel 114a O.W.V.O. [Vervallen per 01-08-1996]

Artikel I-N2. Voorwaarden [Vervallen per 01-08-1996]

Artikel I-N3. Beperking tot scholen onder één bevoegd gezag [Vervallen per 01-08-1996]

Artikel I-N4. Toepassing bij middelbaar beroepsonderwijs, agrarische opleidingscentra, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsbegeleidend onderwijs [Vervallen per 01-08-1996]

Hoofdstuk I-P. Algemene bepalingen ten aanzien van formatie en salaris [Vervallen per 18-06-2003]

§ 1. Bepalingen geldend voor alle instellingen [Vervallen per 18-06-2003]

Artikel I-P1. Begripsbepalingen [Vervallen per 18-06-2003]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e1, e2, e4 tot en met e6, alsmede e10, e12 tot en met e18;

  • b. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de betrokkene is vastgesteld aan de hand van de bijlagen 1A tot en met 1D en 1F van dit besluit;

  • c. schaal: een als zodanig in een der bijlagen 1A en 1B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen, behorende bij een normbetrekking;

  • d. maximumschaal: de hoogste schaal die behoort bij een functie;

  • e. aanloopschaal: een bij een functie behorende lagere schaal dan de maximumschaal;

  • f. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;

  • g. maximumsalaris: het hoogste bedrag dat in een schaal voorkomt, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat;

  • h. functie: het samenstel van werkzaamheden aan één of meer instellingen door de betrokkene in dienst van hetzelfde bevoegd gezag te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem uit hoofde van een benoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder o, door het bevoegd gezag is opgedragen; een en ander conform het bepaalde in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S;

  • i. normfunctie: een functie waarvan de inhoud en het niveau zijn omschreven in de bijlage Q1, Q2 en Q5 tot en met Q14, R1 en R2, R5 tot en met R11a, S1 en S4 tot en met S12 bij dit besluit;

  • j. carrièrepatroon: de wijze waarop de betrokkene op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal bereikt;

  • k. formatie: het samenstel van functies voor het gehele personeel in niveaus en aantallen, uitgedrukt in de omvang: van een normbetrekking of een gedeelte daarvan;

  • l. tijdelijke uitbreiding betrekkingsomvang: de tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang op grond van dit besluit van een reeds bij het bevoegd gezag benoemd personeelslid;

  • m. begintraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de aanloopschaal bij een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, zoals aangegeven in bijlage 1D;

  • n. eindejaarsuitkering: de uitkering als bedoeld in artikel I-P30;

  • o. aanlooptraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de maximumschaal bij een functie als bedoeld in artikel I-S102a, zoals aangegeven in bijlage 1F.

Artikel I-P2. Functiebeloning [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene wordt benoemd in één van de functies die door het bevoegd gezag beschikbaar is gesteld.

  • 2 Het salaris van de betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van de functie waarin hij is benoemd, een en ander met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S.

  • 3 De betrokkene kan bij een bevoegd gezag aan de instelling of instellingen waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, slechts in één functie zijn benoemd, met dien verstande dat in het kader van de bestuursbenoeming, bedoeld in artikel I-A1, onderdeel p, als één functie worden aangemerkt:

    • a. onderwijsgevende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon;

    • b. gelijksoortige onderwijsondersteunende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon.

  • 4 Het bevoegd gezag kan naast of in plaats van de normfuncties andere functies voor de instelling vaststellen waarbij taken behorend tot die normfunctie worden verzelfstandigd of andere taken dan wel taken behorende tot verschillende normfuncties worden samengevoegd tot één nieuwe functie. Voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d1 tot en met d6, d10 en d13 tot en met d15, d17 en d18 geldt dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie ten hoogste één schaal hoger kan zijn dan de maximumschaal die op grond van hoofdstuk I-Q behoort bij de normfunctie directeur aan de desbetreffende instelling doch niet hoger dan schaal 18. Zonodig in afwijking van het bepaalde in de tweede volzin geldt voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2, dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 29, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 149, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten hoogste schaal 13 kan zijn.

  • 5 In de situaties bedoeld in het vierde lid stelt het bevoegd gezag een functiebeschrijving op en geeft daarbij de plaats in de organisatie aan voor de nieuwe functie. Tevens wordt de maximumschaal aangegeven op basis van de aard en het niveau van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht rekening houdend met de voor het rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie, en geeft het bevoegd gezag aan of hoofdstuk I-Q, I-R of I-S op die functie van toepassing is.

  • 6 De betrokkene die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de waardering van zijn functie als bedoeld in het vijfde lid, kan het bevoegd gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in de eerste volzin.

  • 7 In afwijking van het derde lid kan een betrokkene in het in dat lid bedoelde geval worden benoemd:

    • a. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-S dan wel hoofdstuk I-R en I-S, indien er een verschil van meer dan drie schalen is tussen de bij die functies behorende maximumschalen, of

    • b. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-R indien die functies bestaan uit een normfunctie leraar voor basisscholen enerzijds en een normfunctie leraar voor speciale scholen voor basisonderwijs anderzijds.

  • 8 Over belangrijke facetten van de concrete taakinhoud en over wijziging daarvan pleegt het bevoegd gezag overleg met de betrokken betrokkene. De werkzaamheden moeten redelijkerwijs aan de betrokkene kunnen worden opgedragen.

Artikel I-P2a [Vervallen per 01-08-1992]

Artikel I-P3. Invulling normbetrekking [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 De betrokkene wordt benoemd in een normbetrekking of een deel daarvan, onverminderd het vijfde lid.

  • 2 De normbetrekking op jaarbasis wordt gerealiseerd door met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, op jaarbasis uit te gaan van een arbeidsduur van 1710 uren, waaruit verlof wordt verleend op grond van artikel I-C41.

  • 3 In afwijking van het tweede lid wordt de normbetrekking door het bevoegd gezag op verzoek van betrokkene gerealiseerd door middel van een arbeidsduur op jaarbasis die met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, wordt gelijkgesteld met 1790 uren, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 4 Aan het derde lid kan geen toepassing worden gegeven indien dat op enigerlei wijze direct leidt tot een plaatsing in de formatie, bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, dan wel tot enige uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

  • 5 Voor de betrokkene geldt dat de omvang van zijn betrekking of betrekkingen, waaronder tevens zijn begrepen werkzaamheden al of niet in dienstverband buiten het onderwijs verricht en waarmee inkomen wordt verworven, de omvang van 120% van een normbetrekking niet te boven mag gaan.

Artikel I-P3a [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel I-P4. Bezoldiging bij een niet-normbetrekking [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het salaris van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt naar evenredigheid van die betrekkingsomvang berekend. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen.

  • 2 Waar dit in hoofdstuk of in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S sprake is van een vergelijking van salarisbedragen ten einde een inpassingsschaalbedrag te kunnen vaststellen moet worden uitgegaan van het salarisbedrag behorende bij een normbetrekking. Zonodig wordt het voor een betrokkene feitelijk geldende salaris omgerekend naar een salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.

Artikel I-P5. Behoud van functie en betrekkingsomvang [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Zonder voorafgaand ontslag kan voor een betrokkene geen andere functie gaan gelden dan de functie waarin hij reeds is benoemd, behoudens het bepaalde in de artikelen I-Q106, I-Q107, I-Q209 en I-S110. De eerste volzin is niet van toepassing indien het bevoegd gezag bij de bepaling van het functieniveau met de betrokkene is overeengekomen dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de schaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden.

  • 2 De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e5, e6, e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, e17 en e18.

  • 4 Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e10, e14, e15, e17 en e18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.

Artikel I-P6. Maximumschaal, aanloopschalen, begintraject en aanlooptraject [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Bij elke functie behoren één of meer schalen, een aantal schalen en een begintraject, of één schaal en een aanlooptraject. Het salaris van de in die functie benoemde betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van één van de salarisbedragen die in het begintraject, het aanlooptraject of die schaal dan wel schalen voorkomen.

  • 2 Indien het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S dit voorschrijft, wordt het salaris van de betrokkene eerst vastgesteld op een der salarisbedragen in het begintraject, aanlooptraject, de aanloopschaal of -schalen en, nadat hij die volgens het bepaalde in het desbetreffende hoofdstuk heeft doorlopen, op een salarisbedrag in de maximumschaal.

  • 3 De bij elke functie behorende maximumschaal, aanloopschaal of -schalen, begintraject en aanlooptraject zijn aangegeven in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S.

