Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel

Geldend van 13-01-1993 t/m heden

Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel

De Staatssecretaris van Landbouw en Visserij,

Gelet op artikel 58 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248);

Gehoord de commissie beheer landbouwgronden;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    a. erfpacht:

    erfpacht als bedoeld in artikel 85 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    b. erfpachter:

    natuurlijke persoon of personen of de rechtspersoon met wie de eigenaar een erfpachtovereenkomst is aangegaan en hun rechtverkrijgenden;

    c. akte:

    met de erfpachter opgemaakte akte van vestiging van de erfpacht, waarin wordt verwezen naar deze regeling;

    d. erfpachtzaak:

    zaak waarop de erfpacht rust.

  • 2

In gevallen waarin landbouwgrond in erfpacht wordt uitgegeven door het bureau, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet agrarisch grondverkeer, maken de in deze regeling gegeven voorwaarden deel uit van de erfpachtovereenkomst.

Paragraaf 2. Voorwaarden bij uitgifte aan één natuurlijk persoon

Artikel 2

  • 1 De erfpacht wordt gevestigd voor 26 jaren.

  • 2 Indien de erfpachter op het tijdstip van het indienen van de in artikel 20 van de Beschikking grondbankstelsel bedoelde aanvrage, de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt behoudens indien artikel 15, tweede lid van de Beschikking grondbankstelsel is toegepast, in afwijking van het eerste lid, de erfpacht gevestigd voor een tijdsduur gelijk aan het aantal jaren, dat verstrijkt alvorens de erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat deze tijdsduur de 40 jaren niet te boven zal gaan.

  • 3 Indien de erfpachtovereenkomst onder toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Beschikking grondbankstelsel is aangegaan, wordt nadat de erfpachter tijdens de duur van de erfpacht ten genoegen van de eigenaar heeft aangetoond dat zijn bedrijf voldoet aan de in artikel 15, eerste lid, van die beschikking gestelde eisen, op verzoek van de erfpachter de duur van de erfpacht nader overeengekomen op de wijze als in het tweede lid bepaald.

Artikel 3

  • 1 De canon is bij erfpachtuitgifte gelijk aan:

    • a. voor zover de grond ten tijde van de aankoop in erfpacht wordt uitgegeven, 2½% van de voor het desbetreffende onroerende zaak betaalde koopsom plus kosten;

    • b. in de overige gevallen 2½% van de prijs van pachtvrij te aanvaarden grond van gelijke ligging en kwaliteit op het moment van vaststelling van de canon.

  • 2 De canon wordt om de 6 erfpachtjaren op verzoek van een der partijen herzien

  • 3 Indien één der partijen herziening van de canon wenst, dient dit door deze partij uiterlijk 3 maanden vóór 1 januari van het jaar volgend op het verstrijken van telkens 6 jaren van erfpacht, bij aangetekende brief aan de wederpartij te kennen worden gegeven.

  • 4 De herziening van de canon als bedoeld in het tweede lid, gaat in op 1 januari van het jaar volgend op het verstrijken van de in het derde lid bedoelde 6 jaren.

  • 5 Bij de herziening van de canon als bedoeld in het tweede lid wordt de canon aangepast aan het gewijzigde prijsniveau van landbouwgronden.

  • 6 De aangepaste canon wordt gevonden door de geldende canon te vermenigvuldigen met een door de eigenaar voor dat jaar vast te stellen aanpassingscoëfficiënt.

  • 7 Deze aanpassingscoëfficiënt wordt berekend door toepassing van de formule

    a

    b

    waarin voorstelt:

    • a. de gemiddelde prijs van gebruiksvrij te aanvaarden los land (bouwland of grasland) over de 3 laatste bekende jaren;

    • b.

      • bij de eerste canonherziening de gemiddelde prijs van gebruiksvrij te aanvaarden los land (bouwland of los land), in het jaar waarin de erfpachtovereenkomst werd afgelsloten;

      • bij de tweede en volgende canonherzieningen de gemiddelde prijs van gebruiksvrij te aanvaarden los land (bouwland of grasland) over de drie achtereenvolgende jaren, waarvan het eerste aanvangt zes jaren voorafgaand aan het eerste van de onder a bedoelde drie jaren.

  • 8 De onder de letters a en b van het zesde lid bedoelde gemiddelde prijzen worden ontleend aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek per landbouwgebied van de onderscheiden provincies gepubliceerde cijfers. Indien deze cijfers door enige oorzaak niet worden bekend gemaakt, zuílen zij door de eigenaar worden bepaald.

