Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Brandreglement-rijksmusea 1976

Geldend van 01-08-1977 t/m heden

Brandreglement-rijksmusea 1976

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

Gezien het rapport van de door hen ingestelde Werkgroep Herziening Brandreglement-rijksmusea.

Besluiten:

vast te stellen het in de bijlage dezes vervatte Brandreglement-rijksmusea 1976, onder gelijktijdige intrekking van het Brandreglement-rijksmusea, vastgesteld op 28 oktober 1960 nr. 71,315.

Deze beschikking zal met de bijlage in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden toegezonden aan de Algemene Rekenkamer; zij treedt in werking met ingang van 1 augustus 1977.

's-Gravenhage, 24 februari 1977

De

Minister

van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

J. P. A. Gruyters

's-Gravenhage, 19 juli 1977
De

Minister

van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

H. W. van Doorn

Brandreglement Rijksmusea 1976

Artikel 1. Algemeen

  • 1

    Doel

    Dit reglement geeft uitsluitend voorschriften voor de brandveilige bedrijfsvoering in de Rijksmusea.

  • 2

    Toepassinggebied

    Dit reglement is van toepassing op alle Rijksmusea, ressorterende onder het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (C.R.M.).

  • 3

    Begrippen

    In dit reglement wordt verslaan onder:

    hoofd van dienst:

    degene, die aan het hoofd van het museum staat.

    personeel:

    degenen, die als ambtenaar of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij het museum werkzaam zijn.

  • 4

    Uitvoering

    Het hoofd van dienst is belast met de uitvoering van dit reglement.

  • 5

    Aanvullende voorschriften

    Het hoofd van dienst dient, in overleg met de plaatselijke brandweer, aanvullende voorschriften bij dit reglement op te stellen.

    Indien daarin bepalingen voorkomen, die strijden met dit reglement, behoeven deze de goedkeuring van onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Artikel 2. Het voorkomen van brand

  • 1

    Rookverbod

    Het is verboden in het museum te roken. Van dit verbod kunnen gedeelten van het museum worden uitgezonderd.

  • 2

    Werkzaamheden aan installaties

    Werkzaamheden aan installaties mogen alleen worden verricht in opdracht van de Rijksgebouwendienst of het hoofd van dienst, voor zover deze laatste in overleg met de Rijksgebouwendienst is aangewezen als bevoegde instantie.

  • 3

    Brandgevaarlijke werkzaamheden

    • 1. Behoudens de werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, is het verboden brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten in andere dan speciaal daarvoor ingerichte ruimten.

    • 2. Het gebruik van toestellen met open vuur, waarvoor benzine als brandstof moet worden gebruikt, is verboden.

    • 3. Het gebruik van flessen met samengeperste of tot vloeistof verdikte gassen, moet zoveel mogelijk worden vermeden.

      Indien het gebruik van deze flessen noodzakelijk is voor werkzaamheden, die tot de normale bedrijfsvoering behoren, mogen ze in het gebouw alleen in ruimten genoemd onder 1 of bedoeld in artikel 2 lid 5, aanwezig zijn.

      Bij voorkeur dienen ze echter op een veilige plaats buiten het gebouw te worden opgesteld.

      Flessen als hiervoor bedoeld, die nodig zijn voor werkzaamheden, die niet tot de normale bedrijfsvoering behoren, moeten buiten het gebouw worden geplaatst.

    • 4. Indien met open vuur is gewerkt dient de plaats van de werkzaamheden ongeveer één uur na het beeindigen van de werkzaamheden te worden gecontroleerd op achtergebleven vuurresten.

    N.B. Ook elektrisch lassen behoort tot de hierbedoelde werkzaamheden.

  • 4

    Transportabele apparatuur

    Het gebruik van transportabele verwarmingsapparatuur is verboden. Dit verbod geldt niet voor elektrische apparatuur in werkplaatsen e.d. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.

  • 5

    Opslag brandgevaarlijke stoffen

    Brandgevaarlijke stoffen dienen uitsluitend in speciaal daarvoor ingerichte ruimten te worden opgeslagen. De hoeveelheid brandgevaarlijke stof, die in een werkplaats aanwezig is, mag maximaal gelijk zijn aan het dagverbruik.

  • 6

    Films

    Het is verboden brandgevaarlijke films op te slaan of te vertonen. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.

