Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Convenantfinancieringsregeling[Regeling vervallen per 28-08-2004.]

Geldend van 01-01-1983 t/m 27-08-2004

Convenantfinancieringsregeling

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

Overwegende dat het als uitvloeisel van het met de gemeente Rotterdam gesloten Convenant en vooruitlopend op de invoering van de Kaderwet specifiek welzijn wenselijk is van rijkswege gelden beschikbaar te stellen om de gemeente Rotterdam in staat te stellen ten aanzien van het hiervoor aangewezen werk op het terrein van het specifiek welzijn op basis van een plan en een programma welke democratisch zijn voorbereid, een samenhangend beleid te voeren op lokaal niveu dat aansluit bij behoeften en initiatieven van de bevolking;

dat met het gemeentebestuur van Rotterdam overleg is gepleegd over de in verband daarmede te treffen regeling;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 1 [Vervallen per 28-08-2004]

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. de Minister:

de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

b. werk:

de activiteiten en de steunfunctie, gezamenlijk omvattend de werksoorten en voorzieningen, bedoeld in artikel 2;

c. middelen:

de middelen waarmee het werk wordt uitgevoerd, zoals vrijwilligers, beroepskrachten, ruimtelijke voorzieningen, materialen, apparatuur en administratieve ondersteuning;

d. kosten:

de door de gemeente voor een dienstjaar aangegane financiële verplichtingen in de vorm van subsidies aan instellingen of groepen ten behoeve van het werk of door de gemeente gedane uitgaven ten behoeve van door de gemeente uitgevoerd werk;

de gemeente uitgevoerd werk;

e. beroepskracht:
  • 1. degene die op grond van een arbeidsovereenkomst een functie uitoefent bij een instelling op het terrein van het werk;

  • 2. degene die op grond van een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, tegen honorering anders dan als onkostenvergoeding, een functie uitoefent bij een instelling op het terrein van het werk.

Artikel 2 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Deze regeling is van toepassing op de werksoorten en voorzieningen, welke bij gebreke van deze regeling zouden zijn gefinancierd op de voet van één der in artikel 26 vermelde regelen.

Hoofdstuk II. Algemene voorwaarden voor het verlenen van een rijksbijdrage [Vervallen per 28-08-2004]

Paragraaf 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 3 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Aan de gemeente wordt een rijksbijdrage verleend in de kosten ten behoeve van de uitvoering van het werk, waarop deze regeling van toepassing is.

  • 2 De rijksbijdrage wordt slechts verleend voorzover de wetgever de nodige gelden toestaat en de gemeente voldoet aan de bij of krachtens deze regeling gestelde voorwaarden.

  • 3 De rijksbijdrage wordt slechts verleend in de kosten van het werk, dat is opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 6.

Paragraaf 2. Het gemeentelijk plan [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 4 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De gemeenteraad stelt eenmaal in de vier jaar een plan vast, waarin voor een periode van vier jaar de grote lijnen van het beleid worden vastgelegd ten aanzien van het werk.

  • 2 Op basis van een verkenning van de stand van zaken en de ontwikkeling met betrekking tot het werk in de gemeente en die terreinen, waarmee het werk nauwe relaties heeft, geeft het plan tevens aan de behoefte aan het werk, en omschrijft het welke aanvullingen of veranderingen in het aanwezige bestel moeten worden aangebracht om op doelmatige wijze in die behoefte te voorzien.

  • 3 Bij de vaststelling van het plan wordt rekening gehouden met beleidsvoornemens van het rijk en de provincie op het terrein van het werk.

  • 4 Zonodig wordt het plan jaarlijks gewijzigd. De bepalingen in paragraaf 4 alsmede in artikel 17 zijn daarbij voorzover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 [Vervallen per 28-08-2004]

Voor zover nodig en mogelijk wordt aangegeven, welk beslag het plan legt op personele, materiële en financiële middelen.

Paragraaf 3. Het gemeentelijk programma [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 6 [Vervallen per 28-08-2004]

De gemeenteraad stelt jaarlijks, op basis van het plan als bedoeld in paragraaf 2, een programma vast, waarin wordt aangegeven welk werk het daarop volgende jaar zal worden gerealiseerd.

Artikel 7 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 In het programma worden aangegeven:

    • a. de voorzieningen op het terrein van het werk, waarvan in het jaar, waarop het programma betrekking heeft, de kosten in gevolge deze regeling door de gemeente zullen worden vergoed, dan wel die door de gemeente zelf zullen worden uitgevoerd;

    • b. op welke groepen dan wel instellingen de verschillende onderdelen van het werk in het bijzonder zijn gericht en in welke wijken, buurten of kernen van de gemeente zij zullen worden uitgevoerd;

    • c. welke bedragen voor de uitvoering van het werk maximaal ten laste van de gemeente zullen worden genomen;

    • d. onder wiens verantwoordelijkheid het werk zal worden uitgevoerd.

      Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de pluriformiteit van de samenleving, waarbij de gemeenteraad met inachtneming van waarborgen voor deugdelijkheid, doelmatigheid en democratisch functioneren, eigen initiatief en verantwoordelijkheid van de burgers bevordert.

  • 2 In het programma kan de mogelijkheid voor onvoorzien werk worden opengelaten.

  • 3 In het programma wordt aangegeven welk werk in samenwerking met andere gemeenten of de provincie wordt gerealiseerd en welk werk op basis van een overeenkomst wordt uitgevoerd door een buiten de gemeente werkende instelling of groep.

  • 4 In het programma wordt aangegeven op welke wijze afstemming heeft plaatsgevonden met andere relevant werk op het terrein van zorg, educatie of recreatie en wordt de samenhang daarmee aangegeven.

Paragraaf 4. De wijze waarop plan en programma tot stand komen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 8 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Bij de voorbereiding van het plan en het programma wordt de bevolking betrokken en met de betrokken instellingen en groepen overleg gepleegd overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 9.

  • 2 Indien het plan of programma personele gevolgen heeft, wordt dit niet vastgesteld dan nadat over deze gevolgen overleg is gevoerd met representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers, of bij ontbreken daarvan met een representatieve vertegenwoordiging van de betrokken werkgevers en werknemers.

Artikel 9 [Vervallen per 28-08-2004]

De gemeenteraad stelt na overleg met de betrokken instellingen en groepen en na inspraak van de bevolking een verordening vast, waarin wordt vastgelegd welke procedure bij de voorbereiding van het plan en het programma wordt gevolgd.

Paragraaf 5. Verslaglegging en evaluatie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 10 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De gemeenteraad stelt jaarlijks een verslag vast van de uitvoering van het programma in het voorafgaande kalenderjaar, waarin in ieder geval wordt aangegeven in hoeverre het programma is gerealiseerd.

  • 2 Het gemeentebestuur zendt gelijktijdig met de eerstvolgende aanvrage om een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aan de Minister het verslag bedoeld in het eerste lid, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

Paragraaf 6. De subsidieverordening [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 11 [Vervallen per 28-08-2004]

De gemeenteraad stelt, de bevolking gehoord en na overleg met de betrokken instellingen en groepen, bij verordening vast, aan welke voorschriften het werk moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 12 [Vervallen per 28-08-2004]

De verordening bedoeld in artikel 11 bevat in ieder geval de volgende voorschriften:

  • a. indien het werk wordt uitgevoerd door beroepskrachten beschikken deze over een zodanige kennis en ervaring dat een verantwoorde uitoefening van hun functie is gewaarborgd, overeenkomstig de in artikel 25, tweede lid, vermelde regelen;

  • b. de arbeidsvoorwaarden van beroepskrachten in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon komen overeen met de in artikel 25, eerste lid, vermelde regelen;