  • 9 De aanvrager van de herziening van de canon geeft aan de hypotheekhouder tijdig kennis van de aanvraag tot herziening, alsmede, nadat de herziening heeft plaatsgevonden, van de nader vastgestelde canon.

Artikel 4

  • 1 Alle belastingen en lasten, die onder welke benaming dan ook gedurende de tijd welke de erfpacht zal bestaan, op of wegens de eigendom van de grond worden geheven, zijn voor rekening van de erfpachter.

  • 2 Wanneer de eigenaar belastingen of lasten, als hierboven bedoeld mocht hebben betaald, zal hij hiervan kennis geven aan de erfpachter, die verplicht zal zijn binnen een maand nadien het betaalde bedrag aan de eigenaar te voldoen. Blijft betaling na ommekomst van deze termijn uit, dan is de erfpachter zonder ingebrekestelling in verzuim en gehouden tot vergoeding van wettelijke rente.

Artikel 5

  • 1 De erfpachtcanon moet worden betaald in twee gelijke termijnen verschijnende op 1 mei en 1 november van het lopende kalenderjaar.

  • 2 Alle betalingen vinden plaats door storting op de door de eigenaar daartoe schriftelijk aangewezen giro- of bankrekening.

  • 3 Indien de betaling van een canontermijn niet binnen 14 dagen na de verschijndag heeft plaats gehad wordt het verschuldigde verhoogd met één ten honderd voor iedere maand of gedeelte van een maand verzuim, zonder dat hiertoe enige ingebrekestelling nodig is. Is de erfpachter 3 maanden na de verschijndag nog in gebreke dan wordt de hypotheekhouder hiervan binnen 14 dagen in kennis gesteld.

  • 4 Alle andere bedragen, welke de erfpachter ingevolge de erfpachtovereenkomst verschuldigd is, moeten worden voldaan op dezelfde voorwaarden als de canon binnen 14 dagen nadat de erfpachter tot voldoening ervan is uitgenodigd. Blijft betaling na ommekomst van deze termijn uit, dan is de erfpachter zonder ingebrekestelling in verzuim en gehouden tot vergoeding van wettelijke rente.

  • 5 De erfpachter is niet bevoegd hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht is verschuldigd, te verrekenen met vorderingen die hij uit anderen hoofde op de eigenaar heeft.

  • 6 De erfpachter is niet alleen met de erfpacht, doch ook met zijn overige vermogen aansprakelijk voor de voldoening van de canon en al hetgeen hij krachtens de erfpachtovereenkomst is verschuldigd.

Artikel 6

  • 1 De erfpachter kent de erfpachtzaak volledig en aanvaardt dit in de staat waarin het zich ten tijde van de aanvang van de erfpacht bevindt, met alle daaraan verbonden lusten en lasten, heersende en lijdende erfdienstbaarheden.

  • 2 De vermelding in de akte van oppervlakte, belendingen, vorm, aard, bestemming of ligging van de erfpachtzaak is slechts als aanduiding bedoeld, zonder dat de erfpachtzaak hieraan behoeft te beantwoorden. De erfpachter heeft geen aanspraak op ontbinding van de erfpachtovereenkomst, vermindering van de canon of schadevergoeding indien het vermelde niet overeenkomt met de werkelijkheid.

  • 3 Na inmeting door het kadaster van gedeeltelijke percelen of anderszins, treden de uitkomsten daarvan in de plaats van de omschrijving in de akte van erfpachtuitgifte ten aanzien van hetgeen in erfpacht is verkregen. Bij de hierop volgende wijziging van de canon als bedoeld in artikel 3, tweede lid, zal deze hieraan worden aangepast.

  • 4 De eigenaar is niet aansprakelijk voor eventuele gebreken die de erfpachtzaak na de vestiging van de erfpacht blijkt te hebben en die het bureau op het moment van de vestiging daadwerkelijk niet kende of naar op het moment van de vestiging gangbare opvattingen niet hoefde te kennen.

  • 5 Onder gebreken, bedoeld in het vierde lid, wordt mede verstaan vervuiling van bodem of water door stoffen die, mede gelet op het gebruik dat van de grond zal worden gemaakt, gevaar opleveren voor het milieu of de volksgezondheid.