  • 7

    Rookkanalen

    De rookkanalen moeten tenminste éénmaal per jaar worden gecontroleerd en geveegd.

Artikel 3. Het melden van brand

  • 1 Indien het personeel een brand ontdekt, dient het deze terstond op de wijze, die is aangegeven in de instructie, genoemd in artikel 4, te melden.

  • 2

    Automatische brandmelding

    Bij een automatische brandmelding dient niet alleen de brandweer maar ook een vooraf bepaald aantal leden van het personeel te worden gewaarschuwd.

Artikel 4. Het bestrijden van brand

  • 1

    Brandinstructie

    In de voorschriften, bedoeld in artikel 1 lid 5, dient een instructie voor het personeel te worden opgenomen, waarin is aangegeven hoe het personeel dient te handelen bij brand.

    In deze instructie dienen tenminste de onderstaande onderwerpen te zijn geregeld:

    • 1. de taak van het hoofd van dienst en het personeel tot aan het moment dat de brandweer arriveert,

    • 2. het alarmeren van de brandweer en het eigen personeel,

    • 3. het gebruik van de juiste blusstoffen,

    • 4. het sluiten van deuren en ramen,

    • 5. het in- en uitschakelen van installaties,

    • 6. het in veiligheid brengen van de bezoekers,

    • 7. het beschermen van de collectie,

    • 8. het bewaken van in- en uitgangen,

    • 9. de taak van het hoofd van dienst en het personeel vanaf het moment dat de brandweer is gearriveerd.

  • 2

    Instructie blusapparatuur

    Het personeel dient op de hoogte te worden gebracht van de bediening van de blusapparatuur, die in het museum aanwezig is.

  • 3

    Bereikbaarheid van het museum

    Ten behoeve van een snelle en effectieve brandbestrijding dient het museum met de brandweervoertuigen, noodzakelijk voor de brandbestrijding, te allen tijde bereikbaar te zijn. Er dient een regeling te worden getroffen, die garandeert dat de brandweer te allen tijde over sleutels en plattegronden van het museum kan beschikken.

Artikel 5. Bijzondere maatregelen

  • 1

    Brandoefening

    Ten minste éénmaal per jaar dient een oefening, gericht op de brandinstructie, genoemd in artikel 4 lid 1, te worden georganiseerd. Over de inhoud en de omvang van de oefening wordt met de plaatselijke brandweer overleg gepleegd.

  • 2

    Blusoefeningen

    Het personeel dient tenminste éénmaal per jaar te oefenen met blusapparatuur van dezelfde soort als in het museum is aangebracht.

  • 3

    Doorlaatbewijzen

    Het hoofd van dienst verstrekt aan het daarvoor in aanmerking komende personeel een doorlaatbewijs, waaruit moet blijken dat de betrokkenen ingeval van brand tot het museum moeten worden toegelaten.

Artikel 6. Controlemaatregelen

  • 1 Een speciaal met deze taak belast lid van het personeel houdt toezicht op de naleving van dit reglement en van de aanvullende voorschriften en instructies.

  • 2 Alle installaties die brandrisico opleveren, alsmede alle installaties die deel uitmaken van het complex van brandveiligheidsvoorzieningen, zoals brandmeld- en brandblusinstallaties, noodverlichting, elektromagnetische sluitinrichtingen e.d., moeten ten minste eenmaal per jaar worden getest of, indien dit niet mogelijk is, worden gecontroleerd.

  • 3 Eénmaal per jaar pleegt het hoofd van dienst met de commandant van de plaatselijke brandweer overleg over de brandveiligheid.

    De hieruit volgende opmerkingen en voorstellen geeft hij zo snel mogelijk door aan de betrokken instanties.

  • 4 Binnen een uur na sluitingstijd van het museum wordt een ronde gemaakt. Tijdens deze ronde dient te worden gecontroleerd of deuren en ramen zijn gesloten, of de daarvoor in aanmerking komende wandcontactdozen zijn uitgeschakeld en of er geen brandende peuken of dergelijke zijn achtergebleven.

Artikel 7. Jaarlijkse rapportering

  • 1 Over de aanvullende voorschriften, genoemd onder artikel 1 lid 5 en over de toepassing van dit reglement in het afgelopen jaar rapporteert het hoofd van dienst jaarlijks in het eerste kwartaal aan de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.