KruimelpadGeldend op 29-10-2009
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Overwegende dat sinds 1 januari 1982 gemeenten die vluchtelingen opnemen, in staat zijn gesteld de opvang, begeleiding en introductie van die vluchtelingen in de Nederlandse samenleving te realiseren op basis van de Faciliteitenregeling Vluchtelingen;
dat gebleken is dat deze regeling op een aantal punten herziening behoeft;
dat in verband daarmee de regeling opnieuw moet worden vastgesteld;
Besluit:
1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
de vreemdeling die voldoet aan de omschrijving van artikel 1 (a) van het verdrag van Genève, betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) zoals ook neergelegd in artikel 15, eerste lid van de Vreemdelingenwet en op grond daarvan als vluchteling is toegelaten (A-status); Met dien verstande dat niet tot vluchtelingen worden gerekend kinderen van deze vreemdelingen, geboren na 306 dagen na toelating van hun moeder als vluchteling;
de door de minister als zodanig aangemerkte gemeente of samenwerkende gemeenten;
de minderjarige vluchteling die door de rechter onder het gezag is gesteld van een door het Ministerie van Justitie aanvaarde voogdijinstelling;
een accommodatie, waarin vluchtelingen in afwachting van definitieve huisvesting, van rijkswege worden opgevangen.
2.Voor zover in dit besluit wordt gesproken van vluchteling wordt daaronder tevens begrepen de vreemdeling die geen vluchteling is, doch als asielgerechtigde in het bezit is gesteld van een gekwalificeerde vergunning tot verblijf op humanitaire gronden (B-status).
Aan een gemeente wordt een rijksbijdrage verleend in door de gemeente te maken kosten ten behoeve van de eerste opvang van vluchtelingen, die zich voor het eerst als vluchteling in de gemeente vestigen, met dien verstande dat geen rijksbijdrage wordt verleend ten behoeve van vluchtelingen voor wie reeds aan enige gemeente een rijksbijdrage is verleend.
1.De eerste opvang van vluchtelingen bestaat uit maatschappelijke begeleiding en introductie-activiteiten.
2.Onder maatschappelijke begeleiding wordt verstaan het door professionele of vrijwillige medewerkers begeleiden van een vluchteling bij onder meer huisvesting, deelname aan lessen en andere activiteiten en bij het vinden van school en werk.
3.Tot introductie-activiteiten worden gerekend activiteiten gericht op het zo spoedig mogelijk zelfstandig functioneren van de vluchteling in de Nederlandse samenleving, waaronder in leder geval een programma dat in ongeveer een jaar kan worden doorlopen bestaande uit:
a. minimaal 480 uren alfabetiseringsactiviteiten in de Nederlandse taal voor vluchtelingen die niet meer volledig leerplichtig zijn en die analfabeet zijn;
b. minimaal 400 uren les in de Nederlandse taal voor vluchtelingen die niet meer volledig leerplichtig zijn en geen analfabeet zijn;
c. oriëntatie op de Nederlandse samenleving.
De eerste opvang van vluchtelingen afkomstig uit een opvangcentrum, voor zover het niet voogdijpupillen betreft, bestaat bovendien uit een door de gemeente te verstrekken tegemoetkoming in de kosten van het gebruiks klaar maken en de eerste inrichting van de aan de vluchteling toegewezen woning, overeenkomstig het gestelde in de bij dit besluit behorende bijlage I.
Aan een gemeente kan voor één keer een rijksbijdrage worden verleend in de kosten van voortgezette maatschappelijke begeleiding van die vluchtelingen die in de gemeente zijn gevestigd, waarvan de gemeente aannemelijk maakt dat zij aan deze begeleiding, als direct vervolg op de eerste opvang bedoeld in artikel 3 behoefte hebben.