  • 6 De erfpachter kan geen vermindering, kwijtschelding of teruggave van de canon vorderen indien hij door welke omstandigheden ook geen of slechts een beperkt genot van de erfpacht heeft.

Artikel 7

  • 1 De erfpachter moet de erfpachtzaak naar de eisen van een rationele bedrijfsvoering voor de uitoefening van zijn agrarische bedrijf gebruiken.

  • 2 De erfpachter dient voor zijn rekening zorg te dragen voor het volledig onderhoud van de erfpachtzaak met toebehoren, mede ten einde dit aan het eind van de erfpacht aan de eigenaar te kunnen opleveren in een goede staat van onderhoud.

  • 3 De erfpachter is tegenover publiekrechtelijke lichamen en de eigenaar aansprakelijk voor het in schouwbare toestand houden van de erfpachtzaak.

  • 4 Het is de erfpachter niet geoorloofd in, op of aan de grond werkzaamheden te verrichten waardoor gevaar, schade of hinder dan wel aantasting van het milieu of de volksgezondheid wordt veroorzaakt.

    Alle schade die door handelen of nalaten door of vanwege de erfpachter ontstaat, waaronder de kosten van eventueel noodzakelijke bodemsanering, is voor rekening van de erfpachter.

  • 5 De erfpachter is niet bevoegd zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar in, op of aan de erfpachtzaak of de daarop aanwezige opstallen reclame toe te laten of aan te brengen. Dit geldt niet voor reclame met betrekking tot het door de erfpachter op de erfpachtzaak uitgeoefende agrarische bedrijf.

  • 6 De erfpachter is verplicht de erfpachtzaak terstond na het in gebruik nemen op zijn kosten te voorzien van een passende erfafscheiding, dit tot genoegen van de eigenaar.

Artikel 8

De erfpachter mag van de erfpachtzaak geen grind, zand of andere grond weghalen of zoden steken en wegvoeren, op straffe van een boete gelijk aan het drievoud van de canon voor iedere overtreding, onverminderd zijn verplichting om de erfpachtzaak in de vorige toestand te herstellen.

Artikel 9

  • 1 Het is de erfpachter verboden op de erfpachtzaak gebouwen te stichten.

  • 2 Indien door de erfpachter in strijd met het in het eerste lid gestelde gebouwen zijn gesticht, vervallen deze bij het eind van de erfpacht aan de eigenaar zonder dat deze hiervoor enige vergoeding aan de erfpachter zal zijn verschuldigd.

Artikel 9a

  • 1 De erfpachter doet afstand van alle aanspraken die hij tegenover de eigenaar zou kunnen doen gelden wegens schade bij de uitoefening van de erfpacht door welke oorzaak ook ontstaan. Hij vrijwaart de eigenaar voor alle vorderingen die anderen doen gelden tot vergoeding van schade die met de uitoefening van het recht in verband staat.

  • 2 Onder uitoefening van de erfpacht bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan opruiming van wat in, op of boven de erfpachtzaak aanwezig is.

Artikel 10

  • 1 Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar is het de erfpachter verboden:

    • a. de erfpacht of enig deel daarvan te vervreemden;

    • b. een onverdeeldheid, waarin de erfpacht wordt bezeten, op te heffen, anders dan door scheiding, waarbij dit recht in zijn geheel wordt toebedeeld aan een en dezelfde natuurlijke persoon;

    • c. de erfpachtzaak, onder welke titel ook, geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik te geven;

    • d. afstand te doen van de erfpacht;

    • e. op de erfpachtzaak of erfpacht zakelijke rechten te vestigen uitgezonderd het recht van hypotheek.

  • 2 In afwijking van het in het eerste lid bepaalde zal het de hypotheekhouder bij verkoop op grond van artikel 268 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek vrijstaan het erfpachtrecht aan te kopen. Indien de gewezen hypotheekhouder na aankoop het verkregen erfpachtrecht wenst te vervreemden, is hij verplicht dit eerst aan de eigenaar van de grond aan te bieden tegen een in onderling overleg te bepalen prijs. Komen de gewezen hypotheekhouder en de eigenaar van de grond niet tot overeenstemming, dan wordt de prijs bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort het erfpachtgoed of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

  • 3 Handelingen in strijd met het in het eerste lid bepaalde zijn nietig ten aanzien van de eigenaar en worden als niet gedaan beschouwd. De erfpachter verbeurt ter zake van elke handeling in strijd met het in het eerste en tweede lid bepaalde een onmiddellijke opeisbare boete ten bedrage van het tienvoud van de jaarlijkse canon.

