Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit financiële toevoegingsgrenzen[Regeling vervallen per 01-04-2006.]

Geldend van 01-01-2006 t/m 31-03-2006

Besluit van 25 mei 1981, houdende vaststelling van het Besluit financiële toevoegingsgrenzen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 december 1980, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 669/680;

Gelet op artikel 9, zesde lid, van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden;

Gelet op artikel 860 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 1981, nr. 810114/10);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 21 mei 1981, nr. 261/681;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 1 [Vervallen per 01-04-2006]

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

  • b. wet: de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden;

  • c. inkomen: het inkomen, na aftrek van de over het bruto-inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies en pensioenpremie;

  • d. rechtsbijstand: overeenkomstig de wet kosteloos of met oplegging van een eigen bijdrage verleende rechtsbijstand;

  • e. gehuwden:

    • 1°. de in gezinsverband levende echtgenoten, of samenwonenden, met of zonder hun minderjarige kinderen;

    • 2°. een man of vrouw met de te zijner of te harer laste komende minderjarige kinderen;

  • f. ongehuwden:

    • 1°. meerderjarige niet gehuwde personen zonder ten laste van hen komende kinderen;

    • 2°. een minderjarige persoon van 16 jaar of ouder, die niet in het gezinsverband van de ouder(s) leeft;

    • 3°. een minderjarige persoon van 16 jaar of ouder, die in het gezinsverband van de ouder(s) levend, inkomsten heeft uit arbeid, dan wel een uitkering geniet op grond van een der sociale verzekeringswetten, de Wet Werkloosheidsvoorziening, of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet;

  • g. woonkosten:

    • 1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de prijs welke maandelijks is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte;

    • 2°. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente;

  • h. het bureau: het bureau van consultatie, bedoeld in artikel 1 van de wet.

Artikel 2 [Vervallen per 01-04-2006]

Rechtsbijstand wordt verleend aan de verzoeker, indien van zijn on- of minvermogen blijkt, doordat zijn financiële draagkracht beneden de bij en krachtens artikel 9, derde, vierde en vijfde lid van de wet, vastgestelde normen voor inkomen en beneden de in artikel 11 van dit besluit vastgestelde normen voor vermogen ligt.

Hoofdstuk II. De vaststelling van de financiële draagkracht en de toevoegingsgrenzen [Vervallen per 01-04-2006]

§ 1. Het inkomen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 3 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Het bureau stelt de draagkracht in het inkomen vast bij ieder verzoek om rechtsbijstand als bedoeld in de artikelen 11 en 19 van de wet voor de periode gedurende welke de gevraagde rechtsbijstand wordt verleend.

  • 2 Het bureau herziet de vaststelling van de draagkracht binnen de in het vorige lid bedoelde periode, indien wijziging van de omstandigheden daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Bij de vaststelling van de draagkracht worden in aanmerking genomen alle regelmatige inkomsten die de verzoeker geniet, voor zover deze ingevolge artikel 6 niet zijn vrijgelaten.

  • 2 Onze Minister kan nadere regelen geven omtrent de wijze waarop door hem aan te wijzen categorieën van inkomsten bij de vaststelling van het inkomen in aanmerking moeten worden genomen.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 De draagkracht in het inkomen wordt op maandbasis vastgesteld.

  • 2 Bij de vaststelling van het inkomen wordt:

    • a. Ten aanzien van de periodiek genoten inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over een of meer van de gebruikelijke betalingsperioden, voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek om rechtsbijstand werd gedaan;

    • b. ten aanzien van de niet-periodiek genoten inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over het jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek om rechtsbijstand werd gedaan. De onder a en b bedoelde inkomsten worden herleid tot een maandinkomen.

  • 3 Indien zich onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek om rechtsbijstand werd gedaan, aanmerkelijke wijzigingen in de hoogte van de inkomsten, bedoeld in het vorige lid, onder a en b, hebben voorgedaan, wordt daarmee bij de vaststelling van het inkomen rekening gehouden.

Artikel 6 [Vervallen per 01-04-2006]

Bij de vaststelling van het inkomen worden niet in aanmerking genomen:

  • a. uitkeringen ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;

  • b. door de overheid of een particuliere instelling toegekende studietoelagen ten behoeve van minderjarige kinderen van de verzoeker;

  • c. vakantie-uitkeringen op basis van het ten laste van de werkgever komende loon, dan wel ingevolge een der sociale verzekeringswetten, de Wet Werkloosheidsvoorziening of de Wet werk en bijstand;

  • d. bijdragen ingevolge de Wet op de huurtoeslag, jaarlijkse bijdragen ingevolge de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1975 (Stcrt. 1975, 34) en de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1979 (Stcrt. 1979, 76), alsmede toeslagen ingevolge de artikelen 6b en 6c van het Besluit landelijke normering (Stb. 1978, 56);

  • e. inkomsten uit vermogen, indien dat blijft beneden de in artikel 11 vastgestelde grens;

  • f. bijstand toegekend voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, alsmede andere uitkeringen voor daarmee vergelijkbare en ten laste van de betrokkene komende kosten.

Artikel 7 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Het overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 vastgestelde maandinkomen wordt verminderd met de volgende uitgaven op maandbasis:

    • a. het bedrag van de ten laste van de verzoeker blijvende premie van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten;

    • b. het bedrag van de ten laste van de verzoeker blijvende woonkosten voor zover zij een bedrag van f 630,- per maand niet te boven gaan en voor zover zij meer bedragen dan 20% van het inkomen;

    • c. de ten laste van de betrokkene blijvende betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van de gewezen echtgenoot en de niet in het gezinsverband van de verzoeker levende minderjarige kinderen.

  • 2 Voorts kan het ingevolge de artikelen 4, 5 en 6 vastgestelde maandinkomen worden verminderd met bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van de verzoeker komen en die hij gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn gezin betreffende, indien door deze uitgaven zijn financiële draagkracht aanmerkelijk wordt verminderd. De hier bedoelde uitgaven worden over een periode van een jaar in aanmerking genomen en op maandbasis vastgesteld.

§ 2. Het vermogen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Voor de vaststelling van het vermogen van de verzoeker wordt uitgegaan van de toestand zoals deze is op het tijdstip dat het verzoek om rechtsbijstand wordt gedaan.

  • 2 Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Voor de vaststelling van het vermogen wordt niet in aanmerking genomen:

    • a. de waarde van de eigen woning van de verzoeker voor zover deze, na aftrek van het bedrag, voor zover nog niet afgelost, van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan f 75.000,- bedraagt;

    • b. de waarde van de echtelijke woning voor zover deze, na aftrek van het bedrag, voor zover nog niet afgelost, van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan f 150.000,- bedraagt in de gevallen waarin het verzoek om rechtsbijstand geschillen tussen echtgenoten en gewezen echtgenoten betreft;

    • c. de waarde van vermogensbestanddelen die niet dan onder voor de verzoeker onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden te gelde kunnen worden gemaakt.

§ 3. De toevoegingsgrenzen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 10 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Nadat het inkomen van de verzoeker overeenkomstig paragraaf 1 van dit hoofdstuk is vastgesteld, beslist het bureau met inachtneming van de bij en krachtens artikel 9, derde, vierde en vijfde lid, van de wet gestelde inkomensnormen of hij voor rechtsbijstand overeenkomstig de wet in aanmerking komt.

  • 2 De eigen bijdrage wordt steeds bepaald op het bedrag dat bij het vastgestelde inkomen van de verzoeker ten hoogste kan worden opgelegd. Het bedrag van de opgelegde eigen bijdrage wordt op het toevoegingsbewijs vermeld.

Artikel 11 [Vervallen per 01-04-2006]

Geen kosteloze rechtsbijstand of rechtsbijstand tegen verminderd tarief wordt verleend, indien het overeenkomstig paragraaf 2 van dit hoofdstuk vastgestelde vermogen van de verzoeker meer bedraagt dan:

  • a. f 20.000,- voor een echtpaar en voor een één-ouder-gezin;

  • b. f 13.000,- voor een alleenstaande.

Hoofdstuk III. De verklaring omtrent inkomen en vermogen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 12 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 De verklaring bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet wordt afgegeven op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Justitie.

  • 2 De verklaring is geldig gedurende een jaar na de datum van afgifte, tenzij wijziging van de omstandigheden aanleiding geeft tot het verlangen van een nieuwe verklaring.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen [Vervallen per 01-04-2006]

Artikel 13 [Vervallen per 01-04-2006]

In het belang van de goede uitvoering van het bepaalde in dit besluit kan Onze Minister nadere regels stellen.

Artikel 14 [Vervallen per 01-04-2006]

  • 1 Dit besluit kan worden aangehaald als het Besluit financiële toevoegingsgrenzen.

  • 2 Het treedt in werking met ingang van 15 juni 1981.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Lage Vuursche, 25 mei 1981

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. de Ruiter

Uitgegeven de negende juni 1981

De Minister van Justitie,

J. de Ruiter