1.De rijksbijdrage voor een kerngemeente ten behoeve van maatschappelijke begeleiding en introductie-activiteiten als bedoeld in artikel 4 bedraagt één maal:
a. voor de eerste tien in enig kalenderjaar in de gemeente gehuisveste vluchtelingen f 6000 per vluchteling;
b. voor elke volgende in datzelfde kalenderjaar in de gemeente gehuisveste vluchteling: f 5000.
2.De rijksbijdrage voor een gemeente, niet kerngemeente zijnde, ten behoeve van de maatschappelijke begeleiding en introductie-activiteiten bedoeld in artikel 4 bedraagt éénmaal f 5000 voor elke vluchteling die in enig kalenderjaar als vluchteling is gehuisvest.
3.De minister kan de rijksbijdrage gedeeltelijk terugvorderen, indien een vluchteling de gemeente verlaat, voordat de eerste opvang als bedoeld in artikel 4, is voltooid.
De rijksbijdrage in de kosten van het gebruiks klaar maken en de eerste inrichting van de woning, bedoeld in artikel 5, wordt berekend overeenkomstig het gestelde in de bij dit besluit behorende bijlage 1.
1.Indien een gemeente huur derft dan wel huurderving vergoedt voor een voor een vluchteling bestemde en als zodanig door de minister geaccepteerde woning, die op verzoek van de minister tijdelijk leegstaat in een periode waarover geen overeenkomst van huur en verhuur is gesloten, wordt aan de gemeente voor een periode van maximaal twee maanden een rijksbijdrage verstrekt gelijk aan de vergoede huurderving.
2.Indien een woning op verzoek van de minister tijdelijk leegstaat in een periode waarover wel een overeenkomst van huur en verhuur met een vluchteling is gesloten, wordt aan de gemeente voor een periode van maximaal twee maanden een rijksbijdrage verstrekt gelijk aan de vergoede huursom.
Het verzoek, bedoeld in artikel 11, bestaat uit:
a. een prognose van de in enig kalenderjaar voor de vrijwel gelijktijdige huisvesting van vluchtelingen beschikbaar te stellen woningen op een bepaald tijdstip;
b. een programma voor de eerste opvang van vluchtelingen, waarin in ieder geval wordt aangegeven:
1.Het gemeentebestuur dient telkens binnen een maand na afloop van het kwartaal waarin vluchtelingen in de gemeente zijn gevestigd of de vestiging als vluchteling aan de gemeente bekend is geworden, volgens een door de minister vastgesteld model (bijlage III) een declaratie met betrekking tot de rijksbijdragen bedoeld in de artikelen 3 en 5, bij de minister in, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het provinciaal bureau van het Hoofdbureau Landelijk Contact.
2.De declaratie bevat een nominatieve opgave van de in het desbetreffende kwartaal in de gemeente gevestigde vluchtelingen, en een opgave van de overeenkomstig bijlage 1 ten laste van de gemeente blijvende kosten.
3.De declaratie kan uitsluitend of bovendien een opgave bevatten van de kosten, bedoeld in artikel 9.
1.Het gemeentebestuur dient de aanvrage om een rijksbijdrage bedoeld in artikel 6 telkens binnen een maand na afloop van het kwartaal waarin de eerste opvang is voltooid, bij de minister in.
2.De aanvrage bevat:
a. een overzicht van hetgeen aan maatschappelijke begeleiding in de eerste opvang is gerealiseerd;
b. een gemotiveerd overzicht van de behoefte aan voortgezette maatschappelijke begeleiding en de wijze waarop in die behoefte zal worden voorzien.
Telkens vóór 1 april van het jaar volgend op dat waarin de werkzaamheden zijn afgesloten, zendt het gemeentebestuur aan de minister volgens een door de minister vast te stellen model (bijlage II) een verslag over de wijze waarop de eerste opvang en (eventueel) de voortgezette maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen in het daaraan voorafgaande kalenderjaar gestalte heeft gekregen, waarin opgenomen een verantwoording van de ontvangen gelden voorzien van een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 265 bis van de gemeentewet.