Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Instellingsbesluit van de commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht

Geldend van 10-07-2002 t/m heden

Besluit van 23 augustus 1983, houdende instelling van de commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 15 augustus 1983, nr. 288/683; nr. CW83/U308;

Overwegende dat artikel 107, tweede lid, van de Grondwet voorschrijft dat de wet algemene regels van bestuursrecht vaststelt;

Overwegende voorts dat het wenselijk is een commissie in te stellen ter voorbereiding van bedoelde wetgeving;

Gezien de voorstellen en gedachten neergelegd in het rapport dd. 28 oktober 1982 van de startwerkgroep ingesteld bij gezamenlijk besluit van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 19 mei 1982 (Stcrt. 1982, nr. 107);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Instelling en taak

Artikel 1

Er is een Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, verder te noemen de commissie.

Artikel 2

  • 1 De commissie heeft tot taak voorstellen aan Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit te brengen met betrekking tot de wettelijke regeling van algemene regels van bestuursrecht. Deze voorstellen worden zoveel mogelijk gegoten in de vorm van ontwerp-voorstellen van wet, voorzien van ontwerpmemories van toelichting.

  • 2 De commissie neemt bij haar werkzaamheden tot uitgangspunt de voorstellen en gedachten neergelegd in het rapport d.d. 28 oktober 1982 van de startwerkgroep, ingesteld op 19 mei 1982 (Stcrt. 1982, nr. 107).

  • 3 Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk kunnen de commissie verzoeken bepaalde onderwerpen bij voorrang te behandelen.

Samenstelling

Artikel 3

In de commissie hebben zitting:

  • a. als voorzitter, tevens lid:

    prof. mr. M. Scheltema, regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuursrecht;

  • b. als leden:

    mr. D. Allewijn, coördinerend vice-president bij de rechtbank te ’s-Gravenhage;

    mr. dr. J.T.K. Bos, Directie Wetgeving, Ministerie van Justitie;

    prof. mr. P.J.J. van Buuren, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van de Raad van State in buitengewone dienst;

    prof. mr. L.J.A. Damen, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen;

    mw. mr. M. Geertsema, Sector Bestuurlijke en Juridische Zaken, Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    prof. mr. Ch.P.A. Geppaart, emeritus hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant;

    mr. R.G. Mazel, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    mr. C. Riezebos, Directie Bestuurlijke en Financiële Organisatie, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    mr. N. Verheij, Directie Wetgeving, Ministerie van Justitie;

  • c. als secretarissen, tevens leden:

    mr. T.C. Borman, Directie Wetgeving, Ministerie van Justitie;

    mw. mr. E.C. Drexhage, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 4

De leden van de commissie wijzen uit de in artikel 3, onder b genoemde personen een plaatsvervangend voorzitter aan.

Inrichting en werkwijze

Artikel 5

Nadere voorzieningen ten behoeve van het secretariaat worden door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk getroffen na overleg met de voorzitter van de commissie.

Artikel 6

  • 1 De commissie kan ter voorbereiding van door haar uit te brengen voorstellen subcommissies instellen, waarin ook personen van buiten de commissie zitting hebben. In een subcommissie hebben in elk geval zitting vertegenwoordigers van ministers die bij het onderwerp waarvoor de subcommissie is ingesteld in bijzondere mate betrokken zijn.

  • 2 In elk der subcommissies bedoeld in het vorige lid heeft ten minste één lid van de commissie zitting.

Artikel 7

De voorzitter van de commissie en de voorzitters van de subcommissies bedoeld in artikel 6 zijn bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen in de commissie c.q. de subcommissies deel te nemen.

Artikel 8

De commissie en de subcommissies bedoeld in artikel 6 kunnen zich wenden tot overheidsdiensten, openbare en particuliere instellingen en groeperingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeven.

Artikel 9

De commissie is bevoegd ter voorbereiding van haar voorstellen studies door derden te doen verrichten. Voordat studie-opdrachten kunnen worden verleend, dienen deze te zijn goedgekeurd door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 10

De commissie pleegt regelmatig overleg met de Interdepartementale commissie voor constitutionele aangelegenheden en wetgevingsbeleid over opzet en inhoud van de voorstellen die zij voorbereidt.

Artikel 11

De commissie brengt periodiek, doch minstens eens per twee jaar, verslag uit aan Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de voortgang van haar werkzaamheden.

Artikel 12

De commissie is bevoegd nadere regels te stellen omtrent haar werkwijze en de werkwijze van de in artikel 6 bedoelde subcommissies.

Slotbepalingen

Artikel 13

De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de commissie komen in gelijke delen ten laste van de begrotingen van de Ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 14

Het beheer van het archief van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Justitie. Het archief wordt bij de opheffing van de commissie overgedragen aan het hoofd van de algemene secretarie van dat ministerie. Tevens wordt bij de opheffing een afschrift van de archiefstukken overgedragen aan het hoofd van de algemene secretarie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 15

Dit besluit zal met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de beide kamers van de Staten-Generaal en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage, 23 augustus 1983

Beatrix

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

De Minister van Binnenlandse Zaken,

Rietkerk

Uitgegeven de zesde september 1983

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes