Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Toepassing van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van commissariaten[Regeling vervallen per 13-10-2006 met terugwerkende kracht tot en met 05-10-2006.]

Geldend van 25-10-1982 t/m 04-10-2006

Toepassing van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van commissariaten

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financien het volgende besloten.

Arrest van 2 december 1981, nr. 20855:

Maatschap van advocaten en notarissen ontving in 1978 van één van haar leden-advocaten de beloningen welke hem waren toegevallen wegens het vervullen van een tweetal commissariaten, een en ander overeenkomstig hetgeen dienaangaande is vermeld in het maatschapscontract. Mede gelet op het feit dat het desbetreffende lid de aan de nevenfunctie verbonden werkzaamheden verrichtte op het kantoor van de maatschap en in de tijd die normaliter door hem voor het uitoefenen van de advocatenpraktijk werd aangewend, dienen die werkzaamheden geacht te worden te zijn verricht binnen het kader van de onderneming.

H.R.: het Hof behoefde zich voor dat oordeel niet te laten weerhouden door de stellingen van belanghebbende dat het vervullen van commissariaten in beginsel niet behoort tot de normale werkzaamheden van leden van de maatschap en dat het vervullen van een commissariaat door een lid van de maatschap in beginsel slechts bij uitzondering geschiedt.

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

  • 1. dat belanghebbende is een maatschap van een aantal advocaten en notarissen, die voor gezamenlijke rekening hun praktijk uitoefenen;

  • 2. dat zij als ondernemer in elk geval omzetbelasting is verschuldigd over de vergoedingen, welke zij in rekening brengt, dan wel worden voldaan, ter zake van door de maatschapsleden-advocaten binnen het kader van hun gezamenlijke beroepsuitoefening verrichte diensten;

  • 3. dat in geding is of tot deze vergoedingen mede behoren, de vergoedingen waartoe een van de leden-advocaten wegens het vervullen van een tweetal commissariaten was gerechtigd en welke krachtens een door deze met de andere maatschapsleden daaromtrent gemaakte afspraak in 1978 aan de maatschap ten goede zijn gekomen;

  • 4. dat naar tussen partijen als onbetwist is komen vast te staan de aan deze nevenfuncties verbonden werkzaamheden zijn verricht in de tijd, welke het desbetreffende lid voor het uitoefenen van de advocatenpraktijk pleegt aan te wenden en – zij het in beperkte mate – met behulp van de kantoorfaciliteiten van de maatschap, terwijl de daarvoor ontvangen vergoedingen – zoals reeds werd overwogen – aan de maatschap ten goede zijn gekomen;

  • 5. dat het desbetreffende maatschapslid geacht moet worden de juridische vaardigheid en de specifieke kennis te hebben verkregen welke uit het uitoefenen van het beroep van advocaat voortkomt;

  • 6. dat dit het vermoeden wettigt dat het bezitten van deze vaardigheid en kennis in hoofdzaak, dan wel mede, in beide aan de orde gestelde gevallen van belang is geweest voor de uitverkiezing van bedoeld maatschapslid voor het bekleden van de commissaris-functie;

  • 7. dat dit vermoeden wordt bevestigd door de omstandigheid dat – naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is – het optreden van advocaten als commissaris van een vennootschap regelmatig voorkomt;

  • 8. dat daarmee in overeenstemming is dat enkelen van de overige maatschapsleden-advocaten eveneens een dergelijk commissariaat bekleden;

  • 9. dat het Hof op grond van evenbedoeld vermoeden in samenhang met de hiervóór vermelde feitelijke omstandigheden van oordeel is dat belanghebbende de onderhavige vergoedingen heeft ontvangen voor werkzaamheden, welke het maatschapslid binnen het kader van de gezamenlijke beroepsuitoefening door de leden – dat wil zeggen: binnen het kader van haar onderneming – heeft verricht;

  • 10. dat de Inspecteur de over deze vergoedingen verschuldigde belasting derhalve terecht van belanghebbende heeft nageheven;’;

Overwegende dat het Hof op die gronden de aanslag heeft gehandhaafd;

De Hoge Raad heeft op het beroep in cassatie van belanghebbende overwogen;

dat het Hof zijn in rechtsoverweging 9 gegeven oordeel niet alleen, zoals belanghebbende betoogt, heeft gegrond op de in zijn rechtsoverweging 4 vermelde omstandigheden maar ook op zijn in rechtsoverweging 6 geformuleerde en in rechtsoverweging 5 gemotiveerde vermoeden;

dat het middel mitsdien in zoverre berust op een verkeerde lezing van ’s Hofs uitspraak;

dat het Hof zich van zijn evenbedoeld oordeel niet behoefde te laten weerhouden door de stellingen van belanghebbende – zouden deze al juist zijn – dat het vervullen van commissariaten in beginsel niet behoort tot de normale werkzaamheden van de leden van de maatschap en dat het vervullen van een commissariaat door een lid van de maatschap in beginsel slechts bij uitzondering geschiedt;

dat mitsdien het eerste middel niet tot cassatie kan leiden;

Overwegende omtrent het tweede middel:

dat de door het Hof in rechtsoverweging 4 in aanmerking genomen feitelijke omstandigheden en het in rechtsoverweging 6 geformuleerde in rechtsoverweging 5 gemotiveerde, vermoeden – die gelijkelijk gelden voor de beide commissariaten – ’s Hofs beslissing kunnen dragen zodat het Hof geen aandacht behoefde te schenken aan de wijze waarop het ene en het andere commissariaat is verkregen;

dat mitsdien ook het tweede middel niet kan slagen;

Verwerpt het beroep.

Gelet op het feit dat het in de praktijk mogelijk problemen met zich brengt ter zake van een commissariaat een factuur door de maatschap te laten uitreiken, ontmoet het bij mij geen bezwaar indien de factuur in voorkomende gevallen uitgereikt wordt door het desbetreffende maatschapslid, mits deze facturen worden opgenomen in de administratie van de maatschap. Een en ander heft uiteraard de verschuldigdheid van de belasting voor de maatschap niet op.

Voorts keur ik goed dat met betrekking tot de heffing van omzetbelasting ten aanzien van commissariaten op het verleden niet wordt teruggekomen.