Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Toepassing van artikel 3 van de Wet op de omzetbelasting[Regeling vervallen per 25-07-2009.]

Geldend van 21-11-1983 t/m 24-07-2009

Toepassing van artikel 3 van de Wet op de omzetbelasting

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Naar aanleiding van vragen met betrekking tot de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting ten aanzien van leveringen van onroerende goederen welke met hypotheek zijn bezwaard en leveringen van in fiduciaire eigendom overgedragen goederen deel ik u het volgende mede.

1.1. Hypotheek [Vervallen per 25-07-2009]

1. Blijkens de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 oktober 1979, nr. 04/1977, meegedeeld bij de aanschrijving van 4 maart 1980, nr. 280-2643 (BTW-R 213) wordt, in geval onroerend goed dat met hypotheek is bezwaard ex artikel 1223, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek op een veiling vanwege de hypothecair crediteur verkocht wordt, de ondernemer/hypothecair schuldenaar aangemerkt als belastingplichtige. Ter zake is sprake van een levering in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Met deze opvatting van het Hof kan ik mij verenigen. Hierbij merk ik mogelijkerwijs ten overvloede op, dat het goed ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet geacht wordt te zijn geleverd aan de houder van de veiling, zijnde doorgaans de notaris door wie de veiling is georganiseerd. In dit verband zij overigens mede verwezen naar de aanschrijving van 3 november 1980, nr. 279-21551 (BTW-35).

2. De hypothecair crediteur en de hypothecair debiteur kunnen overeenkomen dat verkoop van het onroerend goed niet via een openbare veilig geschiedt doch onderhands door de debiteur, onder de voorwaarde dat de door de debiteur te ontvangen koopsom zal worden aangewend tot delging van de schuld. Alsdan vindt een levering ex artikel 3, eerste lid, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 plaats door de debiteur aan de koper van het onroerend goed.

3. In een aantal gevallen voldoet de hypothecair crediteur of de fiduciair eigenaar een aandeel in de kosten van het faillissement, indien hij met de curator is overeengekomen dat laatstgenoemde met toestemming van de rechter-commissaris zijn medewerking zal verlenen aan de onderhandse verkoop van het onroerend goed resp. van het in fiduciaire eigendom overgedragen goed.

Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting kan dit aandeel in de kosten van het faillissement naar mijn mening niet worden gezien als vergoeding voor een door de curator aan de hypothecair crediteur of fiduciair eigenaar verrichte prestatie.

1.2. Fiduciaire eigendomsoverdracht [Vervallen per 25-07-2009]

4. Een eigendomsoverdracht tot zekerheid vindt plaats door het in eigendom overdragen door de debiteur aan zijn crediteur van in zijn onderneming aanwezige goederen, terwijl de crediteur deze goederen op hetzelfde moment aan de debiteur in bewaring geeft. Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn de eigendomsoverdracht tot zekerheid van goederen en de terugoverdracht geen leveringen in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet.

Met name in de contracten waarin voorraden in eigendom tot zekerheid worden overgedragen is bijna steeds een bepaling opgenomen, waarin de debiteur gemachtigd wordt de overgedragen goederen in het kader van zijn bedrijf te vervreemden. Bij vervreemding op grond van deze bepaling vindt naar mijn oordeel een levering ex artikel 3, eerste lid, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de debiteur plaats.

5. Indien de debiteur op enigerlei wijze niet aan zijn verplichtingen voldoet, is de crediteur gerechtigd de aan de debiteur in bewaring gegeven goederen tot zich te nemen. In verband met de uitbreiding van het leveringsbegrip van artikel 3, eerste lid, letter e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 per 1 januari 1979 is deze handeling aan te merken als een levering van de desbetreffende goederen door de debiteur aan de crediteur. Indien de crediteur vervolgens overgaat tot verkoop van de goederen, verricht hij een levering ingevolge artikel 3, eerste lid, letter a, van genoemde wet.

6. In sommige gevallen verzoekt de crediteur de nalatige debiteur de goederen voor hem te verkopen, aangezien hij, gebruikmakend van de kennis en outillage van de debiteur, een hogere opbrengst verwacht te krijgen.

Indien zulks gepaard gaat met opzegging door de crediteur van de bewaarneming vindt er naar mijn oordeel een levering ingevolge artikel 3, lid 1, letter e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de debiteur aan de crediteur plaats.

Voorts levert de crediteur aan de debiteur en vervolgens de debiteur aan de koper van de goederen, een en ander op de voet van artikel 3, vijfde lid van de wet.

In gevallen waarin de bewaarneming door de crediteur niet wordt opgezegd, acht ik het verdedigbaar te stellen dat evenbedoelde levering ingevolge artikel 3, lid 1, letter e, van de wet zich niet voordoet.

Ter wille van een uniforme heffing kan ik mij er echter mee verenigen dat een zodanige levering in gevallen als de onderhavige niettemin aanwezig wordt geacht.

7. Wellicht ten overvloede vestig ik er de aandacht op dat voor de bovenbedoelde leveringen tussen debiteur en crediteur op de voorgeschreven wijze opgemaakte fakturen dienen te worden uitgereikt. Het ontmoet bij mij overigens geen bezwaar dat omwille van de eenvoud in de onder 6 bedoelde gevallen volstaan wordt met de heffing van omzetbelasting ter zake van de laatste levering van de goederen door de debiteur aan de koper van de goederen. Het uitwisselen van fakturen tussen debiteur en crediteur kan in verband daarmede in die gevallen achterwege blijven.

Volledigheidshalve merk ik nog op dat in geval van verkoop van de goederen door de crediteur, de afrekening die de crediteur ter zake van de verkoop opmaakt ingevolge het bepaalde in par. 4, lid 3 van het onderdeel ‘Administratieve verplichtingen’ van de toelichting op de wet (bijlage I van aanschr. OB-BTW 14) de plaats kan innemen van de overeenkomstig de wettelijke bepalingen door de debiteur uit te reiken factuur, mits deze afrekening aan de ter zake gestelde eisen voldoet.