  • 4 Aan de in het eerste lid bedoelde toestemming, kunnen door de eigenaar voorwaarden worden verbonden tot behoud van de doeleinden waartoe de grond in erfpacht werd uitgegeven. Deze voorwaarden houden in ieder geval in, dat de verkrijger van het erfpachtrecht zich onderwerpt aan alle voorwaarden van de erfpachtovereenkomst, waartoe de vervreemder van het erfpachtrecht zich had verbonden.

  • 5 De in de voorwaarden omschreven verplichtingen van partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van de erfpacht en de erfpachtzaak gaan over op hen die de erfpacht onder bijzondere titel verkrijgen. Zij die van de erfpachter een recht tot gebruik van de erfpacht of de erfpachtzaak verkrijgen, zijn mede aan deze verplichtingen gebonden.

  • 6 De in het vijfde lid bedoelde verplichtingen krijgen derdenwerking door inschrijving in de openbare registers van een van de voorwaarden opgemaakte notariële akte. De erfpachter verleent de eigenaar onherroepelijke machtiging om de inschrijving tot stand te brengen.

  • 7 De erfpachter is verplicht en verbindt zich jegens de eigenaar, die dit voor zich aanvaardt, de verplichtingen om te doen, zoals die tevens zijn omschreven in de notariële akte, bedoeld in het zesde lid, bij overdracht van de erfpacht en bij verlening daarop van enig zakelijk of persoonlijk gebruiks- of genotsrecht aan de nieuwe erfpachter of zakelijk of persoonlijk gerechtigde ten behoeve van de eigenaar op te leggen en aan te nemen.

  • 8 Het bepaalde in het vijfde tot en met het zevende lid geldt slechts voor zover de verplichtingen niet van rechtswege door de overdracht van de erfpacht of de vestiging van het beperkte recht overgaan op de nieuwe erfpachter of beperkt gerechtigde.

Artikel 11

  • 1 Indien de erfpachter overlijdt of de huwelijksgemeenschap waarvan de erfpacht deel uitmaakt bij zijn leven wordt ontbonden, zijn diens rechtsverkrijgenden verplicht daarvan binnen 3 maanden schriftelijk mededeling te doen aan de eigenaar. Tevens dienen zij mede te delen op wie de erfpacht onder algemene titel is overgegaan.

  • 2 Binnen een jaar na het overlijden of de ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in het eerste lid, dienen de rechtverkrijgenden onder algemene titel zich ter verkrijging van de toestemming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, tot de eigenaar te wenden.

  • 3 Zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar is het verboden in één van de in het eerste lid bedoelde gevallen de erfpacht gedurende langer dan 3 jaren in onverdeeldheid te bezitten. Van opheffing van een onverdeeldheid moet mededeling worden gedaan aan de eigenaar door toezending van de terzake opgemaakte akte.

Artikel 12

  • 1 Indien de overdracht van de erfpacht, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 10 plaatsvindt aan een bedrijfsopvolger, die een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind van de erfpachter is, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de bedrijfsopvolger met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden aangepast, mits ten tijde van het indienen van het verzoek:

    • a. de bedrijfsopvolger voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan personen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen en

    • b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.

  • 2 De duur van de erfpacht zal te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.

  • 3 Indien de bedrijfsopvolger op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van aanpassing, gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alvorens de erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.

  • 4 Indien de bedrijfsopvolger het in het eerste lid omschreven recht wenst uit te oefenen, dient hij niet later dan 12 maanden na de overdracht van de erfpacht, bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen. De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de bedrijfsopvolger er van in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.

Artikel 13

  • 1 De eigenaar stelt een kind, dan wel behuwd-, pleeg- of kleinkind van de erfpachter, bij voorkeur in de gelegenheid na het einde van de erfpacht een nieuwe erfpachtovereenkomst te sluiten onder de voorwaarden die alsdan door de eigenaar bij uitgifte in erfpacht worden gesteld.

  • 2 Een verzoek tot het sluiten van een nieuwe overeenkomst dient niet eerder dan 3 jaren doch niet later dan 18 maanden vóór het einde van de erfpacht bij aangetekend schrijven te worden ingediend. De eigenaar beslist uiterlijk 6 maanden na indiening van het verzoek.

Artikel 14

  • 1 De eigenaar is bevoegd de erfpacht tussentijds met inachtneming van een termijn van 3 maanden door opzegging te doen eindigen voor het geheel of voor een zodanig gedeelte van de erfpachtzaak als het verkiest, indien de erfpachter in verzuim is de canon over 2 achtereenvolgende jaren te betalen of in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn andere verplichtingen.

  • 2 De eigenaar zal de opzegging binnen 8 dagen betekenen aan hen die als beperkt gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht in de openbare registers staan ingeschreven.

  • 3 Indien de erfpacht eindigt door tussentijdse opzegging als bedoeld in het eerste lid, wordt de waarde die het recht bij het einde ervan heeft, aan de erfpachter vergoed.

  • 4 De eigenaar is bevoegd op de door hem verschuldigde vergoeding in mindering te brengen hetgeen hij nog uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, daaronder begrepen de sinds het einde van de erfpacht niet aangezuiverde bedragen voor lasten en belastingen waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef, en de kosten. De vergoeding wordt niet uitgekeerd zolang de erfpachter niet schriftelijk heeft verklaard dat de erfpachtzaak met opstallen geheel ter vrije beschikking van de eigenaar staat.

Artikel 14a

De erfpacht eindigt door:

Artikel 15

  • 1 Bij beëindiging van de erfpacht moet de erfpachtzaak in behoorlijke toestand, tot genoegen van de eigenaar worden opgeleverd. Voor daaraan aangerichte schade blijft de erfpachter persoonlijk aansprakelijk.

  • 2 Ter zake van verbeteringen door de erfpachter aan de erfpachtzaak aangebracht, heeft deze alsdan het recht op een billijke vergoeding, indien hij het voornemen tot het aanbrengen van de verbetering tijdig schriftelijk aan de eigenaar heeft ter kennis gebracht, onder opgave van de geschatte kosten en de eigenaar zich hiertegen niet heeft verzet. Komen de erfpachter en de eigenaar niet tot overeenstemming over de vergoeding, dan wordt de vergoeding bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort de erfpachtzaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

  • 3 Bij beëindiging van de erfpacht betaalt de erfpachter al hetgeen hij uit hoofde van de erfpachtovereenkomst aan de eigenaar verschuldigd is, alsmede de bij het einde van de erfpacht verschuldigde en sedertdien niet aangezuiverde bedragen voor belastingen en lasten, waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef.

  • 4 Nadat de grond geheel ter beschikking van de eigenaar of de nieuwe gebruiksgerechtigde is gesteld en de bedragen als bedoeld in het tweede en derde lid zijn vastgesteld, vindt tussen partijen, in afwijking van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, verrekening plaats.

  • 5 De eigenaar is bevoegd van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, in te houden hetgeen hij nog uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, daaronder begrepen de sinds het einde van de erfpacht niet aangezuiverde bedragen voor lasten en belastingen waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef. De vergoeding wordt niet uitgekeerd zolang de erfpachter niet schriftelijk heeft verklaard dat de erfpachtzaak met opstallen geheel ter vrije beschikking van de eigenaar staat.

Artikel 16

  • 1 Indien de erfpachtzaak of erfpacht met het recht van hypotheek wordt bezwaard, is de hypotheekhouder verplicht de eigenaar bij aangetekend schrijven mededeling te doen van het bestaan van zijn recht, onder opgave van zijn adres en de aanvaarding van zijn verplichting om de eigenaar in kennis te stellen van het einde van zijn recht, van zijn verplichting als bedoeld in artikel 10, tweede lid, en, in voorkomend geval, dat hij gebruik gaat maken van de in artikel 268, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde mogelijkheid van verhaal op het verhypothekeerde goed. Aan de hypotheekhouder die aan het vorenstaande heeft voldaan, wordt door de eigenaar een bewijsstuk daarvan afgegeven.

  • 2 De erfpachter is bij de vestiging van een recht van hypotheek verplicht de hypotheekhouder van zijn in het eerste lid neergelegde verplichting op de hoogte te brengen.

Artikel 17

Alle mededelingen, verzoeken en aanzeggingen vanwege partijen worden gedaan bij een aangetekend schrijven met uitzondering van die bedoeld in artikel 14. De wederpartij bevestigt onverwijld de ontvangst daarvan. Indien de wederpartij – behalve bij herziening van een canon als geregeld in artikel 3, aanpassing als bedoeld in artikel 12 en een nieuwe overeenkomst als bedoeld in artikel 13 – niet binnen 3 maanden na de datum van verzending van genoemde ontvangstbevestiging, heeft geantwoord, wordt de wederpartij geacht ingestemd te hebben. Afschrift wordt gezonden aan de hypotheekhouder. De hypotheekhouder kan tegenover de eigenaar generlei aanspraak doen gelden, indien toezending achterwege blijft.

Artikel 18

De kosten van de notariële akten met de daarbij behorende rechten en verschotten worden als volgt gedragen:

  • a. bij de vestiging van het recht door de erfpachter;

  • b. bij wijzigingen – waaronder tevens wordt verstaan de wijziging van de canon – door de partij die de wijziging verzoekt.

Artikel 19

Van een of meer van de in de voorgaande artikelen genoemde voorwaarden en bepalingen kan slechts worden afgeweken bij akte te verlijden ten overstaan van een door de eigenaar aan te wijzen notaris.

Artikel 19a

De erfpachter is niet bevoegd de nakoming van de verplichting tot betaling van de canon en de overige voor hem uit de erfpacht voortvloeiende verplichtingen op te schorten op grond van het feit dat de eigenaar zijn verplichtingen niet nakomt, tenzij het betreft een voor de eigenaar uit de erfpacht voortvloeiende hoofdverplichting dan wel een retentierecht als bedoeld in artikel 100 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 20

  • 1 Na afloop van de tijdsduur waarvoor de erfpacht is gevestigd, heeft de erfpachter de mogelijkheid de landbouwgrond in eigendom te verwerven tegen de werkelijke waarde als omschreven in de artikelen 40b–40f, van de Onteigeningswet.

  • 2 De erfpachter heeft de in het eerste lid omschreven mogelijkheid, indien hij een daartoe strekkend verzoek ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar voor het tijdstip waarop de erfpacht eindigt, bij de eigenaar heeft ingediend.

  • 3 Indien met de eigenaar geen overeenstemming over de prijs wordt verkregen kan de erfpachter een verzoek richten tot de arrondissementsrechtbank binnen welk rechtsgebied de desbetreffende landbouwgrond is gelegen.

Paragraaf 3. Voorwaarden bij uitgifte aan meerdere natuurlijke personen

Artikel 21

  • 1 In gevallen, waarin de landbouwgrond aan meerdere natuurlijke personen in erfpacht wordt uitgegeven, is het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, met uitzondering van de artikelen 2 en 11–13, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn voorts de in deze paragraaf opgenomen artikelen van toepassing.

Artikel 22

  • 1 De erfpacht wordt gevestigd voor 26 jaren.

  • 2 Indien de oudste van de erfpachters op het tijdstip van het indienen van de in artikel 20 van de Beschikking grondbankstelsel bedoelde aanvrage de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het eerste lid bepaalde de erfpacht gevestigd voor een tijdsduur gelijk aan het aantal jaren dat verstrijkt alvorens die erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat deze tijdsduur 40 jaren met te boven zal gaan.

  • 3 Na overdracht of toedeling van de erfpacht op de zaak of een gedeelte ervan of van een aandeel in de erfpacht zijn de verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de door laatstgenoemde verschuldigde canon die in de voorafgaande 5 jaren opeisbaar is geworden.

Artikel 23

  • 1 Indien de samenwerking tussen de erfpachters wordt beëindigd of indien een erfpachter overlijdt, zijn de erfpachters en voor zover van toepassing, de rechtsverkrijgenden onder algemene titel van de overledene, verplicht daarvan binnen 3 maanden schriftelijk mededeling te doen aan de eigenaar. Tevens dienen de rechtsverkrijgenden mede te delen op wie de erfpacht onder algemene titel is overgegaan.

  • 2 Binnen één jaar na het beëindigen van de samenwerking of na het overlijden van een erfpachter dienen de erfpachters en voor zover van toepassing, de rechtsverkrijgenden onder algemene titel zich ter verkrijging van de toestemming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, tot de eigenaar te wenden.

Artikel 24

  • 1 Indien de plaats van de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 10 wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de erfpachters gezamenlijk met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid aangepast, mits ten tijde van het indienen van het verzoek:

    • a. de persoon van ieder van de overige erfpachters, alsmede van zodanig kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan personen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen, en

    • b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.

  • 2 De duur van de erfpacht zal, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.

  • 3 Indien de oudste van de overblijvende erfpachters op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alvorens die erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.

