KruimelpadGeldend op 08-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 januari 1983, DGMH/BWS/W, nr. 176814;
Overwegende dat uitvoering moet worden gegeven aan de richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen:
van 16 juni 1975, 75/440/EEG, betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor de produktie van drinkwater in de Lid-staten;
van 8 december 1975, 76/160/EEG, betreffende de kwaliteit van zwemwater;
van 18 juli 1978, 78/659/EEG, betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen;
van 9 oktober 1979, 79/869/EEG, inzake de meetmethoden en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor de produktie van drinkwater in de Lid-staten;
van 30 oktober 1979, 79/923/EEG, inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;
Gelet op de artikelen 13 en 15 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573);
Gezien het advies van de Raad van de Waterstaat van 14 mei 1982;
De Centrale raad voor de Milieuhygiëne gehoord;
De Raad van State gehoord (advies van 18 mei 1983, no. W08.83.0114/11.3.19.);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1983, DGMH/BWS, nr. 2053202;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1. De kwaliteitsdoelstelling water voor zalmachtigen onderscheidenlijk water voor karperachtigen is het geheel van daarop onderscheidenlijk betrekking hebbende normen zoals aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage III.
2. Aan de in het eerste lid bedoelde kwaliteitsdoelstellingen is een termijn verbonden van vijf jaar, beginnende op het tijdstip waarop in een plan als bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet voor de in het plan aangewezen oppervlaktewaterlichamen die kwaliteitsdoelstellingen zijn aangegeven.
3. Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder water als bedoeld in het eerste lid niet verstaan zout en brak water.
Een oppervlaktewaterlichaam waaraan één van de in artikel 5 bedoelde kwaliteitsdoelstellingen is verbonden, dient te worden onderzocht met een minimumfrequentie als aangegeven in bijlage III ten aanzien van de in die bijlage aangegeven parameters en op de wijze als aangegeven in bijlage V.
1. De kwaliteitsdoelstelling schelpdierwater is het geheel van normen zoals aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage IV.
2. Aan de in het eerste lid bedoelde kwaliteitsdoelstelling is een termijn verbonden van zes jaar, beginnende op het tijdstip waarop in een plan als bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet voor de in het plan aangewezen oppervlaktewaterlichamen de kwaliteitsdoelstelling is aangegeven.
3. Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder schelpdierwater verstaan zout en brak schelpdierwater.
1. Een oppervlaktewaterlichaam waaraan de in artikel 7 bedoelde kwaliteitsdoelstelling is verbonden, dient te worden onderzocht met een minimumfrequentie als aangegeven in bijlage IV ten aanzien van de in die bijlage aangegeven parameters en op de wijze als aangegeven in bijlage V.
2. De gegevens die uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn verkregen, dienen zo spoedig mogelijk te worden gezonden aan het Produktschap voor Vis en Visprodukten.
1.Binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar dienen de gegevens die zijn verkregen uit het in het kalenderjaar verrichte onderzoek als bedoeld in artikelen 2, 4, eerste lid, 6 en 8 te worden getoetst aan de desbetreffende kwaliteitsdoelstelling met inachtneming van de terzake gestelde voorschriften in de bijlagen I tot en met IV.
2.Van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde toetsing alsmede van de resultaten van het in artikel 4, derde lid, bedoelde onderzoek dient een overzicht te worden opgesteld, dat in afschrift aan Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat wordt gezonden.
De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, 4, 6, 8 en 9 rusten op het overheidsorgaan dat ingevolge de Waterwet bevoegd is tot het verlenen van vergunningen als bedoeld in artikel 6.2 van die wet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P. Winsemius
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Parameter | Norm | Onderzoeksfrequentie per jaar2[1] | ||
|---|---|---|---|---|
water voor zalmachtigen | water voor karperachtigen | |||
Zuurgraad | pH | 6,5 ≤ pH ≤ 9,01[2] | 6,5 ≤ pH ≤ 9,01[3] | 12 |
De schommelingen in de pH ten opzichte van de natuurlijke pH-waarde mogen niet meer dan ½ pH eenheid binnen de hierboven gestelde waarde bedragen mits deze schommelingen niet de schadelijke werking van andere in het water aanwezige stoffen verhogen | ||||
Temperatuur | °C | De verhoging ten opzichte van de natuurlijke waarde dient minder te zijn dan: | ||
1,5 °C | 3 °C | 52 | ||
met dien verstande dat de maximale temperatuur van het water de volgende waarden niet mag overschrijden: | ||||
21,5 °C | 28 °C | |||
en dat voor wateren waarin soorten kunnen voorkomen die koud water nodig hebben voor hun voortplanting, de temperatuur gedurende de voortplantingsperiode de volgende waarden niet mag overschrijden: | ||||
10 °C | 10 °C | |||
Gesuspendeerde stoffen | mg/l | ≤ 50 het rekenkundig gemiddelde van de uitkomsten van het onderzoek | ≤ 50 het rekenkundig gemiddelde van de uitkomsten van het onderzoek | 12 |
Smaak | – | De in een oppervlaktewaterlichaam aanwezige vissen mogen niet worden gekenmerkt door een onnatuurlijke smaak zoals die in het bijzonder kan optreden door de invloed van fenolen of olie | -3[4] | |
Olie | - | Geen zichtbare oliefilm op het wateroppervlak of oliebezinksel op de bodem. Geen schadelijke effecten voor de vissen door produkten op oliebasis | 12 | |
Fosfaat | µg/l-P | < 2001[5] | ≤ 2001[6] | 12 |
De aangegeven waarde betreft het rekenkundig gemiddelde van de waarnemingen en is niet van toepassing op een oppervlaktewaterlichaam waarin zich geen overmatige groei van hogere waterplanten voordoet en het gemiddelde gehalte aan algenbiomassa gedurende de maanden april tot en met september lager dan of gelijk is aan: | ||||
30 µg/l-chlorofyl-a | 100 µg/l-chlorofyl-a | |||
Ammonium | mg/l-N | ≤ 0,81[7] | ≤ 0,81[8] | 12 |
Bij een watertemperatuur van minder dan 10°C geldt als norm ≤ 4,0 | Bij een watertemperatuur van minder dan 10°C geldt als norm ≤ 4,0 | |||
Biochemisch zuurstofverbruik | mg/l-O2 | / 6 | / 10 | 12 |
Zuurstof opgelost | µg/l-O2 | ≥ 71[9] | ≥ 61[10] | 12 |
Ammoniak | µg/l-N | ≤ 20 | ≤ 20 | 12 |
Residueel chloor | µg/l-HOCI | ≤ 5 | ≤ 5 | |
Nitriet | µg/l-N | ≤ 100 | ≤ 300 | 4 |
Koper | µg/l-Cu | ≤ 30 | ≤ 30 | 12 |
Zink | µg/l-Zn | ≤ 200 | ≤ 200 | 12 |
<<Algemene opmerking>>
Bij de vaststelling van de normen voor genoemde parameters is er vanuit gegaan dat deze en waarden van niet genoemde parameters niet zodanig zijn voor de functies van vissen, zoals groei, voortplanting en benutting, dat deze ongunstig worden beïnvloed.
Met het oog op de beantwoording van de vraag of aan de kwaliteitsdoelstelling is voldaan, dient te worden nagegaan of er overschrijdingen van de normen zijn opgetreden. Daarbij dienen niet te worden meegerekend:
a. overschrijdingen van de normen die zijn veroorzaakt door uitzonderlijke weersomstandigheden, of uitzonderlijke hydrodynamische omstandigheden zoals die afgeleid kunnen worden uit hoge gehalten aan gesuspendeerde stoffen,
b. per kalenderjaar per parameter één overschrijding van de norm voor parameters ten aanzien waarvan 12 keer per jaar onderzoek dient plaats te vinden indien minstens 11 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen overschrijding als bedoeld onder a voorkomt, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 50% van de norm. Wanneer waarnemingen zijn uitgevallen als gevolg van ijsbedekking, geldt dit voorschrift indien minstens 10 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen overschrijding als bedoeld onder a voorkomt.
c. per kalenderjaar per parameter één overschrijding van de norm voor parameters ten aanzien waarvan 52 keer per jaar onderzoek dient plaats te vinden indien minstens 51 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen overschrijding als bedoeld onder a voorkomt, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 50% van de norm. Wanneer waarnemingen zijn uitgevallen als gevolg van ijsbedekking, geldt dit voorschrift indien minstens 48 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen overschrijding als bedoeld onder a voorkomt.
Bij parameters ten aanzien waarvan een gemiddelde of mediaanwaarde is gegeven, worden de waarnemingen die zijn beïnvloed door uitzonderlijke weersomstandigheden, of uitzonderlijke hydrodynamische omstandigheden zoals die afgeleid kunnen worden uit hoge gehalten aan gesuspendeerde stoffen, niet meegerekend.
Parameter | Norm | Onderzoeks frequentie per jaar 1[12] | |
|---|---|---|---|
Zuurgraad | pH | 7,5 ≤ pH ≤ 9,0 | 4 |
Temperatuur | °C | De verhoging van de gemeten waarde ten opzichte van de natuurlijke waarden mag niet meer zijn dan 2°C | 4 |
Kleurintensiteit | mg/l (Pt) | Het verschil tussen de gemeten waarde en de natuurlijke waarde mag niet meer zijn dan 10 mg Pt/l | 4 |
Gesuspendeerde stoffen | mg/l | De verhoging van de gemeten waarde ten opzichte van de natuurlijke waarde mag niet meer zijn dan 30% van de natuurlijke waarde | 4 |
Saliniteit | g/kg | ≤ 40 | 12 |
Het verschil tussen de gemeten waarde en de natuurlijke waarde mag niet meer zijn dan 10% van de natuurlijke waarde | |||
Olie | – | Geen zichtbare film op het wateroppervlak. Geen afzetting op de schelpdieren | 4 |
Geur | – | De schelpdieren mogen niet worden gekenmerkt door een onnatuurlijke geur | |
Smaak | – | De schelpdieren mogen niet worden gekenmerkt door een onnatuurlijke smaak | |
Thermotolerante bacteriën van de coli-groep | aantal/ml | ≤ 3 in het schelpdiervlees en de vloeistof binnen de schelp van het schelpdier | 4 |
Zuurstof opgelost | mg/l-O2 | ≥ 7 | 12 |
Gehalogeneerde organische stoffen en de metalen: | De concentraties van deze stoffen in het schelpdier- | 2 | |
Arseen | water of in het schelpdiervlees mogen geen schadelijke | ||
Cadmium | effecten veroorzaken op de schelpdieren en hun larven | ||
Chroom | |||
Koper | |||
Kwik | |||
Lood | |||
Nikkel | |||
Zilver | |||
Zink |
Met het oog op de beantwoording van de vraag of aan de kwaliteitsdoelstelling is voldaan, dient te worden nagegaan of er overschrijdingen van de normen zijn opgetreden. Daarbij dienen niet te worden meegerekend:
a. overschrijdingen van de normen die zijn veroorzaakt door uitzonderlijke weersomstandigheden,
b. per kalenderjaar per parameter één overschrijding van de norm voor parameters ten aanzien waarvan 12 keer per jaar onderzoek dient plaats te vinden, indien minstens 11 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen ov erschrijding als bedoeld onder a voorkomt, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 50% van de norm. Wanneer waarnemingen zijn uitgevallen als gevolg van ijsbedekking, geldt dit voorschrift indien minstens 10 waarnemingen beschikbaar zijn waaronder geen overschrijding als bedoeld onder a voorkomt.
Ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen waaraan de kwaliteitsdoelstelling oppervlaktewater voor de bereiding van drinkwater is verbonden, dient het onderzoek te worden verricht op een plaats die representatief is voor de waterkwaliteit op het punt waar een oppervlaktewaterlichaam vóór de zuiveringsbehandeling wordt onttrokken.
Ten aanzien van een oppervlaktewaterlichaam waaraan de kwaliteitsdoelstelling zwemwater is verbonden, dient het onderzoek te worden verricht op een plaats die representatief is voor het gedeelte van een oppervlaktewaterlichaam, waar doorgaans de meeste zwemmers worden aangetroffen.
Ten aanzien van een oppervlaktewaterlichaam waaraan de kwaliteitsdoelstelling water voor zalmachtigen, water voor karperachtigen of schelpdierwater is verbonden, dient het onderzoek te worden verricht op een plaats die representatief is voor de hoedanigheid van het water waarop genoemde kwaliteitsdoelstelling van toepassing is.
Het onderzoek dient op een zodanig tijdstip te geschieden, dat de uitkomsten van het onderzoek representatief zijn voor de hoedanigheid van het betreffende water.
Ten aanzien van de parameters temperatuur, zuurgraad en zuurstof opgelost, waarbij de resultaten van het onderzoek afhankelijk zijn van dagelijks voorkomende natuurlijke fluctuaties, dient een zodanig tijdstip gekozen te worden dat de uitkomsten van het onderzoek representatief zijn voor het etmaalgemiddelde over de dag waarop het onderzoek plaatsvindt.
Een monster dat niet ter plaatse wordt onderzocht, dient zodanig te worden bewaard dat de uitkomst van het onderzoek niet in betekenende mate wordt beïnvloed.
Voor de conservering van het monster wordt aanbevolen de voorschriften zoals gesteld in de praktijkrichtlijn 6601 van het Nederlands Normalisatie-instituut in acht te nemen.
4.1.Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
- meetmethode: een methode voor de bepaling van een in de bij deze bijlage behorende tabel genoemde parameter;
- meetprincipe: omschrijving van het beginsel waarop een meetmethode berust;
- standaardmeetmethode: een door het Nederlands Normalisatie-instituut vastgestelde meetmethode;
- enkelvoudige meetuitkomst: een door één meting verkregen waarde;
- gemiddelde van de meetuitkomsten: het rekenkundig gemiddelde van een eindige serie enkelvoudige meetuitkomsten;
- werkelijke waarde: de waarde van een parameter, niet zijnde de parameters temperatuur, zuurgraad en zuurstof opgelost, die wordt verkregen door aan een bekende hoeveelheid gedestilleerd gedemineraliseerd water een eveneens bekende hoeveelheid van de desbetreffende stof toe te voegen;
- standaardafwijking(s): de standaardafwijking, te berekenen met de formule:
waarbij n het aantal enkelvoudige meetuitkomsten dat in beschouwing genomen wordt aangeeft, ∑ het gemiddelde van de uitkomsten en i het rangnummer, behorende bij het resultaat van de in beschouwing genomen uitkomsten.
4.2.Van de meetmethoden moet kunnen worden aangetoond dat deze voldoen aan de hierna gestelde eisen ten aanzien van precisie, systematische afwijking en aantoonbaarheidsgrens.
a. Precisie
Tweemaal de waarde van de standaardafwijking van een serie meetuitkomsten dient kleiner te zijn dan of gelijk aan de in de tabel onder "precisie" aangegeven waarde.
b. Systematische afwijking
Het verschil tussen de werkelijke waarde en de waarde van het rekenkundig gemiddelde van een serie meetuitkomsten dient kleiner te zijn dan of gelijk aan de in de tabel onder "systematische afwijking" aangegeven waarde.
c. Aantoonbaarheidsgrens
Bij meting van een oplossing met een in de tabel onder "aantoonbaarheidsgrens" aangegeven waarde, dient van een serie meetuitkomsten een gemiddelde meetuitkomst te worden verkregen, die groter is dan drie maal de standaardafwijking van een serie meetuitkomsten, met behulp van de toegepaste meetmethode verkregen bij meting van gedestilleerd gedemineraliseerd water, vermeerderd met het gemiddelde van laatstbedoelde meetuitkomsten.
- De hiervoor onder a, b en c bedoelde meetuitkomsten dienen te zijn verkregen uit metingen, verricht door dezelfde waarnemer met dezelfde middelen en dezelfde hulpstoffen onder zoveel mogelijk gelijke omstandigheden.
- De in a, b en c genoemde serie meetuitkomsten bestaan uit tenminste 10 enkelvoudige meetuitkomsten.
- Voor de vaststelling van de precisie en de systematische afwijking dient gebruik te worden gemaakt van een oplossing waarin de te onderzoeken stof voorkomt in een nauwkeurig bekende concentratie die ten hoogste 20% mag afwijken van de voor de betreffende parameter in bijlage I aangegeven waarde.
In afwijking van het voorafgaande dient voor de vaststelling van de precisie en de systematische afwijking van de parameters temperatuur, zuurgraad en zuurstof opgelost gebruik gemaakt te worden van de volgende methoden.
Voor temperatuur: vergelijking met een geijkte thermometer bij 0°C en 25°C.
Voor zuurgraad: vergelijking met twee of meer standaard bufferoplossingen waarvan de pH-waarde nauwkeurig bekend is en ligt tussen 6,5 en 9.
Voor zuurstof opgelost: vergelijking met een verzadigde zuurstofoplossing waarvan het gehalte aan opgelost zuurstof nauwkeurig bekend is.
4.3.Het onderzoek naar de waarde van de parameters in een oppervlaktewaterlichaam dient te geschieden met meetmethoden die in ieder geval gebaseerd zijn op de voor deze parameters in de tabel aangegeven meetprincipes. Indien voor een parameter in de tabel geen eisen zijn gesteld ten aanzien van precisie, systematische afwijking en aantoonbaarheidsgrens, dient het onderzoek naar de waarde van deze parameter in een oppervlaktewaterlichaam te geschieden met de voor deze parameter in de tabel aangegeven standaardmeetmethode.
4.4.Indien redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van een toegepaste of toe te passen meetmethode, onderscheidenlijk aan de juistheid van de daarmee verkregen resultaten, wordt deze methode door degene die zodanige methode toepast of gaat toepassen, vergeleken met de in de tabel aangegeven standaardmeetmethode of worden - voor zover mogelijk - de resultaten, verkregen met eerstbedoelde meetmethode vergeleken met de resultaten, verkregen met de standaardmeetmethode.
Parameter | Meetprincipe | Eenheid | Precisie1[15] | Systematische afwijking1[16] | Aantoonbaarheidsgrens | Standaardmeetmethode (NEN) |
|---|---|---|---|---|---|---|
Kleurintensiteit | Filtreren over glasvezelfilter; fotometrische methode met gebruik van de pt/Co referentieschaal | mg/l-Pt | 10% | 10% | 2 | 6413 |
1e druk 1979 | ||||||
Gesuspendeerde stoffen | Membraanfiltratie 0,45 µm, drogen bij 105°C en wegen | mg/l | – | – | – | 6484 |
1e druk 1982 | ||||||
Geleidingsvermogen voor elektriciteit | Impedantiemeting met correctie tot 20°C | m S/m | 5% | 5% | – | 6412 |
1e druk 1979 | ||||||
Saliniteit | Impedantiemeting | g/kg | – | – | – | – |
Geur- en verdunningsfactor | Zintuiglijke waarneming bij 20°C door vergelijking van geurloos water met verdunningen van het monster van een oppervlaktewaterlichaam. Het monster van een oppervlaktewaterlichaam dient door toevoeging van geurloos water verdund te zijn met de factor: 0, 4, 8, 12, 16, 20 en 24 | – | – | – | – | – |
Temperatuur | Thermometrie, de meting wordt bij de bemonstering ter plaatse uitgevoerd | °C | 0,5 | 1 | – | – |
Zuurgraad | Methode met specifieke elektroden, de meting wordt bij de bemonstering ter plaatse uitgevoerd | pH | 0,1 | 0,2 | – | 6411 |
1e druk 1981 | ||||||
Doorzicht | Secchi-schijf, de meting wordt bij de bemonstering ter plaatse uitgevoerd | m | – | – | – | 6606 |
1e druk 1981 | ||||||
Zuurstof opgelost | Methode van Winkler, Methode met specifieke elektroden | mg/l-O2 | 0,5 | 0,5 | – | 6490 |
1e druk 1982 | ||||||
Chemisch zuurstofverbruik | Oxydatie met behulp van kaliumdichromaat na filtratie over een filter met poriëngrootte van 0,45 µm | mg/l-O2 | 10% | 10% | 15 | 3235 ≥.3 |
2e druk 1976 | ||||||
Biochemisch zuurstofverbruik | Bepaling van de opgeloste zuurstof voor en na 5 dagen incubatie bij 20 ± 1°C in het donker. Toevoeging van eennitrificatie-inhibitor | mg/l-O2 | – | – | – | |
3235 ≥5.4 | ||||||
1e druk 1972 | ||||||
Organisch gebonden stifstof | Absorptiespectrometrie na Kjeldahldestructie tot ammonium met correctie voor het anorganisch ammonium | mg/l-N | 0,5 | 0,5 | 0,2 | 6481 |
1e druk 1982 | ||||||
Algenbiomassa | Filtratie van de algen. Extractie van chlorofyl-a met een daartoe geschikt medium. Fotometrische bepaling van het chlorofyl-a. Het verschil van de extincties gemeten bij 665 en 750 ml is een maat voor het chlorofyl-a gehalte | µg/l-chloro-fyl-a | – | – | – | 6520 |
1e druk 1981 | ||||||
Ammoniak | Berekening van het gehalte aan ammoniak uit het gehalte aan ammonium | – | – | – | – | 6644 |
1e druk 1983 | ||||||
Ammonium | Absorptiespectrometrie | mg/l-N | 0,03 | 0,03 | 0,03 | 6472 |
1e druk 1981 | ||||||
Nitriet | Absorptiespectrometrie | mg/l-N | – | – | – | 6474 |
1e druk 1981 | ||||||
Nitraat | Absorptiespectrometrie | mg/l-N | 10% | 10% | 1 | 6440 |
1e druk 1981 | ||||||
Sulfaat | Absorptiespectrometrie. Titrimetrie | mg/1-SO4 | 10% | 10% | 5 | 6487 |
1e druk 1982 | ||||||
Fosfaat | Absorptiespectrometrie | µg/1-P | 10% | 20% | 20 | 6479 |
1e druk 1981 | ||||||
Cyanide | Absorptiespectrometrie | µg/1-CN | 10% | 10% | 10 | 6489 |
1e druk 1982 | ||||||
Fluoride | Absorptiespectrometrie. Methode met specifieke elektroden | mg/1-F | 5% | 5 % | 0,05 | 6483 |
1e druk 1982 | ||||||
Chloride | Absorptiespectronletrie. Titrimetrie volgens de methode Mollr | mg/1-C1 | 5% | 5 % | 5 | 6470 |
1e drllk 1981 | ||||||
Residueel chloor | Diethyl-p-phenyleendiamine methode, de meting wordt ter plaatse van de bemonstering uitgevoerd | µg/1-HOCI | – | – | – | 6480 |
1e druk 1982 | ||||||
Beryllium | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/1-Be | 10% | 10% | 0,1 | – |
Boor | Atomaire absorptiespectrometrie, absorptiespectrometrie | mg/1-B | 10% | 10% | 0,1 | – |
Natrium | Atomaire absorptiespectrometrie, vlamfotometrie | mg/1-Na | 5% | 5 % | 1 | 6442 |
1e druk 1979 | ||||||
Chroom | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Cr | 10% | 10% | 5 | 6444 |
1e druk 1977 | ||||||
Mangaan | Atomaire absorptiespectrometrie | mg/l-Mn | 10% | 20% | 0,1 | 6461 |
1e druk 1981 | ||||||
IJzer opgelost | Atomaire absorptiespectrometrie na filtratie over een filter met poriëngrootte 0,45 µm | mg/l-Fe | 10% | 10% | 0.02 | 6460 |
1e druk 1981 | ||||||
Koper | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Cu | 5% | 5% | 2.5 | 6454 |
1e druk 1981 | ||||||
Zink | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-zn | 5% | 5% | 10 | 6443 |
1e druk 1977 | ||||||
Arseen | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-As | 20% | 20% | 2 | 6457 |
1e druk 1981 | ||||||
Seleen | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Se | 20% | 20% | 2 | – |
Cadmium | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Cd | 10% | 10% | 0.5 | – |
Barium | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Ba | 15% | 20% | 20 | 6436 |
1e druk 1982 | ||||||
Kwik | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Hg | 30% | 30% | 0.1 | 6445 |
1e druk 1978 | ||||||
Lood | Atomaire absorptiespectrometrie | µg/l-Pb | 10% | 10% | 5 | – |
Minerale olie | Infrarood absorptiespectrometrie na extractie met tetraehloorkoolstof | µg/l | 20% | 30% | 10 | – |
Oppervlakte actieve stoffen die reageren met methyleen-blauw | Absorptiespectrometrie | µg/l | 10% | 10% | 50 | – |
Met waterdamp vluch-tige fenolen | Absorptiespectrometrie met behulp van de 4 amino-antipyrine methode | µg/l-C6H5oH | 0,5 | 0,5 | 0.5 | 6670 |
1e druk 1982 | ||||||
Extraheerbaar organisch gebonden chloor | Microcoulometrie na extractie met petroleumether 3x | g/l-Cl | – | – | 1 | – |
Vluchtig organisch gebonden chloor | Microcoulometrie na uitblazen met inert gas | µg/l-Cl | – | – | 0.5 | – |
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | Extractie met hexaan, meting van de fluorescentie in het ultraviolet na dunne-laag-chromatografie of vloeistofchroma-tografie. Kwantificering met behulp van de referentiestoffen fluorantheen; benzo 11,12 >fluorantheen; benzo 3,4 fluorantheen; benzo 3,4 pyreen; benzo 1,12 peryleen; indeno (1,2.3,-cd) pyreen | µg/l | 50% | 50% | 0.04 | – |
Organochloor pesticiden | Identificatie met behulp van gaschromatografie na extractie en voorzuivering. Kwantitatieve bepaling met behulp van ijkvloeistoffen | µg/l | 50% | 50% | 0.05 | – |
Cholinesteraseremmers | Extractie met dichloormethaan. Oxidatie met broom van het indampresidu. Incubatie met paardeserum en butyrylthiocholine. Fotometrische bepaling van het gevormde thiocholine. Het resultaat wordt uitgedrukt in paraoxon | µg/l paraoxon | – | – | – | – |
Thermotolerante bacteriën van de coligroep | Ophoping in een vloeibaar, laetosehoudend medium bij 37°C gevolgd door bevestiging in een meer selectief vloeibaar lactosehoudend medium bij 44°C. Kwantificering met behulp van een M.W.A.-tabel. | aantal/ml | – | – | – | 6572 |
1e druk 1982 | ||||||
Membraanfiltratie, voorincubatie bij 25°C, incubatie bij 44°C op een vast lactosehoudend medium gevolgd door bevestiging in een meer selectief vloei-baar lactosehoudend medium bij 44°C | aantal/ml | – | – | – | 6570 | |
1e druk 1982 | ||||||
Faecale streptococcen | ophoping in een vloeibaar azidehoudend medium gevolgd door bevestiging op een meer selectief vast azide-houdend medium. | aantal/ml | – | – | – | 6563 |
1e druk 1982 | ||||||
Membraanfiltratie en incubatie op een vast azidehoudend medium | aantal/ml | – | – | – | – | |
Salmonellae | Voorophoping in een vloeibaar, niet selectief medium. Ophoping in een vloeibaar (∗1)selectief medium. Isolatie op een vast selectief medium. Bevestiging door biochemische en serologi-sche methoden | aantal 100ml | – | – | – | |
– | ||||||
Entero-virussen | Concentratie door middel van filtratie en/of uitvlokking en centrifugeren; bevestiging door middel van plaque-formatie-methode (P.F.U.) of cytopathogeen-effect-methode | aantal/l | – | – | – | – |
Geur (water) (organismen)- | Zintuiglijke waarneming ter plaatse Bepaling van geurafwijkingen van rauwe monsters ten opzichte van monsters uit een onverdacht oppervlaktewaterlichaam | – | – | – | – | – |
Kleur | Zintuiglijke waarneming ter plaatse | – | – | – | – | – |
Olie | Zintuiglijke waarneming ter plaatse | – | – | – | – | – |
Schuim | Zintuiglijke waarneming ter plaatse | – | – | – | – | – |
Smaak (organismen) | Bepaling van smaakafwijkingen van rauwe en gekookte monsters ten opzichte van monsters uit een onverdacht oppervlaktewaterlichaam | – | – | – | – | – |
Vuil | Zintuiglijke waarneming ter plaatse | – | – | – | – | – |
a. De onderzoeksfrequentie kan per parameter worden teruggebracht van 52 tot 12, van 12 tot 4 en van 4 tot 1 indien:
1° onderzoek gedurende de twee voorafgaande jaren heeft aangetoond dat de desbetreffende norm geen enkele maal anders dan als gevolg van uitzonderlijke weersomstandigheden, of uitzonderlijke hydrodynamische omstandigheden zoals die afgeleid kunnen worden uit hoge gehalten aan gesuspendeerde stoffen, is overschreden, alsmede
2° redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de norm niet zal worden overschreden.
b. Geen onderzoek behoeft plaats te vinden indien:
1° onderzoek heeft aangetoond dat de waterkwaliteit aan de kwaliteitsdoelstelling voldoet, alsmede
2° geen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het water gebracht worden, alsmede
3° redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zodanige stoffen niet in het water zullen worden gebracht.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Een onderzoek vindt plaats indien ten aanzien van het desbetreffende oppervlaktewater uit organoleptische waarnemingen, chemische identificatie van hoge concentratie aan fenolen, minerale olie of residueel chloor of uit gegevens uit andere bronnen, een smaakafwijking van het visvlees wordt vermoed.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Overschrijdingen van de norm als gevolg van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water worden niet beschouwd als overschrijding.
Een onderzoek vindt plaats indien de aanwezigheid van residueel chloor wordt vermoed.
a. De onderzoeksfrequentie kan per parameter worden teruggebracht van 12 tot 4 en van 4 tot 1 indien:
1° onderzoek gedurende de twee voorafgaande jaren heeft aangetoond dat de desbetreffende norm geen enkele maal anders dan als gevolg van uitzonderlijke weersomstandigheden is overschreden, alsmede
2° redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de norm niet zal worden overschreden.
b. Geen onderzoek behoeft plaats te vinden indien:
1° onderzoek heeft aangetoond dat de waterkwaliteit aan de kwaliteitsdoelstelling voldoet, alsmede
2° geen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het water gebracht worden, alsmede
3° redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zodanige stoffen niet in het water zullen worden gebracht.
Een onderzoek vindt plaats indien ten aanzien van het schelpdiervlees een smaak- of geurafwijking wordt vermoed.
Een onderzoek vindt plaats indien ten aanzien van het schelpdiervlees een smaak- of geurafwijking wordt vermoed.
Indien precisie en systematische afwijking zijn aangegeven in procenten betreffen deze percentages de in bijlage 1 aangegeven waarden voor de verschillende parameters.
Indien precisie en systematische afwijking zijn aangegeven in procenten betreffen deze percentages de in bijlage 1 aangegeven waarden voor de verschillende parameters.