Artikel I-P7. Inschaling [Vervallen per 18-06-2003]

Behoudens het bepaalde in de artikelen I-P8 tot en met I-P11, I-Q104, I-R105 en I-S103 wordt het salaris van de betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag:

  • a. van het begintraject of aanlooptraject dan wel;

  • b. indien bij de functie geen begintraject of aanlooptraject behoort, op het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de functie waarin hij wordt benoemd dan wel;

  • c. indien bij de functie bedoeld in hoofdstuk I-R schaal 12 als maximumschaal behoort, op het bedrag behorende bij salarisnummer 1 in schaal 10.

Artikel I-P8. Inschaling bij benoeming na voorafgaande onderwijsfunctie [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een lagere maximumschaal hetzij een functie met eenzelfde maximumschaal en hetzelfde of een ongunstiger carrièrepatroon dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op hetzelfde bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op een bedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

  • 3 Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en ten minste eenzelfde maximumschaal dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

  • 4 Indien de in het derde lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag dat volgens het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

  • 5 Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid wordt met een schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in zijn vorige onderwijsfunctie, gelijkgesteld een schooljaar waarin de betrokkene gedurende alle schoolweken in die onderwijsfunctie benoemd is geweest.

  • 6 Bij een benoeming in een onderwijsfunctie wordt het salaris van de betrokkene die reeds meer dan één onderwijsfunctie vervulde, vastgesteld op de in het eerste tot en met vierde lid aangegeven wijze, met dien verstande dat hierbij wordt uitgegaan van

    • a. het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;

    • b. de vorige onderwijsfunctie met de hoogst mogelijke maximumschaal waarin de betrokkene tezamen met andere vorige onderwijsfuncties met eenzelfde of een hogere maximumschaal in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.

    Indien de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar naast de onder b bepaalde onderwijsfunctie één of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met dezelfde maximumschaal als die welke behoorde bij de onder b bepaalde onderwijsfunctie en hij in alle onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal niet volgens hetzelfde salarisbedrag werd bezoldigd, wordt uitgegaan van de onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal waarin de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar volgens het laagste salarisbedrag bezoldigd is geweest, tenzij hij in dat schooljaar in een andere onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal volgens een hoger salarisbedrag bezoldigd is geweest en hij in deze onderwijsfunctie tezamen met andere onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal en eenzelfde salarisbedrag in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest; in dat geval wordt uitgegaan van die laatstbedoelde onderwijsfunctie.

  • 7 Voor de toepassing van het zesde lid:

    • a. worden dagen waarop de betrokkene gelijktijdig in meer dan één onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd was als één werkdag geteld; indien hierbij sprake was van twee of meer onderwijsfuncties met dezelfde maximumschaal waarin de betrokkene volgens verschillende salarisbedragen werd bezoldigd, worden de dagen waarop deze functies gelijktijdig zijn vervuld toegerekend aan de onderwijsfunctie waarin hij op die dagen volgens het hoogste salarisbedrag werd bezoldigd; dagen waarop de betrokkene gelijktijdig twee of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met verschillende maximumschalen, worden toegerekend aan de onderwijsfunctie die hij op die dagen heeft vervuld met de hoogste maximumschaal;

    • b. wordt bij de telling van het aantal werkdagen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, uitgegaan van het aantal werkdagen waarop de betrokkene in het schooljaar, bedoeld in het zesde lid onder a, werkzaam en bezoldigd is geweest in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk;

    • c. wordt bij een benoeming in het, in het zesde lid, onder a, bedoelde schooljaar of in het onmiddellijk daarop volgende schooljaar, voor de betrokkene die op 1 augustus van het in het zesde lid, onder a, bedoelde schooljaar dezelfde onderwijsfuncties vervulde als op 31 juli van het onmiddellijk daaraan voorafgaande schooljaar, uitgegaan van het laatstbedoelde schooljaar indien dit leidt tot vaststelling van een hoger salaris en mits hij in dat schooljaar in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.

    • d. wordt bij een benoeming aan dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag, de vorige onderwijsfunctie met een hogere maximumschaal dan die welke behoort bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt, buiten beschouwing gelaten indien de belanghebbende niet tenminste drie schooljaren in die vorige functie werkzaam is geweest en hij bij dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag eveneens werkzaam is geweest in een functie met een lagere maximumschaal dan die behoorde bij die vorige functie. Voor de vaststelling van het salaris wordt uitgegaan van het salaris dat zou zijn genoten in de functie met de lagere maximumschaal. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 8 Vaststelling van het salaris bij benoeming als bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid mag er niet toe leiden dat het vastgestelde bedrag hoger is dan het hoogste bedrag in de bij de desbetreffende functie behorende maximumschaal noch lager dan het laagste bedrag van het bij de functie behorende begintraject dan wel van de laagste aanloopschaal indien bij de functie geen begintraject behoort.

    Indien het salarisbedrag dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot niet voorkomt in het begintraject of de laagst mogelijke schaal behorende bij de functie waarin hij wordt benoemd, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in dat begintraject of deze schaal. Indien het salaris dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot hoger is dan het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt zijn salaris vastgesteld op dat hoogste bedrag.

Artikel I-P9. Inschaling bij benoeming ingeval van aangehouden onderwijsfunctie [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Ten aanzien van de vaststelling van het salaris van de betrokkene die reeds één of meer functies bij het onderwijs vervult en die daarnaast wordt benoemd in een andere onderwijsfunctie is het bepaalde in artikel I-P8 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hierbij een aangehouden functie wordt gelijkgesteld met een vorige functie.

  • 2 Het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die wordt benoemd in een functie met een maximumschaal en een carrièrepatroon die gelijk zijn aan de maximumschaal en het carrièrepatroon die bij de aangehouden functie respectievelijk bij één van de aangehouden functies behoren, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vastgesteld op hetzelfde bedrag en in hetzelfde begintraject of in dezelfde schaal volgens welke hij wordt bezoldigd in de aangehouden functie met die gelijke maximumschaal en carrièrepatroon.

Artikel I-P10. Vaststelling salaris bij indiensttreding in aansluiting op een betrekking buiten het onderwijs [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het salaris van de betrokkene die een inkomen geniet of heeft genoten voor werkzaamheden die buiten het onderwijs al dan niet in dienstbetrekking zijn verricht en waarin hij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt vastgesteld op een bedrag dat ten hoogste één periodieke verhoging hoger is dan evenbedoeld inkomen per maand, in het begintraject of in een salarisschaal die voorkomt in het bij zijn functie behorende carrièrepatroon.

  • 2 Onze minister geeft nadere voorschriften voor de uitvoering van het eerste lid.

Artikel I-P11. Inschaling bij benoeming ingeval van onderbroken carrièrepatroon [Vervallen per 18-06-2003]

  • 1 Het salaris van de betrokkene die op het moment dat hij in een onderwijsfunctie wordt benoemd gedurende vier of meer achtereenvolgende schooljaren geen functie in het onderwijs heeft vervuld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel I-P10 vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voor hem bij toepassing van artikel I-P8 zou gelden en wel voor elke periode van vier schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest, één periodieke verhoging in het begintraject of de laagst mogelijke schaal die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd een en ander voor zover dit binnen het bij zijn vorige functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.

  • 2 Het salaris van de belanghebbende, niet zijnde de belanghebbende als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid, wordt bij zijn benoeming in een onderwijsfunctie in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en de artikelen I-P7, I-P8, I-P9, eerste lid en I-P10, ten minste vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het in artikel I-P7 bedoelde bedrag indien hij de voor zijn onderwijsfunctie vereiste kwalificaties of bevoegdheden reeds vier jaar of langer geleden heeft verworven. De verhoging bedraagt één periodieke verhoging in het begintraject dan wel de laagst mogelijk bij zijn functie behorende schaal voor elke periode van vier volledige jaren die sedert de verwerving van de voor zijn functie vereiste kwalificaties of bevoegdheden is verstreken.

  • 3 Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, e4 tot en met e6, e10 en e13 tot en met e15, e17 en e18, wordt voor de toepassing van het eerste lid, de in dat lid bedoelde periode van vier schooljaren verkort tot drie schooljaren voor de eerste periode van zes schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;

  • 4 Voor de toepassing van het eerste tot en met het derde lid wordt een schooljaar waarin de betrokkene niet gedurende alle schoolweken benoemd en evenmin gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in één of meer onderwijsfuncties, gelijkgesteld aan een schooljaar waarin de betrokkene geen functie in het onderwijs heeft vervuld.

Artikel I-P12. Salaris voor jeugdigen [Vervallen per 18-06-2003]