  • 4 Indien de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, tijdens de duur daarvan overlijdt en diens plaats niet wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de erfpachters gezamenlijk zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren dat verstrijkt alsvorens de oudste overblijvende erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, mits ten tijde van het indienen van het verzoek de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.

  • 5 Indien de erfpachters het in het eerste of vierde lid omschreven recht wensen uit te oefenen, dienen zij bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen:

    • a. in gevallen als bedoeld in het eerste lid, niet later dan 12 maanden nadat de plaats van de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, ingenomen is door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind;

    • b. in gevallen als bedoeld in het vierde lid, niet later dan 12 maanden na het overlijden van de onder a bedoelde erfpachter.

    De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de erfpachters ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.

Artikel 25

  • 1 Met inachtneming van het in het derde lid bepaalde kan elk der erfpachters één kind, dan wel behuwd-, pleeg- of kleinkind, aanwijzen.

  • 2 Na het einde van de erfpacht stelt de eigenaar ingevolge het eerste lid aangewezen persoon onderscheidenlijk personen bij voorkeur in de gelegenheid een nieuwe erfpachtovereenkomst te sluiten onderscheidenlijk gezamenlijk te sluiten onder de voorwaarden, die alsdan bij uitgifte in erfpacht worden gesteld.

  • 3 Een verzoek tot het sluiten van een nieuwe overeenkomst dient niet eerder dan 3 jaren, doch niet later dan 18 maanden vóór het einde van de erfpacht bij aangetekend schrijven te worden ingediend. De eigenaar beslist uiterlijk 6 maanden na indiening van het verzoek.

Artikel 26

  • 1 De erfpachters zijn verplicht aan de eigenaar mede te delen, wie van hen met uitsluiting van de andere(n), hen bij de eigenaar zal vertegenwoordigen.

  • 2 De erfpachters zijn tegenover de eigenaar ter zake van de nakoming van hun verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel.

Paragraaf 4. Voorwaarden bij de uitgifte aan een rechtspersoon

Artikel 27

  • 1 In gevallen, waarin de landbouwgrond aan een rechtspersoon in erfpacht wordt uitgegeven, is het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, met uitzondering van de artikelen 2 en 11–13, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn voorts de in deze paragraaf opgenomen artikelen van toepassing.

Artikel 28

  • 1 De erfpacht wordt gevestigd voor 26 jaren.

  • 2 Indien de bedrijfsleider op het tijdstip van het indienen van de in artikel 20 van de Beschikking grondbankstelsel bedoelde aanvrage de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het eerste lid bepaalde de erfpacht gevestigd voor een tijdsduur gelijk aan het aantal jaren dat verstrijkt alvorens die bedrijfsleider de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat deze tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.

Artikel 29

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 10, eerste lid, is het de erfpachter verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar:

    • a. de erfpacht bij ontbinding van de rechtspersoon over te dragen;

    • b. aandelen of certificaten van aandelen in de rechtspersoon uit te geven of over te dragen, dan wel lidmaatschaps- of andere rechten in de rechtspersoon tot stand te brengen of over te dragen.

  • 2 Rechtsverkrijgenden onder algemene titel van aandelen of certificaten van aandelen, lidmaatschaps- of andere rechten in de rechtspersoon zijn verplicht, van de verkrijging binnen 3 maanden mededeling te doen aan de eigenaar.

  • 3 Binnen een jaar na de verkrijging, dienen de rechtverkrijgenden onder algemene titel zich ter verkrijging van de toestemming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, tot de eigenaar te wenden.

Artikel 30

  • 1 Indien de plaats van de bedrijfsleider, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de opvolger met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid aangepast, mits ten tijde van het indienen van het verzoek.

    • a. de opvolger voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan bedrijfsleiders van rechtspersonen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen en

    • b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.

  • 2 De duur van de erfpacht zal te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.

  • 3 Indien de opvolger op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van aanpassing, gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alsvorens de bedrijfsleider de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.

  • 4 Indien de opvolger de in het eerste lid omschreven erfpacht wenst uit te oefenen, dient hij niet later dan 12 maanden na de opvolging, bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen. De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de opvolger ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.

Paragraaf 5. Slotbepaling

Artikel 31

  • 1 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel.

  • 2 Zij wordt in de Nederlandse Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking op 1 januari 1983.

's-Gravenhage, 24 december 1982

De

Staatssecretaris

van Landbouw en Visserij,

A. Ploeg