  • c. deelnemers, gebruikers en vrijwilligers en beroepskrachten worden bij het beleid van de instelling of groep betrokken. Daarbij wordt aandacht geschonken aan:

    • 1. een evenwichtige vertegenwoordiging van genoemde categorieën en overigen in het bestuur;

    • 2. spreiding van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    • 3. openheid bij de werving van bestuursleden;

    • 4. periodieke openbare verslaglegging en openbaarheid van vergaderingen en documenten;

    • 5. bescherming van de belangen van de gebruiker;

  • d. de instelling of groep werkt mee aan door of namens de Minister na overleg met het gemeentebestuur in te stellen onderzoekingen, die zijn gericht op het verkrijgen van gegevens voor het beleid van het rijk ten aanzien van het werk.

Paragraaf 7. Voorwaarden ten aanzien van het door de gemeente uitgevoerde werk [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 13 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het door of vanwege de gemeente uitgevoerde werk voldoet aan de eisen, die de gemeente in de verordening, bedoeld in artikel 11 stelt aan de door de gemeente gesubsidieerde instelingen of groepen.

  • 2 Ten einde de arbeidsvoorwaarden van al diegenen, die het werk uitvoeren of begeleiden zo veel mogelijk gelijk te doen zijn, zijn op degenen die beroepsmatig het werk uitvoeren voorzover dat door of vanwege de gemeente wordt verricht, de regelen, bedoeld in artikel 12, aanhef en sub b, van overeenkomstige toepassing, behoudens voorzover het secundaire arbeidsvoorwaaarden betreft die voor ambtenaren gebruikelijk zijn.

Artikel 14 [Vervallen per 28-08-2004]

Het gemeentebestuur werkt mee aan door of namens de Minister bij de gemeente in te stellen onderzoekingen, gericht op het verkrijgen van gegevens voor het beleid van het rijk ten aanzien van het werk.

Paragraaf 8. Grondslag voor de berekening van de rijksbijdrage [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 15 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De rijksbijdrage bedraagt de door de gemeente gemaakte kosten ten behoeve van het werk tot ten hoogste het jaarlijks in de rijksbegroting hiervoor beschikbaar gestelde bedrag.

  • 2 Het in lid I bedoelde bedrag zal worden samengesteld uit onderdelen van begrotingsartikelen ten behoeve van de regelen, bedoeld in artikel 26. Maatregelen, welke leiden tot verhoging of verlaging van die artikelen van de rijksbegroting, zijn naar evenredigheid van toepassing op het ten behoeve van deze regeling afgesplitste aandeel.

Paragraaf 9. Grondslag voor de berekening van de rijksbijdrage [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 16 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het gemeentebestuur dient jaarlijks vóór 1 januari van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd een aanvrage om een rijksbijdrage bij de Minister in, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

    De aanvrage omvat:

    • a. het door de gemeenteraad vastgestelde programma;

    • b. een raming van de door de gemeente te maken kosten van het werk.

  • 2 Bij de eerste aanvrage en vervolgens om de vier jaren legt het gemeentebestuur het plan, bedoeld in artikel 4 over. Wijzigingen in het plan worden jaarlijks bij de aanvrage om een rijksbijdrage aan de Minister meegedeeld. Bij de eerste aanvrage worden bovendien afschriften overgelegd van de verordeningen, bedoeld in de artikelen 9 en 11. Wijzigingen in deze verordeningen worden eveneens aan de Minister medegedeeld.

  • 3 Het gemeentebestuur zendt een afschrift van de aanvrage om een rijksbijdrage en een afschrift van het plan aan het provinciaal bestuur en aan het hoofd van het provinciaal Bureau Landelijk Contact.

Artikel 17 [Vervallen per 28-08-2004]

De Minister deelt zijn reactie op het plan, alsmede op wijzigingen daarvan, zo spoedig mogelijk aan het gemeentebestuur mee, voorzover deze reactie van belang is voor zijn beslissing op de aanvrage om een rijksbijdrage.

