Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

I.M.B. 1979[Regeling vervallen per 01-07-2009.]

Geldend van 26-11-2004 t/m 30-06-2009

I.M.B. 1979

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358),

Besluit:

  • I. in te trekken het besluit van 26 januari 1955, houdende instructie voor de meting van binnenvaartuigen (Stcrt. 1955, 25).

  • II. de navolgende instructie voor de meting van binnenvaartuigen vast te stellen.

Artikel 1 [Vervallen per 01-07-2009]

Begripsbepalingen

In deze instructie wordt onder ‘Besluit’ verstaan het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 (Stb. 1979, 358). De instructie neemt over de terminologie van het Besluit en verstaat voorts onder:

Scheepslengte:

de grootste lengte van de romp, roer en boegspriet niet inbegrepen;

Scheepsbreedte:

de grootste breedte van de romp, gemeten op buitenkant huid, berghouten en andere uitstekende delen niet meegerekend;

Veiligheidsafstand:

de afstand tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt waarboven het schip niet meer als waterdicht wordt beschouwd;

Lastlijn:

de diepgangslijn overeenkomende met het vlak van de grootste toegelaten diepgang;

Vrijboord:

de afstand, vertikaal gemeten, tussen de lastlijn en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord, of bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord.

Artikel 2 [Vervallen per 01-07-2009]

Aanvraag tot meting, hermeting, of controlemeting

Voor het aanvragen van een meting, hermeting of controlemeting wordt gebruik gemaakt van het formulier Scheepsmeting nr. 15. Dit formulier dient alle formele gegevens te bevatten, welke nodig zijn om de meetbrief te kunnen samenstellen en is tevens het bewijsstuk, waarmede bij wanbetaling de kosten kunnen worden gevorderd. De ambtenaar van de divisie Scheepvaart is gehouden het door belanghebbende ingevulde aanvraagformulier te controleren: wijziging mag alleen in het bijzijn van belanghebbende geschieden, die zodanige wijziging moet paraferen.

Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2009]

Voorwaarden tot meting, hermeting of controlemeting

  • 1 Indien in brak of zout water wordt gemeten, dient de ledige diepgang te worden gecorrigeerd.

    Het soortelijk gewicht van het water dient in het meetboekje vermeld te worden.

  • 2 Alvorens tot de meting over te gaan, overtuigt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart zich, dat alles wat zich volgens artikel 4 van het Besluit aan boord moet bevinden, ook werkelijk aanwezig is.

  • 3 De ambtenaren van de divisie Scheepvaart moeten zich voortdurend op de hoogte houden van hetgeen voor de volledige uitrusting van elk soort van vaartuigen nodig is, zoals de hoeveelheden zeilen, touwen, kettingen, ankers, provisiën, enz. en van het aantal leden van de bemanning. Ten aanzien van het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig zoals drijvende kranen, bokken, elevators, enz. wordt aangenomen, dat dit behoort tot de uitrusting van het vaartuig. Is de uitrusting niet volledig, dan moet zij, voordat met de meting wordt begonnen, worden aangevuld.

  • 4 Voorwerpen en goederen, niet behorend tot die, welke volgens artikel 4 van het Besluit aanwezig moeten zijn, met name brandstof voor het voortstuwingswerktuig, of voor andere werktuigen of ketels, verplaatsbare ballast en lading, mogen zich niet aan boord bevinden.

  • 5 Het schip moet voor de meting behoorlijk schoon zijn; op de bodem mag geen water aanwezig zijn.

  • 6 Het vaartuig moet gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stilliggen.

  • 7 Zolang aan de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde voorwaarden niet is voldaan, dient de meting te worden geweigerd.

Artikel 4 [Vervallen per 01-07-2009]

Te meten inhoud

  • 1 Regel I: Voor schepen bestemd of ingericht voor het vervoer van goederen

    De te meten inhoud is de inhoud buitenwerks van het waterdichte gedeelte van de romp begrepen tussen;

    de lastlijn, door de ambtenaar van de divisie Scheepvaart vast te stellen krachtens artikel 5 van het Besluit, en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.

