Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Toepassing van artikel 16 van de wet op de omzetbelasting 1968 jo. artikel 1, eerste [...] c, van het besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968[Regeling vervallen per 14-02-2009 met terugwerkende kracht tot en met 09-02-2009.]

Geldend van 04-02-1980 t/m 08-02-2009

Toepassing van artikel 16 van de wet op de omzetbelasting 1968 jo. artikel 1, eerste lid, letter c, van het besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
  • 1. Ik deel u mede dat de Hoge Raad der Nederlanden met betrekking tot de toepassing van de omzetbelastingwetgeving de volgende beslissingen heeft genomen.

    I. Arrest van 28 juni 1978, nr. 18.905.

    Busonderneming verstrekte om niet uniformkleding aan bij haar in dienst zijnde chauffeurs en controleurs.

    De uniformkleding wordt niet gebezigd voor het uitkeren van loon in natura, noch voor andere persoonlijke doeleinden van haar personeel, een en ander als bedoeld in artikel 1, lid 1, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het verbruik van de verstrekkingen kan kennelijk niet tot toepassing van genoemd besluit leiden indien en voor zover dit verbruik niet zelf in de consumptieve sfeer plaatsvindt.

    Belanghebbende, ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet), verzorgt het openbaar vervoer per bus – zowel streekvervoer als stadsdiensten – in een gedeelte van de provincie A.

    Belanghebbende verstrekt om niet aan de bij haar in dienst zijnde buschauffeurs en controleurs uniformkleding onder de volgende voorwaarden en bepalingen:

    de kleding blijft gedurende de voorgeschreven draagtijd het eigendom van belanghebbende;

    de ten gebruikte verstrekte kleding dient tijdens het werk te worden gedragen;

    het dragen van die kleding buiten werktijd is verboden;

    tweemaal per jaar mag die kleding op kosten van belanghebbende chemisch worden gereinigd. De kosten dienen door het reinigingsbedrijf rechtstreeks aan belanghebbende in rekening te worden gebracht;

    bij ontslag moet die kleding, voor zover de draagtijd niet is verstreken, worden ingeleverd;

    na afloop van de draagtijd wordt die kleding om niet, aan de gebruikers in eigendom overgedragen.

    In 1969 en in 1971 heeft belanghebbende aan 600 buschauffeurs en controleurs uniformkleding verstrekt en wel in elk van die jaren aan iedere buschauffeur en controleur 1 colbert en 2 pantalons, 3 overhemden en 2 zelfbinders.

    De colberts en pantalons werden door een confectiebedrijf in opdracht van belanghebbende uit door haar ter beschikking gestelde uniformstof vervaardigd. De overhemden en de zelfbinders kocht zij kant en klaar in.

    Belanghebbende heeft de omzetbelasting, welke haar ter zake van de levering van de uniformstof, ter zake van de oplevering van de uniformen en ter zake van de levering van de overhemden en de zelfbinders in rekening is gebracht, op de voet van artikel 15 van de Wet als voorbelasting volledig in aftrek gebracht. Voorts heeft zij ter zake van de verstrekking van de uniformkleding geen omzetbelasting voldaan.

    De inspecteur is van oordeel, dat de verstrekking van de uniformkleding moet worden aangemerkt als een uitkering van loon in natura, zodat ingevolge artikel 1, eerste lid, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek voorbelasting (het Besluit) de belasting, welke op die kleding drukt, niet voor aftrek in aanmerking komt.

    Als consequentie van deze zienswijze is belanghebbende ter zake van het beschikken over de in haar opdracht onder terbeschikkingstelling van stof vervaardigde colberts en pantalons ingevolge artikel 3, eerste lid, letter h, van de Wet omzetbelasting verschuldigd.

    De Tariefcommissie heeft omtrent het geschil overwogen:

    ‘In geding is de vraag, of belanghebbende de door haar van andere ondernemers betrokken, casu quo de in haar opdracht onder terbeschikkingstelling van stoffen door andere ondernemers vervaardigde uniformkleding, welke zij om niet aan in haar dienst zijnde buschauffeurs en controleurs in gebruik heeft gegeven, heeft gebezigd voor het uitkeren van loon in natura, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel, in de zin van artikel 1, lid 1, onder c, van het Besluit.

    Gelet op de voorwaarden en bepalingen, waaronder de verstrekking van deze uniformkleding heeft plaatsgehad – in het bijzonder de bepalingen, dat de kleding gedurende de voorgeschreven draagtijd het eigendom blijft van belanghebbende, dat het personeel verplicht is om de kleding tijdens het werk te dragen en dat het dragen ervan buiten de werktijden is verboden – is de Tariefcommissie van oordeel, dat belanghebbende met die verstrekking heeft beoogd haar eigen bedrijfsbelang te dienen en geenszins de voorziening in de persoonlijke behoeften aan kleding van haar personeel.

    Uit deze bepalingen leidt de Tariefcommissie af, dat belanghebbende bedoelde uniformkleding bezigt om (mede) daardoor zich tegenover het publiek te presenteren en bij het publiek een beeld van haar bedrijf te vormen, zulks onafhankelijk van de vraag of daarmede ook persoonlijke doeleinden van haar personeel zouden worden gediend, hetwelk – naar belanghebbende stelt en aan de Tariefcommissie aannemelijk voorkomt – daar veelal geen behoefte aan heeft.

    Onder deze omstandigheden behoort de verstrekking van de uniformkleding niet tot datgene wat de betrokken buschauffeurs en controleurs ontvangen als tegenprestatie voor het verrichten van hun arbeid. Ook kan niet worden geoordeeld, dat die bedrijfskleding de ondernemingssfeer heeft verlaten en door particulieren worden verbruikt, ook niet indien het dragen van uniformkleding tijdens de werktijd enige besparing op de kosten van privé-kleding bij de betrokken personeelsleden tot gevolg zou hebben.

    Mitsdien heeft naar het oordeel van de Tariefcommissie belanghebbende de uniformkleding niet gebezigd voor het uitkeren van loon in natura, noch voor andere persoonlijke doeleinden van haar personeel, zodat met betrekking tot die kleding het Besluit, zowel naar de tekst als naar de daarmede beoogde doelstelling, toepassing mist en de ter zake van de levering van die uniformkleding in rekening gebrachte omzetbelasting op de voet van artikel 15, eerste lid, van de Wet voor aftrek in aanmerking komt.’

    De Hoge Raad heeft overwogen:

    ‘dat de Tariefcommissie onder meer heeft vastgesteld dat de verstrekking van de uniformkleding niet behoort tot datgene wat de betrokken buschauffeurs en controleurs ontvangen als tegenprestatie voor het verrichten van hun arbeid en dat belanghebbende met die verstrekking geenszins heeft beoogd de voorziening in de persoonlijke behoeften aan kleding van haar personeel;

    dat reeds deze vastgestelde omstandigheden medebrengen dat, zoals de Tariefcommissie heeft beslist, belanghebbende de uniformkleding niet heeft gebezigd voor het uitkeren van loon in natura, noch voor andere persoonlijke doeleinden van haar personeel, een en ander als bedoeld in artikel 1, lid 1, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968;

    dat hieruit volgt dat aan het oordeel van de Tariefcommissie, inhoudende dat de bedrijfskleding de ondernemingssfeer niet heeft verlaten en niet door particulieren wordt verbruikt, te dezen geen zelfstandige betekenis toekomt, zodat het tweede onderdeel van het middel niet tot cassatie kan leiden;

    dat het eerste onderdeel van het middel, waarin wordt betoogd dat de Tariefcommissie aan het – mede in haar overwegingen betrokken – beoogde bedrijfsbelang van belanghebbende beslissende betekenis heeft toegekend, feitelijke grondslag mist en derhalve evenmin doel kan treffen;

    dat aan het voorgaande niet afdoet, dat indien het verbruik van bepaalde verstrekkingen, zoals uniformkleding, alleen het bedrijfsbelang dient, het zeer wel mogelijk is dat daarvan een besparing op particuliere uitgaven – bij voorbeeld van ‘gewone’ kleding – en daardoor een vermeerdering van draagkracht het gevolg is, waarmee voor de heffing van de loonbelasting rekening moet worden gehouden;

    dat het verbruik van die verstrekkingen niet tot toepassing van het Besluit kan leiden, indien en voor zover dit verbruik niet zelf in de consumptieve sfeer plaatsvindt.’

    II. Arrest van 3 oktober 1979, nr. 19.358.

    Belanghebbende geeft aan haar personeel gelegenheid tot het gratis parkeren van hun auto in een door haar gehuurd gedeelte van een parkeergarage. De ter zake van de verhuur aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting heeft zij volledig in aftrek gebracht.

    Hoge Raad: de aan belanghebbende verrichte dienst, bestaande in de verhuur van een gedeelte van de garage, wordt door haar mede gebezigd voor persoonlijke doeleinden van haar personeel. Mitsdien komt – gelet op artikel 1, eerst lid, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 – in zoverre de haar ter zake van de verhuur in rekening gebrachte omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking.

    Volgt verwerping van het beroep.

    De Hoge Raad der Nederlanden heeft overwogen:

    ‘dat uit de bestreden uitspraak blijkt dat belanghebbende een jegens haar verrichte dienst, bestaande uit verhuur van een gedeelte van een parkeergarage, mede heeft gebezigd voor het aan haar werknemers geven van gelegenheid tot gratis parkeren van eigen auto’s.

    dat aan het middel in zijn beide onderdelen ten grondslag ligt de stelling dat aftrek van de te dier zake aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting niet is uitgesloten omdat belanghebbende, door die dienst mede te bezigen voor het aan haar werknemers geven van gelegenheid tot gratis parkeren van eigen auto’s, geen behoeften van die werknemers heeft bevredigd als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    dat deze stelling echter niet juist is;

    dat immers ingevolge artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 – welk besluit bij de Wet van 2 juli 1969, Staatsblad 306, is goedgekeurd zodat van toetsing aan het bepaalde in voormeld artikel 16, lid 1, geen sprake kan zijn – volgt dat aftrek van voorbelasting is uitgesloten onder meer indien, gelijk te dezen het geval is, goederen of diensten worden gebezigd voor persoonlijke doeleinden van het personeel van de ondernemer;

    dat onderdeel b van het middel, blijkens de toelichting voorts ertoe strekt te betogen dat aftrek van voorbelasting naar de bedoeling van de wetgever alleen dan is uitgesloten indien verstrekkingen door de werkgever leiden tot belangrijke besparingen van uitgaven van het personeel of tot verstoring van de concurrentieverhoudingen;

    dat echter uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde goedkeuringswet blijkt dat deze bedoeling in artikel 3 van het Besluit is gerealiseerd door de uitsluiting of beperking van aftrek voor alle in artikel 1, letters b en c, bedoelde prestaties niet te doen gelden indien deze per persoon en per boekjaar niet meer bedragen dan f 250;

    dat, nu uit ’s-Hofs uitspraak blijkt dat de kosten per werknemer van de jegens belanghebbende verrichte dienst van verhuur van een gedeelte van de parkeergarage dit bedrag overtreffen, voor toepassing van genoemd artikel 3 geen plaats is;

    dat het middel derhalve in geen van zijn beide onderdelen kan slagen;

    Verwerpt het beroep.’

  • 2. Bij arrest van 12 juni 1974, nr. 17296 (medegedeeld bij aanschrijving van 29 juli 1974, nr. B74/14396, BTW/R-74) heeft de Hoge Raad beslist dat het verzorgen van het woon-werkverkeer van de werknemer door de werkgever is aan te merken als het uitkeren van loon in natura en voorts dat een werknemer die van en naar de plaats van de werkzaamheden rijdt zulks niet doet in het kader van de uitoefening van de onderneming van de werkgever. Gelet op deze beslissingen acht ik het juist dat de Hoge Raad bij het hiervoor onder II. Weergegeven arrest van 3 oktober 1979, nr. 19.358, ook ten aanzien van het gelegenheid geven tot parkeren van een voor het woon-werkverkeer gebruikte auto nog het standpunt inneemt dat terzake het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 van toepassing is.

    Ook uit het hiervoor onder I. weergegeven arrest van 28 juni 1978, nr. 18.905, kan worden afgeleid dat de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen goederen en diensten die uitsluitend een bedrijfsbelang dienen en goederen en diensten die (mede) worden gebruikt voor persoonlijke doeleinden van het personeel. Het zal duidelijk zijn dat een scherpe grens tussen deze beide categorieën moeilijk valt te trekken. Het is overigens niet de bedoeling dat meergenoemd Besluit wordt toegepast op niet uitsluitend aan de parkeergarage of parkeerplaats toe te rekenen gangen, trappen en liften. Evenmin dient het besluit toepassing te vinden ten aanzien van garderobes en sanitaire voorzieningen. Dit houdt mede in dat de genoemde voorzieningen ook voor het bepalen van de f 500-grens buiten aanmerking dient te blijven.

    Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat de uitsluiting van de aftrek van de op de parkeervoorzieningen drukkende omzetbelasting niet aan de orde komt voor zover het betreft de gevallen waarin werknemers hun werkzaamheden op verschillende plaatsen verrichten, bedoeld aan het slot van de aanschrijving van 17 december 1969, nr. B69/13261 (OB/BTW-196), herdrukt d.d. 25 april 1975, nr. B75/8818.