Afschrift hiervan wordt gezonden aan het provinciaal bestuur en het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

Artikel 18 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De Minister doet jaarlijks vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de rijksbijdrage in het vooruitzicht wordt gesteld aan het gemeentebestuur een voorlopige opgave van de maximaal te verwachten rijksbijdrage.

  • 2 De Minister beslist vóór 1 april van het jaar waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd op de aanvrage bedoeld in artikel 16, eerste lid, en deelt de beslissing schriftelijke aan het gemeentebestuur mede, onder vermelding van de maximale rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar. Afschrift hiervan wordt gezonden aan het provinciaal bestuur en aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

  • 3 Indien het gemeentebestuur bezwaar heeft tegen de beslissing bedoeld in het tweede lid, kan het daartegen binnen een maand na de datum waarop die beslissing is verzonden, bij de Kroon voorziening vragen.

Artikel 19 [Vervallen per 28-08-2004]

Op de rijksbijdrage worden voorschotten verstrekt.

Artikel 20 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het gemeentebestuur dient vóór 1 oktober volgens een door de Minister voor te schrijven model een declaratie in tweevoud in van de door de gemeente in het voorafgaande kalenderjaar gemaakte kosten van het werk voorzien van een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 265 bis van de gemeentewet, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact.

  • 2 Het gemeentebestuur zendt zo spoedig mogelijk aan de Minister een afschrift van het raadsbesluit dat de voorlopige vaststelling van het bedrag der ontvangsten en uitgaven van de gemeente bevat, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan het hoofd van het provinciaal bureau Landelijk Contact. Het gemeentebestuur maakt vervolgens zo spoedig mogelijk aan de Minister het besluit van gedeputeerde staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven bekend.

  • 3 De rijksbijdrage wordt vastgesteld op basis van de declaratie. Op de rijksbijdrage kunnen achteraf correcties worden aangebracht, indien het besluit van gedeputeerde staten bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geeft of indien grond van later ter beschikking komende gegevens wijziging noodzakelijk is.

Hoofdstuk III. Bijzondere voorwaarden voor het verkrijgen van een rijksbijdrage [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 21 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Ten behoeve van de activiteiten van jeugdhulpverlening die door de Minister en de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen bij beschikking worden aangewezen kan gedurende een planperiode een specifieke rijksbijdrage worden verleend, voorzover naast de voorwaarden, gesteld in Hoofdstuk II, wordt voldaan aan de volgende aanvullende voorwaarden:

    • a. in het programma worden in een aparte paragraaf de aard en omvang van de jeugdhulpverlening aangegeven;

    • b. in de onder a, genoemde paragraaf wordt voorts aangegeven op welke wijze de samenhang wordt gerealiseerd tussen activiteiten van jeugdhulpverlening van ambulante, semi-residentiële en residentiële aard.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt eerst verleend na overleg met de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen en gehoord de Interdepartementale Werkgroep Residentiële Voorzieningen voor jeugdigen en de Interdepartementale Werkgroep Ambulante en Preventieve Voorzieningen voor jeugdigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage wordt rekening gehouden met een vermindering dan wel vermeerdering van de omvang van de voor jeugdhulpverlening gemaakte kosten.

  • 3 Na afloop van de eerste planperiode wordt verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde activiteiten geregeld op grond van het gestelde in hoofdstuk II.

Artikel 22 [Vervallen per 28-08-2004]

De gemeente draagt er zorg voor, dat de richtige uitvoering van het Besluit gezinsverzorging en huishoudelijke hulp Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is gewaarborgd.

Artikel 23 [Vervallen per 28-08-2004]

Gedurende de eerste planperiode zijn de landelijk geldende regelen inzake de eigen bijdrage van gebruikers van instellingen voor gezinsverzorging van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24 [Vervallen per 28-08-2004]

Het gemeentebestuur draagt zorg voor het handhaven van zodanige eigen bijdragen van gebruikers, dat ook bij cumulatie van het gebruik van verschillende voorzieningen om zodanige reden op de Algemene Bijstandswet geen beroep behoeft te worden gedaan.

