Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit Rijksmilieuhygiënische commissie

Geldend van 01-10-1992 t/m heden

Besluit van 25 juli 1984, houdende instelling van een Rijksmilieuhygiënische commissie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 april 1984, nr. 0834021;

Overwegende, dat het wenselijk is door een betere onderlinge afstemming te komen tot een grotere samenhang tussen de regeringsmaatregelen die van betekenis zijn voor het beleid op het gebied van de milieuhygiëne;

dat een daartoe ingestelde interdepartementale coördinatiecommissie hiertoe een doelmatige bijdrage kan leveren;

dat het in afwachting van de instelling van een zodanige commissie bij de wet, wenselijk is een voorlopige voorziening ter zake te treffen;

De Raad van State gehoord (advies van 9 mei 1984, nr. W08.84.0195/16.4.18);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 juli 1984; DGMH/B nr. 0764039;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Er is een Rijksmilieuhygiënische commissie, hierna te noemen de commissie.

Artikel 2

De commissie heeft tot taak ter bevordering van de samenhang in het regeringsbeleid op het gebied van de milieuhygiëne, over onderwerpen op dat gebied interdepartementaal overleg te voeren en adviezen uit te brengen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en desgevraagd aan Onze andere Ministers.

Artikel 3

  • 1 Over voornemens tot het treffen van wettelijke maatregelen en van andere maatregelen, die van betekenis zijn voor het regeringsbeleid op het gebied van de milieuhygiëne, alsmede over voornemens waarvan de uitvoering belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor de milieuhygiëne, horen Onze Ministers onder wier verantwoordelijkheid die maatregelen onderscheidenlijk de uitvoering van die voornemens tot stand komen, vooraf de commissie.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de commissie niet gehoord over maatregelen en voornemens die worden behandeld in de Centrale Landinrichtingscommissie, ingevolge artikel 7 van de Landinrichtingswet, behoudens in die gevallen waarin van de zijde van een Onzer Ministers die in de commissie vertegenwoordigd is, tegen de maatregel of het voornemen bezwaar wordt gemaakt op grond van het regeringsbeleid op het gebied van de milieuhygiëne.

Artikel 4

  • 1 De voorzitter van de commissie wordt door Ons benoemd.

  • 2 De Directeur-Generaal voor de Milieuhygiëne is lid van de commissie.

  • 3 De andere leden van de commissie worden benoemd door Onze Ministers van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Justitie, van Binnenlandse Zaken, van Onderwijs en Wetenschappen, van Financiën, van Defensie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die ieder één lid benoemen, door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw en Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, die ieder twee leden benoemen, en door Onze Minister van Economische Zaken, die drie leden benoemt.

  • 4 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan een of meer deskundigen tot lid van de commissie benoemen.

Artikel 5

  • 1 De voorzitter van de commissie kan zich bij ontstentenis of ziekte doen vervangen door een door hem aan te wijzen lid.

  • 2 Bij ontstentenis of ziekte van een lid van de commissie kan Onze betrokken Minister voor een bepaalde termijn een ander tot lid benoemen.

Artikel 6

Het secretariaat van de commissie berust bij het directoraat-generaal voor de milieuhygiëne.

Artikel 7

  • 1 De voorzitter roept de commissie in vergadering bijeen zo dikwijls hij dit nodig oordeelt of indien een lid dit verzoekt. De oproep vermeldt de agenda van de vergadering.

  • 2 De commissie kan uit haar midden werkcommissies vormen. De voorzitter kan deskundigen uitnodigen tot het deelnemen aan beraadslagingen van de commissie of van een werkcommissie.

  • 3 Op verzoek van een lid schorst de voorzitter de behandeling van een zaak tot de volgende vergadering teneinde het lid gelegenheid te geven met Onze Minister die hem heeft benoemd, ruggespraak te houden.

Artikel 8

  • 1 In de adviezen van de commissie wordt desverlangd van gevoelens, van die der meerderheid afwijkende, melding gemaakt.

  • 2 De leden die in een vergadering van de commissie een mening kenbaar hebben gemaakt, van die der meerderheid afwijkende, kunnen zich in deze vergadering de bevoegdheid voorbehouden tot het uitbrengen van een afzonderlijk advies, dat bij het advies van de commissie wordt gevoegd.

Artikel 9

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Rijksmilieuhygiënische commissie.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 augustus 1984.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Tavarnelle, 25 juli 1984

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,

G. M. V. van Aardenne

Uitgegeven de dertiende augustus 1984

De Minister van Justitie a.i.,

Rietkerk