  • 2 Regel II: Voor schepen niet bestemd noch ingericht voor het vervoer van goederen

    De te meten inhouden zijn:

    • a. de inhoud buitenwerks van het waterdichte gedeelte van de romp begrepen tussen de lastlijn, met inachtneming van artikel 5 van het Besluit, en het vlak ter hoogte van de onderkant van het vaartuig;

    • b. de inhoud buitenwerks van het waterdichte gedeelte van de romp begrepen tussen de lastlijn en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.

Artikel 5 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 6 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2009]

Overzicht van vaarwegen in Nederland

Bij het bepalen van de lastlijn worden de zones 2, 3 en 4 in aanmerking genomen.

Zone 2:

  • Dollard

  • Eems

  • Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen naar de Noordzee

  • IJsselmeer, met inbegrip van Markermeer en IJmeer, met uitzondering van Gouwzee

  • Nieuwe Waterweg en het Scheur

  • Calandkanaal ten westen van de Beneluxtunnel

  • Breediep, Beerkanaal en de op het Beerkanaal aanluitende havens

  • Hollands Diep

  • Haringvliet en Vuile Gat, met inbegrip van alle vaarwateren tussen Goeree-Overflakkee enerzijds en Voorne-Putten en de Hoekse Waard anderzijds

  • Hellegat

  • Volkerak

  • Krammer

  • Grevelingen en Brouwershavense Gat, met inbegrip van alle vaarwateren tussen Schouwen-Duiveland enerzijds en Goeree-Overflakkee anderzijds Keten, Mastgat, Zijpe

  • Krabbenkreek

  • Oosterschelde en Roompot, met inbegrip van de vaarwateren tussen Walcheren Noord- en Zuid-Beveland enerzijds en Schouwen-Duiveland en Tholen anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal

  • Schelde en Westerschelde en zijn uitmonding naar Zee, met inbegrip van de vaarwateren tussen Zeeuws-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal.

Zone 3;

  • Sneekermeer, Koevordermeer, Heegermeer, Fluessen, Slotermeer, Tjeukemeer, Beulakkerwijde, Belterwijde, Ramsdiep, Ketelmeer, Zwartemeer, Veluwemeer, Eemmeer, Gooimeer, Alkmaardermeer, Gouwzee, Buiten IJ, afgesloten IJ, Noordzeekanaal, haven IJmuiden, havengebied van Rotterdam, Europoort, Calandkanaal en Hertelkanaal, Nieuwe Maas, Noord, Oude Maas, Beneden Merwede, Nieuwe Merwede, Dordtsche Kil, Boven Merwede, Waal, Bijlandsch Kanaal, Boven Rijn, Pannerdensch Kanaal, Geldersche IJssel, Neder Rijn, Lek, Amsterdam-Rijnkanaal, Veerse Meer, Schelde-Rijnkanaal van de landsgrens tot uitmonding in Volkerak, Amer, Bergsche Maas. Maas beneden Venlo.

Zone 4;

  • Alle overige rivieren, kanalen en meren, niet genoemd onder zones 2 en 3.

Artikel 8 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 9 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 10 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 11 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 12 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 13 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 14 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 15 [Vervallen per 01-07-2009]

Algemene bepalingen de lastlijn betreffende

  • 1 Een stringerhoekstraal, dienende om het dek of gangboord met de zijbeplating van een vaartuig te verbinden, mag voor de bepaling van de lastlijn niet als dek of als gangboord worden aangemerkt;

    de verschansing of het boeisel blijft eveneens buiten beschouwing. Cement of een andere dekbedekking van bitumineuze of soortgelijke samenstelling mag evenmin als dek of gangboord worden aangemerkt.

  • 2a Indien deugdelijke lichtranden of patrijspoorten in het boord zijn aangebracht, wordt de lastlijn niet hoger genomen dan 10 cm beneden het vlak van de onderkant van de glazen van lichtranden of 30 centimeter beneden het vlak van de onderkant van de dagopeningen van patrijspoorten.

  • 2b Als patrijspoorten of lichtranden behoren alleen te worden aangemerkt die openingen in de wanden van het schip, welke in verband met de bouw en de bestemming van het vaartuig noodzakelijk zijn te achten voor de toetreding van licht en lucht. Mocht de ambtenaar van de divisie Scheepvaart menen, dat in enig vaartuig openingen zijn aangebracht met de kennelijke bedoeling een kleinere verplaatsing te krijgen, dan behoort hij met betrekking tot de vaststelling van de lastlijn instructie te vragen aan de inspecteur-generaal, onder overlegging van een duidelijke situatieschets met alle nodige bijzonderheden.

  • 3 Kleine openingen in het dek, of in een luikhoofdplaat, die in voldoende mate tegen het binnendringen van water kunnen worden afgesloten, zoals openingen voor het doorlaten van middelen tot het behandelen van de mast, pompkokeropeningen, vulopeningen, mangaten en dergelijke, worden bij het vaststellen van de lastlijn niet in aanmerking genomen.

  • 4 De inspecteur-generaal is gemachtigd in bijzondere gevallen de lastlijn hoger of lager vast te stellen, doch nimmer hoger dan de bovenkant van het dek op het laagste gedeelte van het schip.

Artikel 16 [Vervallen per 01-07-2009]

Algemene bepalingen de lastlijn betreffende voor vaartuigen, welke niet bestemd noch ingericht zijn voor het vervoer van goederen, zoals genoemd in het vijfde lid van artikel 5 van het Besluit

  • 1 Voor deze vaartuigen mag de lastlijn niet lager worden vastgesteld dan die, welke werkelijk wordt bereikt indien bij het volledig uitgeruste schip de bemanning alsmede de brandstoffen en watervoorraden volledig aan boord zijn.

    Voor deze voorraden moet worden uitgegaan van de totale capaciteit van de brandstoftanks, en die van de watertanks (waterballast inbegrepen).

    Voor schepen gebezigd als middel tot vervoer van personen, waarvoor geen veiligheidslijn behoort te worden vastgesteld, moet daarbij tevens worden gerekend op het gewicht van het aantal passagiers, dat in verband met plaatselijke verordeningen aan boord mag worden toegelaten, met inbegrip van dat van de bagage en de proviand bestemd voor deze passagiers.

    Bij hefwerktuigen dient het hefvermogen te worden meegerekend.

  • 2 Het vrijboord mag evenwel nimmer kleiner worden dan de waarde die uit de voorschriften van artikel 5 van het Besluit volgt.

  • 3 Graanelevators, kraanpontons, kolentransporteurs, baggermolens, zuigers, hijsbok- en hijskraanpontons en dergelijke vaartuigen, zonder ruimte voor het innemen en vervoeren van lading, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het tweede lid van artikel 4, tenzij deze vaartuigen ingericht of bestemd zijn om lading aan dek te vervoeren.

    Veerboten en veerponten, waarmede behalve passagiers ook al of niet met goederen beladen voertuigen worden overgebracht en schepen waarin of waarop goederen worden opgeslagen, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het eerste lid van artikel 4.

Artikel 17 [Vervallen per 01-07-2009]

Algemene bepalingen bij de uitvoering van de meting

  • 1 Is het vaartuig in de toestand gebracht, als is aangegeven in artikel 7 van het Besluit en artikel 3 van deze beschikking dan wordt de plaats van de ijkmerken en zo nodig van de ijkschalen in lengterichting vastgesteld. De ijkmerken, waarvan de onderkant dient samen te vallen met de lastlijn, moeten in paren op de zijden van het vaartuig worden aangebracht. De ijkmerken dienen duidelijk zichtbaar en symmetrisch ten opzichte van het langsscheepse middenvlak te zijn geplaatst. Elk ijkmerk moet bestaan uit een rechthoek, waarvan de horizontale lijn 30 centimeter lang en de hoogte 4 centimeter is, en voorzien zijn van een verticale lijn van 20 centimeter lengte, geplaatst loodrecht onder het midden van de onderste horizontale lijn. De lijnen moeten worden ingebeiteld of gecenterd.

  • 2 De vlakken die door de verticale lijnen van de ijkmerken gaan, moeten op gelijke afstand uit elkaar geplaatst en symmetrisch verdeeld zijn ten opzichte van het zwaartepunt van de waterlijn gelegen op de halve hoogte tussen het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de lastlijn.

  • 3 Voor vaartuigen, waarvan de lengte kleiner is dan 40 meter, bedraagt het aantal ijkmerken aan elke zijde twee. Is de lengte 40 meter of meer dan bedraagt het aantal ijkmerken aan elke zijde ten minste drie.

    Tenzij belanghebbende vorengenoemd aantal ijkmerken verzoekt, wordt bij schepen, die niet bestemd noch ingericht zijn voor het vervoer van goederen, één ijkmerk op de halve lengte, aan elke zijde aangebracht.

  • 4 Indien ijkschalen, als bedoeld in artikel 10 van het Besluit, worden aangebracht, moet het nulpunt daarvan gelijk zijn met de onderkant van de romp ter plaatse van de schaal of indien er een kiel is, gelijk met de onderkant van de kiel ter plaatse van de schaal.

    De ijkschalen moeten op de romp onder de ijkmerken worden aangebracht.

  • 5 Ook worden bepaald de verticale afstanden tussen het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en dat ter hoogte van de onderkant van het vaartuig, bij het laagste punt in de dwarsdoorsneden ter plaatse van de ijkmerken.

    Daarbij worden uitstekende delen onder het vlak, zoals b.v. versterkingshoekstalen, halfronden, glijstrippen en dubbelingen buiten beschouwing gelaten.

  • 6 Voorts wordt de positie van de lastlijn bepaald overeenkomstig de artikelen 5 t/m 16 van deze instructie en worden de grootste lengte en de grootste breedte van de romp gemeten (rubriek 18 en 19 van bijlage 1 van het Besluit). De grootste lengte wordt hierbij genomen zonder het roer, doch bij schepen, waarvan de spiegel zich niet achter de roersteven uitstrekt, met inbegrip van de vast aan de steven bevestigde vingerlingen.

  • 7 Daarna geschiedt het bepalen van de verplaatsing overeenkomstig een der beide volgende regels, naar gelang het vaartuig al of niet bestemd is voor het vervoer van goederen.

Artikel 18 [Vervallen per 01-07-2009]

Uitvoering van de meting voor schepen bestemd voor het vervoer van goederen (regel I)

  • 1 Bij de hier bedoelde vaartuigen, wordt het te meten gedeelte van de scheepsromp d.i. het gedeelte tussen de lastlijn en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, verdeeld in ten minste drie delen, namelijk het voorschip, het middenschip en het achterschip. Die verdeling geschiedt door verticale vlakken loodrecht op het vlak van inzinking van het ledige vaartuig zodanig genomen als in verband met de bouw van het schip naar het oordeel van de ambtenaar van de divisie Scheepvaart de meest nauwkeurige uitkomst moet geven.

    Bij schepen met een overhellend voor- en achterschip wordt het boeg- en/of hekdeel afzonderlijk gemeten.

  • 2 Het te meten gedeelte wordt daarna, te beginnen met het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, door vlakken verdeeld in schijven van gemiddeld één decimeter hoogte, met dien verstande, dat de bovenste schijf een andere gemiddelde hoogte kan hebben. Bij schepen, waarvan de vlakken van ledige en van grootste toegelaten diepgang niet evenwijdig lopen, en waarbij de hoogte dus niet overal dezelfde is, wordt als hoogte (laadhoogte) tussen beide diepgangen genomen het gemiddelde van de laadhoogten, die ter plaatse van de ijkmerken zijn opgenomen.

    De plaats der ijkmerken wordt zo nodig gecorrigeerd in verband met de ligging van het zwaartepunt van de waterlijn gelegen op de halve laadhoogte, op een wijze die door het Hoofd van de Scheepsmetingdienst zal worden bepaald. De vlakken worden verder als horizontale vlakken aangeduid.

  • 3 Figuur 4 in de bijlage dient ter verduidelijking van het volgende.

  • 4 In elk horizontaal vlak worden loodrecht op de lengte-as van het schip ten minste de volgende wijdten gemeten:

    Vijf in het voorschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼ op ½ en op ¾ der lengte Lv (V1 t/m V5);

    Drie in het middenschip en wel op ¼, op ½ en op ¾ der lengte Lm (M2, M3 en M4);

    Vijf in het achterschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼, op ½ en op ¾ der lengte La (A1 t/m A5).

  • 5 Daar het gebruik van de regel van Simpson een voldoende nauwkeurigheid waarborgt is het in het algemeen, ook bij lange schepen, niet nodig in het middenschip meer dan drie wijdten te meten.

    Mocht het bij uitzondering wenselijk geacht worden, dan kunnen ook in dit gedeelte vijf wijdten gemeten worden, welke alle op onderlinge gelijke delen der lengte van het middenschip genomen worden (M2 t/m M6).

  • 6 Volgens de regel van Simpson wordt de oppervlakte van elk horizontaal vlak gevonden door toepassing van de volgende formules:

    • I. Indien in het middenschip drie wijdten gemeten zijn:

      Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 1V4 + V5) + 1/12 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + M5) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5);

    • II. Indien in het middenschip vijf wijdten gemeten zijn:

      Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 4V4 + V5) + 1/18 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + 2M5 + 4M6 + M7) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5).

  • 7 Wanneer de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het nodig oordeelt, kan hij het voor-, midden- of achterschip in een groter aantal vlakken verdelen. In dat geval moet de verdeling zodanig plaatsvinden, dat elk gedeelte een even aantal vlakken van onderling gelijke lengte bevat.

  • 8 Is de scheepsvorm aan áán der uiteinden zodanig, dat de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het wenselijk acht dit gedeelte afzonderlijk te meten, dan moet hij ook hiervoor de regel van Simpson toepassen, tenzij het te meten vlak door rechte lijnen is begrensd in welk geval de trapeziumregel mag worden toegepast.

  • 9 De aldus bepaalde oppervlakte van het uiteinde van elk horizontaal vlak wordt opgeteld bij de oppervlakte, als bepaald is volgens het zesde lid, onder I of II van dit artikel.

  • 10 Duidt men de vlakken te beginnen van ondéren, aan door letters A, B, enz., dan is de inhoud van:

    de 1e schijf =

    (A + B) x h;

     

    2

    de 2e schijf =

    (B + C) x h enz.,

     

    2

    waarin h de hoogte van de schijf voorstelt: welke hoogte behalve in de bovenste schijf, steeds één decimeter is. De hoogte van de bovenste schijf kan worden bepaald met een nauwkeurigheid van tiende delen van een centimeter.

  • 11 In iedere schijf wordt een verplaatsing voor elke centimeter inzinking verkregen door de inhoud van de schijf te delen door haar hoogte, uitgedrukt in centimeters.

  • 12 De som van de inhouden der schijven wijst de totale verplaatsing aan.

  • 13 De afmetingen worden zoveel mogelijk buitenwerks genomen.

Artikel 19 [Vervallen per 01-07-2009]

Uitvoering van de meting voor schepen, die niet bestemd noch ingericht zijn voor het vervoer van goederen (regel II)

Voor vaartuigen met een normale scheepsvorm dienen de metingen van de verlangde waterverplaatsingen als volgt aan boord, zo nodig met behulp van betrouwbare tekeningen, te worden uitgevoerd.

  • 1 Nadat de lengte (l1) van het vlak van ledige inzinking van het volledig uitgeruste schip is bepaald, wordt op de helft van deze lengte de diepgang (d1) vastgesteld, alsmede de maximum breedte (b1) in dit vlak van inzinking (zie fig. 5 Bijlage).

    Daarna wordt de lengte van de waterlijn in genoemd vlak in 6 à 8 delen verdeeld en de breedten op de deelpunten bepaald. Bij een geknikte vorm van de waterlijn dient de lengte op het knikpunt eerst in delen verdeeld te worden en de aldus ontstane delen op de omschreven wijze te worden gemeten.

    Bij het berekenen van het waterlijn-oppervlak (O) dient de regel van Simpson te worden gebruikt.

    Hierna wordt de volheidscoëfficient (c) van de waterlijn bepaald met

    de formule c =

     

    O

     

    l1 x b1

    De blokcoëfficiënt (c1) van het ledige vaartuig wordt bij benadering bepaald uit de formule c1 = c √c.

    De waterverplaatsing (V1) van het ledige vaartuig wordt daarna als volgt gevonden: V1 = I1 × b1 × d1 × c1.

    De waterverplaatsing (V2) tot de lastlijn is gelijk aan V1 vermeerderd met het totale gewicht van de belading (B), als omschreven in artikel 16.

    V2 = V1 + B (Meetbrief rubriek 34). De laadhoogte (h) wordt gevonden uit

    de formule h =

    B

    O

    Daaruit volgt de diepgang (d2) tot de lastlijn d2 = d1 + h.

    Deze diepgang mag evenwel niet groter zijn dan de toelaatbare diepgang verkregen bij toepassing van artikel 5.

    Indien deze diepgang (d2) kleiner is dan de toelaatbare diepgang, verkregen bij toepassing van artikel 5, volgt de waterverplaatsing tot de lastlijn uit de formule V2 = V1 + h × O (Meetbrief rubriek 34).

    In zodanig geval, waarbij de lastlijn lager geplaatst is dan bij toepassing van artikel 5 het geval zou zijn dient belanghebbende overeenkomstig het vierde lid van artikel 5 van het Besluit, het lager plaatsen van de lastlijn, schriftelijk te verzoeken.

    De waterverplaating tussen de vlakken van ledige en beladen diepgang bedraagt: V3 = h × O (Meetbrief rubriek 36).

  • 2 Voor vaartuigen met een rechthoekige vorm zoals baggermolens, woonschepen en dergelijke, kunnen de waterverplaatsingen op eenvoudiger wijze gevonden worden.

    Hierbij dient evenwel rekening gehouden te worden met eventuele afrondingen van de romp, oplopende gedeelten van het vlak en een open bun.

  • 3 Bij deze schepen worden geen opvolgende waterverplaatsingen per centimeter inzinking tussen het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de lastlijn bepaald, terwijl zij in verband daarmede ook niet van ijkschalen worden voorzien.

Artikel 20 [Vervallen per 01-07-2009]

Algemene bepalingen voor werkzaamheden na afloop van de mèting

  • 1 Na afloop van de meting en vóór de afgifte van de meetbrief dienen de ijkmerken of de ijkplaten te worden aangebracht.

  • 2 In plaats van de ijkmerken als omschreven in artikel 17, kunnen de merken ook bestaan uit ijkplaten van ten minste 30 cm lengte en 4 cm hoogte. De onderkant van de ijkplaat geeft de lastlijn aan. De ijkplaat heeft evenals het ijkmerk een verticale lijn van 20 cm lengte, te plaatsen loodrecht onder het midden van de onderkant van de ijkplaat. (Zie bijlage, figuur 6).

    De lijnen van het ijkmerk moeten op stalen schepen worden ingebeiteld. Op houten en betonnen schepen dienen ijkplaten te worden aangebracht. Op betonnen schepen en schepen van ander materiaal dan staal of hout dient de bevestiging van deze platen door belanghebbende, ten genoege van de ambtenaar van de divisie Scheepvaart te worden uitgevoerd.

  • 3 In alle ijkmerken of op alle ijkplaten wordt het metingswerk met letters en cijfers van 2½ à 3 cm hoogte ingeslagen, bestaande uit de hierna omschreven aanduidingen (zie bijlage, figuur 6):

    • a. de onderscheidingsletters HN, en;

    • b. het nummer van de meetbrief.

  • 4 In het geval dat een vaartuig regelmatig verkeert in zone 4 en bij uitzondering in een zone 2 of 3 en waarbij, nadat voor laatstgenoemde zone ook een vrijboordberekening is gemaakt, blijkt dat een groter vrijboord noodzakelijk is, dient het ijkmerk uitgevoerd te worden zoals figuur 7 van de bijlage aangeeft. In een dergelijk geval worden voor de ijkmerken toegevoegde horizontale lijnen ingehakt met een lengte van 15 cm en een hoogte van 3 cm, terwijl daarnaast op gelijk niveau het bijbehorende cijfer van de zone dient te worden ingehakt met een hoogte van 6 cm en een breedte van 4 cm. De toegevoegde verticale lijn wordt ingehakt met een breedte van 3 cm. De toegevoegde lijnen en cijfers moeten op gelijke wijze als het ijkmerk geschilderd zijn. De diepgang mag in de desbetreffende zone niet meer zijn dan de onderkant van de toegevoegde lijn aangeeft. Van de aanbrenging ervan dient in de meetbrief een aantekening gesteld te worden bij rubriek 37 als volgt:

    • (37) ZONE (b.v.) 4, met aparte lijnen naast de ijkmerken voor de zones 2 en 3.

  • 5 Indien belanghebbende verzoekt om ijkschalen, dienen deze door inbeitelingen in de huid van het vaartuig te worden aangebracht op een wijze als door de inspecteur-generaal nader te bepalen.

Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2009]

Metingsmerk op het achterschip

Het metingsmerk dient eveneens ingebeiteld te worden op een deel van het schip, dat zo min mogelijk aan beschadiging onderhevig is. Dit deel dient gezocht te worden op het achterschip in de nabijheid van de roerkoning. In de regel is de achterwand van de roef hiertoe het meest geschikt. Het merk moet zijn aangebracht op een van buiten in het oog vallende plaats.

Een aantekening omtrent de plaats van het merk op het achterschip dient in de meetbrief te worden vermeld.

Artikel 22 [Vervallen per 01-07-2009]

Inbeiteling van ijk- en metingsmerken

  • 1 Behoudens het bepaalde in artikel 20, tweede lid, moet het inbeitelen van de ijk- en metingsmerken, dan wel het plaatsen van de ijkplaten geschieden door een bekwaam vakman onder toezicht en volgens aanwijzing van de ambtenaar van de divisie Scheepvaart.

Artikel 23 [Vervallen per 01-07-2009]

Aanvullende bepalingen voor hermeting, of controlemeting

  • 1 Als een verbouwing, bedoeld in artikel 13, onder b, van het Besluit, wordt onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines, ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking van het ledige vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang is verplaatst.

  • 3 Indien het geval, bedoeld in artikel 13, onder f, van het Besluit zich voordoet, kan als de meetbrief overigens nog geldig is, dadelijk een afschrift tegen betaling van de daarvoor vastgestelde kosten verstrekt worden.

  • 4 Wanneer bij hermeting van een vaartuig, maten uit de oude staat van meting worden overgenomen blijft de ambtenaar van de divisie Scheepvaart, die de hermeting verricht, toch geheel verantwoordelijk voor de juistheid van bedoelde maten.

Artikel 24 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 25 [Vervallen per 01-07-2009]

  • 1 Behoudens het gestelde in het vierde lid van dit artikel worden bij hermeting van een vaartuig de oude inschriften en merken en eventueel de ijkplaten, ijkmerken en ijkschalen weggenomen c.q. ongeldig gemaakt en door nieuwe vervangen, terwijl de vervallen meetbrieven worden ingetrokken.

  • 2 In geval van hermeting van een vroeger in Frankrijk gemeten en ingeschreven schip, mogen de oorspronkelijke onuitwisbare merken niet worden verwijderd noch uitgewist, doch dient links van het ijkmerk een onuitwisbaar merk aangebracht te worden in de vorm van een kruisje met een horizontale en verticale balk van gelijke lengte.

Artikel 26 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 27 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 28 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 29 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 30 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 31 [Vervallen per 01-07-2009]

  • 1 Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het origineel niet meer aanwezig is, moet dit afschrift aan het hoofd de woorden dragen: 'Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, hetwelk is teloorgegaan.'

  • 2 Indien bij of na de meting van een binnenvaartuig de afgifte van een afschrift van de meetbrief wordt verzocht, omdat dir moeten worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor, waar het schip is of zal worden ingeschreven, kunnen de ambtenaren van de divisie Scheepvaart daaraan voldoen tegen betaling van de daarvoor geldende vergoeding.

    De aldus afgegeven exemplaren, die voor eensluidend afschrift moeten worden ondertekend, dragen aan het hoof de woorden: 'Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te .................'.

Artikel 32 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 33 [Vervallen per 01-05-1998]

Artikel 34 [Vervallen per 01-05-1998]

Slotbepalingen [Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 35 [Vervallen per 01-07-2009]

Dit besluit kan worden aangehaald als ‘I.M.B. 1979’.

Artikel 36 [Vervallen per 01-07-2009]

Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van 1 oktober 1979 en werkt terug tot 14 augustus 1979.

's-Gravenhage, 18 september 1979

De

Minister

voornoemd,

D. S. Tuijnman

Bijlage [Vervallen per 01-07-2009]

Bijlage 37681.png
Figuur 1
Bijlage 37682.png
Figuur 2
Bijlage 37683.png
Figuur 3
Bijlage 37684.png
Figuur 4
Bijlage 37685.png
Figuur 5
Bijlage 37686.png
Figuur 6
Bijlage 37687.png
Figuur 7

Bijlage B [Vervallen per 01-05-1998]