Artikel 25 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Ten aanzien van de bekostiging van werknemers in privaatrechtelijke instellingen zijn de salaris- en rechtspositieregelingen, vervat in danwel gesteld krachtens één der in artikel 26 genoemde regelingen, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Benoembaarheidseisen, deskundigheidseisen en beroepskwalificaties, hoe ook genaamd, vervat in danwel gesteld krachtens één der in artikel 26 genoemde regelingen, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Waar enige der in het eerste of tweede lid bedoelde regelingen het mogelijk maakt, dat van het daarin gestelde in individuele gevallen ontheffing of vrijstelling wordt verleend, in welke bewoordingen dan ook, wordt de bevoegdheid daartoe in handen gesteld van Burgemeester en Wethouders.

Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 26 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het bepaalde in de Rijksbijdrageregeling Sociaal Cultureel Werk (Stb. 1980, 301), de Rijksbijdrageregeling Maatschappelijke Dienstverlening (Stb. 1981, 679), de Tijdelijke Rijksbijdrageregeling ter stimulering van emancipatiewerk (Stcrt. 1979, 236), de Tijdelijke Rijksregeling Kunstuitleen (Stcrt. 1979, 251), de Tijdelijke Rijksbijdrageregeling Gecoördineerd Bejaardenwerk (Stcrt. 1980, 91), de Rijksbijdrageregeling Maatschappelijke Hulp- en Dienstverlening aan jongeren en jong-volwassenen (Stb. 1977, 143), de Rijksbijdrageregeling Kinderdagverblijven en dagcentra voor Schoolgaande Jeugd (Stb. 1981, 125) en de Subsidieregeling Gezinsverzorging en Gezinshulp 1958 (Stb. 1957, 250) blijft ten aanzien van de gemeente buiten toepassing.

  • 2 Voorwaarden, gesteld bij het verlenen van een bijdrage dan wel een subsidie ten behoeve van een vrijwilligerscentrale, van sporttechnisch kader, dan wel van alfabetiseringsprojecten worden geacht ten aanzien van dit werk in de gemeente niet te zijn gesteld.

Artikel 27 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 In het eerste vierjarenplan zijn voor wat betreft het jaar 1983 in ieder geval opgenomen de instellingen die voorzieningen en activiteiten uitvoeren waarvoor zij in het jaar 1982 van rijkswege subsidie ontvingen op grond van een in artikel 26 genoemde regeling.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van instellingen waarvan het gemeentebestuur ten genoegen van de Minister heeft aangetoond, dat de werkzaamheden daarvan van een dermate gering belang zijn, dat voortzetting van de subsidiëring niet verantwoord is te achten.

  • 3 Het subsidie aan de in het eerste lid bedoelde instellingen is voor het jaar 1983 zodanig, dat deze hun werk op verantwoorde wijze kunnen voortzetten.

Artikel 28 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De Minister belast door hem aan te wijzen ambtenaren met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit.

  • 2 De ambtenaren van het provinciaal bureau Landelijk Contact zijn belast met de rapportering aan de Minister omtrent de uitvoering door de gemeente van de voorwaarden bij of krachtens dit besluit gesteld. Zij vervullen ten opzichte van de gemeente tevens een voorlichtende taak.

  • 3 Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaren worden door het gemeentebestuur alle inlichtingen verschaft die noodzakelijk zijn voor de juiste vervulling van hun taak.

  • 4 De Minister kan nadere regelen stellen omtrent de taak en de werkwijze van de in dit artikel bedoelde ambtenaren.

Artikel 29 [Vervallen per 28-08-2004]

Dit besluit, dat kan worden aangehaald als ‘Convenantfinancieringsregeling’, treedt in werking op 1 januari 1983.

's-Gravenhage, 20 december 1982

De

Minister

van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman