Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit medezeggenschap onderwijs

Geldend van 01-01-2014 t/m heden

Besluit van 10 september 1984, houdende afwijkingen van het bepaalde in de Wet medezeggenschap onderwijs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij van 1 mei 1984, nr. 5171/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778);

De Onderwijsraad gehoord (advies van 15 juli 1983, O.R. 544 Alg.);

De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 1984, no. W05.84.0261/14.4.28);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 24 augustus 1984, nr. 5535/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ A. Algemene bepalingen

Artikel A-1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;

  • b. de wet: de Wet medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778);

  • c. de medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;

  • d. de voorlopige medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in artikel 24 van de wet;

  • e. het medezeggenschapsreglement: het reglement, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;

  • f. het bevoegd gezag: voor wat betreft

    • 1°. een rijksschool: Onze minister;

    • 2°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

    • 3°. een bijzondere school: het schoolbestuur.

§ B. Zeer kleine scholen voor kleuteronderwijs of gewoon lager onderwijs

Artikel B-1

In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede, derde en tiende lid, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor die scholen voor kleuteronderwijs en die scholen voor gewoon lager onderwijs, waar de schoolleider de enige aan de school verbonden leidster onderscheidenlijk onderwijzer is.

Artikel B-2

  • 1 Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan een school als bedoeld in artikel B-1 ten hoogste 3 leden.

  • 2 De medezeggenschapsraad bestaat uit:

    • a. de schoolleider;

    • b. een lid dat uit en door de ouders wordt gekozen; en indien het medezeggenschapsreglement dit bepaalt, uit

    • c. een lid dat wordt gekozen overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, zesde lid, van de wet.

  • 3 Het medezeggenschapsreglement kan niet bepalen dat het tot de taak van de schoolleider behoort om namens het bevoegd gezag de besprekingen met de medezeggenschapsraad te voeren, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet.

Artikel B-3

De voorlopige medezeggenschapsraad aan een school als bedoeld in artikel B-1 bestaat uit de schoolleider en een lid dat uit en door de ouders wordt gekozen.

Artikel B-4

Indien op het moment van inwerkingtreding van dit besluit aan een school als bedoeld in artikel B-1 geen medezeggenschapsraad of voorlopige medezeggenschapsraad is verbonden in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen B-2 en B-3, wordt binnen drie maanden een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.

§ C. Groepen van scholen voor kleuteronderwijs en gewoon lager onderwijs

Artikel C-1

In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, eerste en zevende lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf in die gevallen, waarin een of meer scholen voor kleuteronderwijs en een of meer scholen voor gewoon lager onderwijs door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden en samenwerken, of zullen gaan samenwerken met het oog op de vorming van een school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs

(Stb. 1984, 2).

Artikel C-2

  • 1 In een geval als bedoeld in artikel C-1 kan het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instellen voor de groep van scholen, indien dit overeenstemt met de wens van ten minste twee derden zowel van het personeel van elk van de desbetreffende scholen als van de ouders van de leerlingen van elk van de desbetreffende scholen.

  • 2 Bij de berekening van het aantal leden van de medezeggenschapsraad wordt uitgegaan van het gezamenlijk aantal leerlingen van de desbetreffende scholen, met dien verstande dat het aantal leden in elk geval het dubbele van het aantal scholen bedraagt.

  • 3 In elk van de delen van de medezeggenschapsraad, die ingevolge artikel 4, derde lid onder a en b, van de wet worden gekozen, wordt ten minste een lid uit elk van de desbetreffende scholen gekozen.

  • 4 De schoolleider van elk van de desbetreffende scholen heeft, met adviserende stem, mede zitting in de medezeggenschapsraad, indien hij niet tot lid daarvan is gekozen.

Artikel C-3

Artikel C-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige medezeggenschapsraad.

§ D. Cursussen voor voortgezet onderwijs van geringe omvang

Artikel D-1

In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede tot en met zesde lid, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor die cursussen voor voortgezet onderwijs, waarvan de cursusduur minder dan één jaar bedraagt en waaraan per leerling per week gedurende minder dan 7 lesuren onderwijs wordt gegeven.

Artikel D-2

  • 1 Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan een cursus als bedoeld in artikel D-1 met minder dan 250 leerlingen ten hoogste 3 leden, met 250 tot 750 leerlingen ten hoogste 5 leden, met 750 tot 1250 leerlingen ten hoogste 7 leden en met 1250 of meer leerlingen ten hoogste 9 leden.

  • 2 De medezeggenschapsraad bestaat uit leden die uit en door het personeel worden gekozen.

Artikel D-3

Het aantal leden van de voorlopige medezeggenschapsraad bedraagt aan een cursus als bedoeld in artikel D-1 met minder dan 250 leerlingen 2 leden, met 250 tot 750 leerlingen 4 leden, met 750 tot 1250 leerlingen 6 leden en met 1250 of meer leerlingen 8 leden. Artikel D-2, tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel D-4

Indien op het moment van inwerkingtreding van dit besluit aan een cursus als bedoeld in artikel D-1 geen medezeggenschapsraad of voorlopige medezeggenschapsraad is verbonden in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen D-2 en D-3, wordt binnen drie maanden een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.

§ E. Groepen van cursussen en groepen van een school en een of meer cursussen

Artikel E-1

In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, eerste en achtste lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor die gevallen, waarin meer cursussen voor voortgezet onderwijs, die geen organisatorische eenheid vormen, door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, dan wel een bevoegd gezag een school en een of meer daaraan verbonden cursussen in stand houdt.

Artikel E-2

  • 1 In een geval als bedoeld in artikel E-1 kan het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instellen voor een of meer groepen van cursussen en, onderscheidenlijk of, voor een of meer cursussen afzonderlijk, dan wel voor een groep van een school en een of meer cursussen.

  • 2 Indien het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instelt voor een groep van cursussen, dan wel voor een groep van een school en een of meer cursussen, wordt bij de berekening van het aantal leden van de medezeggenschapsraad uitgegaan van het gezamenlijk aantal leerlingen van de desbetreffende cursussen, onderscheidenlijk school en cursus dan wel cursussen.

  • 3 Indien het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instelt voor een groep van cursussen, dan wel voor een groep van een school en een of meer cursussen kan de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvinden volgens een stelsel, waarin de desbetreffende cursussen, onderscheidenlijk school en cursus dan wel cursussen evenredig zijn vertegenwoordigd.

Artikel E-3

Artikel E-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige medezeggenschapsraad.

§ F. Medezeggenschap en samenvoeging van scholen

Artikel F-1

  • 1 In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede lid, en 24, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, eerste en tweede volzin, gelden de bepalingen van deze paragraaf in die gevallen waarin een school ontstaat uit samenvoeging van twee of meer scholen.

  • 2 Onder samenvoeging wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan:

    • a. opheffing van twee of meer gelijksoortige scholen en de gelijktijdige oprichting van een school die feitelijk de voortzetting is van de gezamenlijke opgeheven scholen;

    • b. opheffing van een of meer scholen waarbij deze school of scholen feitelijk opgaan in een andere, gelijksoortige school;

    • c. vereniging van twee of meer scholen in een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 19 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • d. samenbrenging van scholen in een onderwijsgemeenschap als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit proefprojecten nieuw vervolg/beroepsonderwijs (Stb. 1980, 283) en artikel 23, vierde lid, van het Besluit proefprojecten deeltijd vervolg/beroepsonderwijs (Stb. 1983, 128);

    • e. oprichting van een school door omvorming als bedoeld in artikel 31 van het Besluit proefprojecten deeltijd vervolg/beroepsonderwijs;

    • f. gezamenlijke overgang van scholen in een school van een nieuwe onderwijsvorm.

Artikel F-2

In het geval dat aan de samen te voegen scholen met toepassing van artikel 17, eerste dan wel tweede lid, van de wet een gezamenlijke medezeggenschapsraad is gekozen, geldt deze raad vanaf de samenvoeging als krachtens artikel 4 van de wet te zijn gekozen aan de nieuwe school. Het medezeggenschapsreglement van de scholen geldt vanaf de samenvoeging als krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet te zijn vastgesteld aan de nieuwe school, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag en de gezamenlijke medezeggenschapsraad, gezien de veranderingen in de feitelijke situatie, gezamenlijk constateren dat zij niet kunnen werken in de situatie na de samenvoeging. Indien is geconstateerd dat een of meer bepalingen van het medezeggenschapsreglement niet kunnen werken in de situatie na de samenvoeging, en het bevoegd gezag van oordeel is dat het medezeggenschapsreglement om die reden aanpassing behoeft, legt het bevoegd gezag na de samenvoeging onverwijld een wijziging van het medezeggenschapsreglement als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor.

Artikel F-3

In het geval dat scholen met gelijkluidende medezeggenschapsreglementen worden samengevoegd, geldt vanaf de samenvoeging als krachtens artikel 4 van de wet aan de nieuwe school te zijn gekozen een medezeggenschapsraad, samengesteld uit de leden van de medezeggenschapsraden van deze scholen. De aldus samengestelde raad is aan de nieuwe school verbonden totaan de verkiezing van de medezeggenschapsraad van deze school. De medezeggenschapsreglementen van de scholen gelden vanaf de samenvoeging als het krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet aan de nieuwe school vastgestelde medezeggenschapsreglement, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraden van de samen te voegen scholen, gezien de veranderingen in de feitelijke situatie, gezamenlijk constateren dat zij niet kunnen werken in de situatie na de samenvoeging. Indien is geconstateerd dat een of meer bepalingen van het medezeggenschapsreglement niet kunnen werken in de situatie na de samenvoeging, en het bevoegd gezag van oordeel is dat het medezeggenschapsreglement om die reden aanpassing behoeft, legt het bevoegd gezag na de samenvoeging onverwijld een wijziging van het medezeggenschapsreglement als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor.

Artikel F-4

In andere gevallen van samenvoeging dan die, bedoeld in de artikelen F-2 en F-3, geldt vanaf de samenvoeging als krachtens artikel 24, eerste lid, van de wet aan de nieuwe school te zijn gekozen een voorlopige medezeggenschapsraad, samengesteld uit de leden van de raden van de samengevoegde scholen. Na de samenvoeging legt het bevoegd gezag onverwijld een medezeggenschapsreglement als voorstel aan de voorlopige raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit.

Artikel F-5

Het bevoegd gezag kan in overeenstemming met de medezeggenschapsraden van de samen te voegen scholen besluiten, geen toepassing te geven aan het bepaalde in artikel F-2, F-3 onderscheidenlijk F-4. Alsdan wordt binnen drie maanden na de samenvoeging een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen aan de nieuwe school en legt het bevoegd gezag onverwijld daarna een medezeggenschapsreglement als voorstel aan deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit.

§ G. Medezeggenschap na splitsing van scholen

Artikel G-1

In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 3, eerste lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf in die gevallen waarin een school wordt gesplitst, behoudens voor zover de splitsing geschiedt met het oog op een onmiddellijk op de splitsing volgende samenvoeging als bedoeld in Paragraaf F van dit besluit.

Artikel G-2

  • 1 In een geval als bedoeld in artikel G-1 geldt het aan de school vastgestelde medezeggenschapsreglement vanaf het moment van splitsing als krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet te zijn vastgesteld aan elk van de uit de splitsing ontstane scholen afzonderlijk, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad van de te splitsen school, gezien de veranderingen in de feitelijke situatie, gezamenlijk constateren dat zij niet kunnen werken in de situatie na de splitsing. Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad van de te splitsen school treffen gezamenlijk een voorziening met betrekking tot de uitoefening van de in de wet en het reglement neergelegde medezeggenschapsbevoegdheden in de periode tot aan de verkiezing van de in het derde lid bedoelde medezeggenschapsraad.

  • 2 Indien het in het eerste lid bedoelde reglement bepalingen bevat die met het oog op de situatie na de splitsing wijziging behoeven, legt het bevoegd gezag tijdig voor de splitsing aan de medezeggenschapsraad een voorstel voor tot wijziging van de bedoelde bepalingen.

  • 3 Binnen drie maanden na de splitsing wordt een medezeggenschapsraad gekozen aan elk van de uit de splitsing ontstane scholen.

§ H. Medezeggenschap na omzetting van scholen

Artikel H-1

  • 1 In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 3, eerste lid, 4 en 6, eerste lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf in geval van omzetting van scholen.

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder omzetting van scholen verstaan, de opheffing van een openbare, respectievelijk bijzondere school, onder aansluitende oprichting van een bijzondere, respectievelijk openbare school die daarvoor in de plaats komt.

  • 3 Deze paragraaf is niet van toepassing op een omzetting, onmiddellijk voorafgaand aan een samenvoeging als bedoeld in Paragraaf F van dit besluit.

Artikel H-2

  • 1 In een geval als bedoeld in artikel H-1 geldt de medezeggenschapsraad van de opgeheven school als krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet, vanaf het moment van oprichting van de nieuwe school te zijn gekozen aan laatstbedoelde school.

  • 2 Het reglement van de opgeheven school geldt als krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet, op het moment van oprichting van de nieuwe school te zijn vastgesteld aan laatstbedoelde school, behoudens voor zover dit reglement bepalingen bevat die direct het karakter van de door de omzetting opgerichte school betreffen en het bevoegd gezag, gezien de met de omzetting gepaard gaande karakterverandering van de school, overneming van die bepalingen onaanvaardbaar acht. Na de oprichting van de nieuwe school legt het bevoegd gezag onverwijld een voorstel aan de medezeggenschapsraad voor tot aanpassing van de in de vorige volzin bedoelde bepalingen aan de nieuwe situatie.

§ I. Vooruitlopend gebruik van bijzondere medezeggenschapsbevoegdheden ten aanzien van nieuwe school

Artikel I-1

In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 6, eerste lid, en 7, gelden de bepalingen van deze paragraaf in gevallen waarin aan een school besluiten worden genomen met betrekking tot het volgende schooljaar, terwijl dan een of meer andere scholen zullen zijn ontstaan ten gevolge van samenvoeging, splitsing of omzetting als bedoeld in de Paragrafen F tot en met H, of ten gevolge van de overgang van de school in een school van een nieuwe onderwijsvorm.

Artikel I-2

In een geval als bedoeld in artikel I-1 zijn de reglementen van de betrokken medezeggenschapsraad of medezeggenschapsraden wat de daarin neergelegde bevoegdheden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet betreft, van overeenkomstige toepassing op voorgenomen besluiten ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld in artikel 7 van de wet, die betrekking hebben op de situatie na de samenvoeging, splitsing, omzetting onderscheidenlijk overgang.

§ J. Afwijkingen vooruitlopend op Wet op het hoger beroepsonderwijs

Artikel J-1

In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede, zevende en tiende lid, 13, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholen voor hoger beroepsonderwijs, totdat de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1985, 80) wat de regeling van de medezeggenschap betreft in werking is getreden.

Artikel J-2

  • 1 Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan een school met minder dan 750 leden ten hoogste 10 leden.

  • 2 Het aantal leden van de voorlopige medezeggenschapsraad bedraagt aan een school met minder dan 750 leden 8 leden.

Artikel J-3

  • 1 Een daartoe door de schoolleiding uit haar midden aangewezen lid heeft, met adviserende stem, mede zitting in de raad, indien het niet tot lid daarvan is gekozen.

  • 2 Een lid van de schoolleiding, door het bevoegd gezag aangewezen om namens dat gezag de besprekingen met de raad te voeren, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, kan niet tevens lid zijn van de raad, indien het medezeggenschapsreglement bepaalt dat het tot zijn taak behoort om deze besprekingen te voeren.

Artikel J-4

  • 1 Een deelraad wordt in ieder geval ingesteld indien de medezeggenschapsraad dit wenst.

  • 3 Volgens regels, vastgesteld in het medezeggenschapsreglement, kan de medezeggenschapsraad een bevoegdheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, b, c en j, van de wet overdragen aan een deelraad, voor zover het betreft een aangelegenheid die het desbetreffende deel van de school in het bijzonder aangaat.

§ K. Oudervertegenwoordiging in scholengemeenschappen voor middelbaar en hoger beroepsonderwijs

Artikel K-1

In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, vijfde lid onder c, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholengemeenschappen voor middelbaar en hoger beroepsonderwijs.

Artikel K-2

In een geval als bedoeld in artikel K-1 wordt het deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 4, derde lid onder b, van de wet, gekozen uit en door de leerlingen, indien dit overeenstemt met de wens van ten minste twee derden van de ouders van de leerlingen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid onder c, van de wet.

Artikel K-3

Het bepaalde in artikel K-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige medezeggenschapsraad.

§ L

Artikel L-1 [Vervallen per 01-08-1999]

Artikel L-2 [Vervallen per 01-08-1999]

Artikel L-3 [Vervallen per 01-08-1999]

Artikel L-4 [Vervallen per 01-08-1999]

Artikel L-5 [Vervallen per 01-08-1999]

§ M. Afwijking betreffende voortgezet speciaal onderwijs

Artikel M-1

In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 3, vijfde lid onder b, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen of instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra.

Artikel M-2

Het deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3, derde lid onder b, van de wet wordt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs gekozen uit en door de ouders dan wel deels uit en door de leerlingen, en aan een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs uit en door de ouders dan wel deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen die zijn toegelaten tot het voortgezet speciaal onderwijs.

Artikel M-3

Het bepaalde in artikel M-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige medezeggenschapsraad.

Artikel M-4

Tot en met 31 juli 1985 gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholen voor voortgezet buitengewoon onderwijs als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (Stb. 1978, 582).

§ N. Afwijking aangewezen scholen Regeling m.b.o. 1990-1991

Artikel N-1

Ten aanzien van de aangewezen scholen, bedoeld in de Regeling m.b.o. 1990-1991 (kenmerk WJZ 90031766/3473, Uitleg OenW-Regelingen 1990, 18a extra van 4 juli 1990), geldt tot 1 augustus 1991 dat de bepalingen, opgenomen in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a dan wel b, van de wet, niet van toepassing zijn voor zover het betreft aangelegenheden waarover overleg wordt gevoerd in het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in genoemde regeling.

§ Z. Slotbepalingen

Artikel Z-1

Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer van de onderdelen van dit besluit in een school of in een aantal scholen die door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan, dat voor wat betreft een of meer onderdelen op door hem aangegeven wijze wordt afgeweken van het bepaalde in dit besluit.

Artikel Z-2

Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit medezeggenschap onderwijs".

Artikel Z-3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 10 september 1984

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,

G. van Leijenhorst

De Minister van Landbouw en Visserij,

G. J. M. Braks

Uitgegeven de elfde oktober 1984

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes