Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen[Regeling vervallen per 01-12-2015.]

Geldend van 01-01-2013 t/m 30-11-2015

Besluit van 25 januari 1977, houdende vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de hoofd- en lokaalspoorwegen

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 september 1976, nr. A-1/V 27470, Directoraat-Generaal van het Verkeer;

Gelet op de artikelen 27 en 33 van de Spoorwegwet, op artikel 4 van de Lokaalspoor- en Tramwegwet en op artikel II van de Overgangsbepalingen van de wet van 13 juli 1907 (Stb. 193);

De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 1976, nr. 27);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 januari 1977, nr. A1/V25010, Directoraat-Generaal van het Verkeer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 1. Verkorte titel [Vervallen per 01-12-2015]

Dit reglement kan worden aangehaald onder de titel "Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen" of "RDHL".

Artikel 2. Begripsomschrijvingen [Vervallen per 01-12-2015]

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. de Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • b. ambtenaren belast met het toezicht: de ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet;

  • c. Directie: bestuurders van een spoorwegdienst als bedoeld in artikel 9 van de Spoorwegwet;

  • d. personeel: hoofdbeambten, beambten en bedienden van een spoorwegdienst, als bedoeld in de Spoorwegwet;

  • e. chef van de trein: hij, die het bevel over een trein voert;

  • f. machinist: hij, die een krachtvoertuig bedient;

  • g. overwegwachter: hij, die een krachtvoertuig bedient;

  • h. voertuig: elk voertuig, al dan niet geleed, ingericht om op spoorstaven te rijden;

  • i. locomotief: elk voertuig, voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting, hoofdzakelijk bestemd om andere voertuigen op spoorstaven voort te bewegen en niet zelf ingericht voor het vervoer van personen, bagage, goederen, post of levende dieren, of een combinatie van deze voertuigen welke van één punt uit worden bediend;

  • j. treinstel: elk voertuig, voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting met een vermogen aan de wielomtrek van meer dan 75 kW en ingericht voor het vervoer van personen, bagage, goederen, post of levende dieren;

  • k. krachtvoertuig: elke locomotief en elk treinstel;

  • l. rijtuig: elk voertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting, bestemd om door middel van een krachtvoertuig te worden voortbewogen en geheel of gedeeltelijk ingericht voor het vervoer van personen, bagage of post, alsmede elk ander door de Directie als zodanig aangewezen voertuig;

  • m. wagen: elk voertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting, bestemd om door middel van een krachtvoertuig te worden voortbewogen en ingericht voor het vervoer van goederen, post of levende dieren, alsmede elk ander door de Directie als zodanig aangewezen voertuig;

  • n. rollend materieel: elk krachtvoertuig, elk rijtuig en elke wagen;

  • o. bijzonder voertuig: elk voertuig, geen rollend materieel zijnde, dat op één of twee spoorstaven wordt of zal worden voortbewogen, dan wel zichzelf voortbeweegt of zal voortbewegen;

  • p. trein: een krachtvoertuig - indien met andere voertuigen verbonden, daarmede een geheel vormende - dat zich van een station naar een andere bestemming beweegt of bewegen gaat, of zich van die andere bestemming naar een station beweegt of bewegen gaat;

  • q. rangeerdeel: een krachtvoertuig, een rijtuig, een wagen of een aantal van deze voertuigen, aaneengesloten, geen trein zijnde;

  • r. station: gedeelte van de spoorweg bestemd en ingericht om treinen te doen stoppen, beginnen, eindigen, inhalen of kruisen en voorzien van ten minste één wissel, dat door treinen rechtstreeks in beide standen kan worden bereden, en tevens bestemd en ingericht om reizigers te laten in- en uitstappen en/of goederen aan te nemen en af te leveren; de Directie kan een zodanig gedeelte van de spoorweg, dat niet tevens is bestemd en ingericht om reizigers te laten in- en uitstappen en/of goederen aan te nemen en af te leveren, met een station gelijkstellen;

  • s. halte: gedeelte van de spoorweg bestemd en ingericht om reizigers te laten in- en uitstappen en/of goederen aan te nemen en af te leveren, niet zijnde een station;

  • t. hoofdspoor: een spoor dat in gewone omstandigheden door treinen wordt bereden, of een spoor, dat door de Directie als zodanig wordt aangewezen;

  • u. baanvak: gedeelte van de spoorweg tussen twee met name te noemen punten;

  • v. grensdienstbaanvak: baanvak tussen de Nederlandse grens en het uiterste station, waar personeel van een buitenlandse spoorwegdienst treinen aan personeel van een binnenlandse spoorwegdienst mag overgeven en van dat personeel mag overnemen;

  • w. overweg: gelijkvloerse kruising van een spoorweg en een weg;

  • x. overpad: overweg gelegen in een vrijliggend fietspad of voetpad;

  • ij. nacht: de tijd tussen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang;

  • z. goedgekeurde hogesnelheidstrein: rollend materieel dat een subsysteem vormt als bedoeld in hoofdstuk IIIA van de Spoorwegwet en waarvoor machtiging als bedoeld in artikel 7 van de Spoorwegwet is verleend of dat met toestemming van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in gebruik is genomen;

  • aa. hogesnelheidsinfrastructuur: infrastructuur die een subsysteem vormt als bedoeld in hoofdstuk IIIA van de Spoorwegwet;

  • ab. RandstadRail: de ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet aangewezen locaalspoorweg Den Haag Centraal – Den Haag Laan van NOI – Zoetermeer, met de zijtak Leidschendam – Rotterdam;

  • ac. plusregio: regio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3. Toepasselijkheid van dit reglement [Vervallen per 01-12-2015]

Dit reglement is van toepassing op alle spoorwegen, met uitzondering van:

  • a. de spoorwegen, die als tramwegen worden beschouwd;

  • b. de spoorwegen, die niet voor openbaar vervoer van personen of van goederen zijn opengesteld;

  • c. de spoorwegen, waarop geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen één gemeente, alsmede de daarmede gelijkgestelde spoorwegen of spoorweggedeelten.

Artikel 4. Benaming hoofdspoorwegen en lokaalspoorwegen [Vervallen per 01-12-2015]

De spoorwegen, waarop dit reglement van toepassing is en die niet ingevolge artikel 1 van de Lokaalspoor- en Tramwegwet als lokaalspoorwegen worden beschouwd of daarmede zijn gelijkgesteld, worden in dit reglement aangeduid als hoofdspoorwegen.

Artikel 5. Bepalingen voor hoofd- en/of lokaalspoorwegen [Vervallen per 01-12-2015]

De over de volle breedte van een bladzijde gedrukte bepalingen van dit reglement gelden voor hoofdspoorwegen en lokaalspoorwegen,

die op de linkerhelft van een bladzijde alleen voor hoofdspoorwegen,

die op de rechterhelft van een bladzijde alleen voor lokaalspoorwegen.

Artikel 6. Ontheffingen en afwijkingen voor buitenlandse spoorwegdiensten en voor grensdienstbaanvakken [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Ten aanzien van buitenlandse spoorwegdiensten die de dienst in Nederland uitoefenen, kan de Minister ontheffing verlenen of afwijkingen toestaan van de bepalingen van dit reglement.

  • 2 Voor grensdienstbaanvakken kan de Minister ontheffing verlenen of afwijkingen toestaan van de bepalingen van dit reglement.

Artikel 7. Ontheffingen en afwijkingen voor hoofd- en lokaalspoorwegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 2 Voor spoorwegen, uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen, kan de Minister ontheffen verlenen of afwijkingen toestaan van bepalingen van dit reglement.

  • 3 Voor spoorwegen, waar de hoogste toegelaten snelheid niet meer dan 40 km/h bedraagt, kan de Minister ontheffing verlenen of afwijkingen toestaan van de bepalingen van dit reglement.

Artikel 8. Ontheffingen en afwijkingen voor proefnemingen [Vervallen per 01-12-2015]

Voor proefnemingen met betrekking tot het gebruik, de inspectie, het onderhoud alsmede de inrichting en de bediening van het rollend materieel en het gebruik, de inspectie en het onderhoud van technische systemen en hulpmiddelen voor de uitoefening van de dienst op de spoorweg, kan de Minister voor een door hem te bepalen termijn ontheffing verlenen of afwijkingen toestaan van bepalingen van dit reglement.

Artikel 9. Voorwaarden, welke aan ontheffingen en afwijkingen worden verbonden [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Waar in dit reglement aan de Minister de bevoegdheid is toegekend ontheffing te verlenen of afwijking toe te staan van bepalingen van dit reglement, kunnen aan die ontheffing of afwijking voorwaarden worden verbonden.

  • 2 Het niet naleven van de gestelde voorwaarden staat gelijk met overtreding van de bepalingen, waarvan ontheffing werd verleend of afwijking werd toegestaan.

Artikel 10. Beperking van bevoegdheden van de Directie [Vervallen per 01-12-2015]

  • 2 De Directie is verplicht aan deze voorschriften en opdrachten te voldoen.

  • 3 De Directie geeft ter zake van de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden desgevraagd kennis aan de Minister.

Hoofdstuk II. De spoorweg en zijn vaste voorzieningen [Vervallen per 01-12-2015]

Afdeling I. Stations en halten [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 11. RandstadRail [Vervallen per 01-12-2015]

Voor RandstadRail geldt voor de toepassing van de artikelen 13, derde lid, 14, derde lid, 15, 16, tweede lid, 17, eerste en tweede lid, 23, eerste lid, en 25 als Directie, het dagelijks bestuur van de plusregio waarin het desbetreffende gedeelte van RandstadRail is gelegen.

Artikel 12. Voorschriften betreffende orde en veiligheid op buitenpleinen en toegangen [Vervallen per 13-10-2006]

Afdeling II. Sporen en werken [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 13. Eisen te stellen aan de bovenbouw en de kunstwerken; afstandaanduidingen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De normale wijdte van het spoor, gemeten tussen de binnenzijden van de spoorstaafkoppen, bedraagt 1435 mm.

    De wijdte mag niet minder zijn dan 1430 mm en - in bogen met inbegrip van spoorverwijding niet meer zijn dan 1470 mm.

  • 2 De aarden baan, de bovenbouw en de kunstwerken moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat daarop bij de ter plaatse toegelaten snelheid voertuigen kunnen worden vervoerd met:

    een asbelasting van ten minste 18 t en een gewicht van ten minste 5 t per strekkende meter.

    een asbelasting van ten minste 16 t en een gewicht van ten minste 4,8 t per strekkende meter.

  • 3 De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid.

  • 4 Op de weg moeten palen aanwezig zijn, die de afstand tot een beginstation langs de as van de spoorweg in kilometers en hectometers aangeven; in bijzondere gevallen kan een ander beginpunt worden aangenomen.

  • 5 Op spoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen, kan plaatsing van de in het vierde lid bedoelde hectometerpalen achterwege blijven.

Artikel 14. Profiel van vrije ruimte; vrije-ruimtemerk [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Voor recht spoor geldt het met I gemerkte profiel van vrije ruimte en voor sporen in bogen geldt het met II gemerkte profiel van vrije ruimte, beide aangegeven op bijlage A, een en ander met dien verstande, dat de halve breedtematen verminderd mogen onderscheidenlijk vermeerderd moeten worden overeenkomstig de in die bijlage opgenomen tabellen.

  • 2 De Minister kan voor door hem aan te wijzen spoorwegen andere profielen van vrije ruimte voorschrijven of toestaan.

  • 3 Binnen deze profielen mogen zich geen vaste voorwerpen bevinden, tenzij deze voor de veiligheid van het verkeer niet hinderlijk zijn en door de Directie worden toegelaten.

  • 4 Tussen twee samenlopende of elkander kruisende sporen wordt op door de Directie te bepalen wijze de grens aangeduid, tot welke voertuigen op het ene spoor kunnen worden bewogen, zonder de beweging van voertuigen op het andere spoor te hinderen.

Artikel 15. Voorzieningen ten behoeve van derden [Vervallen per 01-12-2015]

Het is aan anderen dan de Directie verboden zonder vergunning, verleend door of namens de Minister, op, in, boven of onder de spoorweg leidingen, werken, andere inrichtingen of beplantingen aan te brengen, te doen aanbrengen, of te hebben, dan wel daarmede verband houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren.

Artikel 16. Onrechtmatige bediening, beschadiging en verontreiniging [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Het is een ieder verboden:

    • a. op enigerlei wijze in te grijpen in de bediening of de werking van spoorweginstallaties;

    • b. de spoorweg en de daartoe behorende terreinen, werken en inrichtingen te beschadigen of door het storten van vuil of het deponeren van afval te verontreinigen.

  • 2 Niet strafbaar is hij, die enige in het eerste lid genoemde handeling verricht uit de aard van zijn betrekking, of met toestemming van de Directie.

Artikel 17. Onderhoud, bewaking en schouw [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De Directie draagt zorg dat de spoorweg met zijn vaste voorzieningen zodanig wordt onderhouden, dat hij veilig kan worden bereden.

  • 2 De Directie draagt zorg dat plaatsen waar gevaar dreigt afdoende worden bewaakt.

  • 3 Gedeelten van de spoorweg, welke tijdelijk niet berijdbaar zijn, of wegens de uitvoering van werken of om andere redenen niet met de overeenkomstig artikel 54 vastgestelde snelheid bereden kunnen worden, moeten op voldoende afstand door seinen worden aangeduid, ook wanneer geen trein wordt verwacht.

Afdeling III. Afsluiting; overwegen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 18. Afsluiting van de spoorweg [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De spoorweg buiten de overwegen wordt op de in artikel 19 aangegeven wijze afgesloten. De Minister kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afsluiting voor die gedeelten van de spoorweg, waar naar zijn oordeel de veiligheid een afsluiting niet vordert.

  • 2 De spoorweg buiten de overwegen wordt afgesloten op door de Minister aan te wijzen gedeelten.

  • 3 Elke overweg wordt beveiligd op één der door de Minister aan te geven wijzen, als bedoeld in artikel 20. De Minister kan ontheffing verlenen van de verplichting tot beveiliging van die overwegen waar naar zijn oordeel de veiligheid, mede gelet op de verkeersintensiteit en het uitzicht van de kruisende weg af over de spoorweg, een beveiliging niet vordert.

  • 4 Bij overwegen en overgangen leidende naar spoorweggedeelten op de openbare weg kan door de Minister worden bepaald, op welke van de in artikel 20 aangegeven wijzen de overweg onderscheidenlijk de overgang wordt beveiligd, dan wel welke van de in dat artikel genoemde veiligheidsmaatregelen wordt toegepast.

Artikel 19. Afsluiting buiten de overwegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Als voldoende afsluiting van de spoorweg buiten de overwegen worden aangemerkt:

    • a. rivieren, kanalen en beken;

    • b. moerasgrond, rietland en land met dicht ineengegroeid houtgewas;

    • c. aangrenzend maaiveld, indien dat ten minste 3,00 m boven of onder de kruin van de spoorweg is gelegen;

    • d. waterhoudende sloten met een diepte van ten minste 0,70 m beneden de laagste waterstand en een bodembreedte van ten minste 1,00 m;

    • e. muren, schuttingen, rasterwerken, palen met ijzerdraden of vlechtwerk of andere soortgelijke afheiningen en levende dicht ineengegroeide heggen, een en ander met een hoogte van ten minste 1,00 m;

    • f. droge sloten, dammen of wallen tot afscheiding van bouwland, of bos-, duin- en heidegrond.

  • 2 De Minister kan voor de inrichting van de afsluitingen, bedoeld onder e en f van het eerste lid, aanwijzingen geven en hij kan in bijzondere omstandigheden voor de afsluitingen, bedoeld onder d en e van het eerste lid, andere afmetingen voorschrijven of toestaan.

Artikel 20. Beveiliging van en veiligheidsmaatregelen bij overwegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 2 Bij overwegen en overgangen leidende naar spoorweggedeelten op de openbare weg kunnen met betrekking tot treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen de volgende veiligheidsmaatregelen worden toegepast:

    • a. het geven van geluidssignalen;

    • b. het verminderen van de snelheid;

    • c. het tot stilstand brengen.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid kunnen overwegen in voetpaden en fietspaden worden beveiligd door klaphekken of zig-zaghekken en overwegen in voetpaden door draaikruisen.

  • 4 De uitvoering van de voorzieningen, genoemd in het eerste en het derde lid, en van hierop aanvullende voorzieningen behoeft de instemming van de Minister. De Minister kan aanvullende voorzieningen voorschrijven.

  • 5 Indien naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding bestaat, kan hij andere maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.

  • 6 Indien de plaatselijke situatie bij een overweg naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding geeft, kan hij aanvullende maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.

  • 7 Overwegen, welke niet op de in het eerste lid, onder e, genoemde wijze worden beveiligd, kunnen buiten de diensturen of in geval van storing of buitendienststelling eveneens op de in het eerste lid, onder e , genoemde wijze worden beveiligd.

Artikel 21. Bijzondere bepalingen voor overwegen beveiligd door sluitbomen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Sluitbomen worden ter plaatse of met toestemming van de Minister op afstand bediend.

  • 2 Bij de ter plaatse bediende sluitbomen moet de bedieningsapparatuur zodanig geplaatst zijn, dat de overwegwachter de overweg en de aansluitende weggedeelten kan overzien en zo nodig aanwijzingen aan de weggebruikers kan geven.

    Bij de op afstand bediende sluitbomen moet de overwegwachter van zijn post de overweg kunnen zien, tenzij in bijzondere gevallen de Minister hiervan ontheffing heeft verleend.

  • 3 Bij de ter plaatse bediende sluitbomen kunnen en bij de op afstand bediende sluitbomen moeten inrichtingen geplaatst zijn, waarmede de overwegwachter door middel van rode knipperlichten tijdig het sein aan de weggebruikers geeft, dat hij tot sluiting overgaat. Deze rode knipperlichten worden tijdens of onmiddellijk na het openen van de bomen weer buiten werking gesteld.

  • 4 De Directie schrijft maatregelen voor teneinde te verzekeren, dat de komst van elke trein wordt aangekondigd aan de overwegwachter die niet tevens het sein bedient dat toegang geeft tot het spoorgedeelte, waarin de overweg ligt. Deze aankondiging moet zodanig geschieden, dat de overwegwachter de sluitbomen zonder overhaasting tijdig kan sluiten.

  • 5 Zodra de veiligheid van het spoorwegverkeer zulks vordert, sluit de overwegwachter de sluitbomen, ongeacht of hij de in het vierde lid bedoelde aankondiging al of niet heeft ontvangen. Hij houdt de sluitbomen gesloten totdat de overweg is ontruimd.

  • 6 De overwegwachter, bedoeld in het vierde lid, moet een spreekverbinding hebben met de bewaakte post, waar het sein wordt bediend, dat de toegang geeft tot het spoorgedeelte waarin de overweging ligt.

  • 7 Waar de Minister het nodig oordeelt, moet een sein dat toegang geeft tot het spoorweggedeelte, waarin de overweg ligt, niet uit de stand "stop" kunnen worden gebracht, voordat de sluitbomen zijn gesloten.

  • 8 De Minister kan tevens voorschrijven, dat de sluitbomen niet weer kunnen worden geopend, voordat de trein de overweg berijdt.

  • 9 Het bepaalde in het zesde lid is voor baanvakken, waar de hoogst toegelaten snelheid niet meer dan 40 km/h bedraagt en waar aan weerszijden van de overweg voor de trein een vast sein is geplaatst, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen, niet van toepassing.

  • 10 De overwegwachter moet aan de naderende trein een stopsein kunnen geven.

Artikel 22. Verlichting bij overwegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Behoudens door de Minister te verlenen ontheffing worden de door sluitbomen of halve overwegbomen beveiligde overwegen, met uitzondering van overpaden, des nachts op naar zijn oordeel voldoende wijze verlicht.

  • 2 De Minister kan voorschrijven, dat andere dan de in het eerste lid bedoelde overwegen des nachts op naar zijn oordeel voldoende wijze worden verlicht.

Artikel 23. Verkeerstekens bij overwegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 2 De Minister kan voorschrijven, dat vóór een voor het openbaar verkeer openstaande overweg waarschuwingsborden worden geplaatst, en wel bij een overweg met sluitbomen of halve-overwegbomen een bord volgens model J10 en bij een andere overweg een bord volgens model J11 van bijlage I, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

  • 3 De Minister kan tevens voorschrijven, dat vóór een voor het openbaar verkeer openstaande overweg, buiten de bebouwde kom gelegen in een weg met belangrijk verkeer, bakens volgens het bij ministeriële regeling vastgestelde model worden geplaatst.

  • 4 De Minister kan voorschrijven dat bij door hem aan te wijzen overwegen borden volgens model B7 van bijlage I, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 worden geplaatst alsmede zonodig stopstrepen worden aangebracht ten einde aan te geven dat het wegverkeer moet stoppen alvorens deze overwegen te passeren.

Artikel 23a. Berijden van overwegen door spoorwegverkeer [Vervallen per 01-12-2015]

Overwegen waarbij geen Andreaskruisen of hekken zijn geplaatst, mogen uitsluitend worden bereden nadat aan het wegverkeer een stopteken als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel e, is getoond.

Artikel 24. Gebruik van niet voor het openbaar verkeer openstaande wegen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een ieder is verplicht op overwegen in wegen die niet voor het openbaar verkeer open staan, treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen voor te laten gaan en daarbij de overweg geheel vrij te laten.

  • 2 Het is een ieder verboden een overweg als bedoeld in het eerste lid, op te gaan, tenzij hij direct kan door gaan en de overweg geheel vrij kan maken.

Artikel 25. Overwegen ten behoeve van de spoorwegdienst, reizigers, verladers e.d. [Vervallen per 01-12-2015]

Op overwegen uitsluitend ten behoeve van de spoorwegdienst, reizigers, verladers en dergelijke zijn de artikelen 18, 22 en 23 niet van toepassing. De Directie kan voorschrijven, dat beveiliging of veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 20, dan wel andere beveiliging of veiligheidsmaatregelen, worden toegepast.

Afdeling IV. Beveiliging [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 26. Vaste seinen en spreekverbindingen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Voor treinbewegingen worden:

    • a. wissels in hoofdsporen;

    • b. kruisingen van sporen, op gelijke hoogte, van spoorwegen waarop dit reglement van toepassing is;

    • c. aansluitingen van spoorwegtakken,

    en

  • d beweegbare bruggen

    beveiligd door een daarvoor geplaatst bedienbaar of automatisch vast sein, dat het seinbeeld "stop" kan tonen.

  • 2 Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 km/h worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen en waar de trein zijn loop begint ook uit een spoorafsluiting.

  • 3 De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

  • 4 De posten waar seinen, geplaatst ingevolge het bepaalde in het eerste lid, worden bediend, moeten zijn voorzien van toestellen waarmee een spreekverbinding tot stand kan worden gebracht met de naastliggende bewaakte posten waar een sein wordt bediend waarmee treinbewegingen kunnen worden toegelaten naar de eerstgenoemde posten.

  • 5 De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid.

  • 6 De Minister bepaalt, in voorkomend geval in afwijking van artikel 12 van het Tramwegreglement, op welke wijze een kruising op gelijke hoogte met een spoor van een voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg, waarop dit reglement niet van toepassing is, beveiligd wordt; de Directie bepaalt dit ten aanzien van een kruising op gelijke hoogte met een niet voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg.

Artikel 27. Beschrijving en plaats van de seinen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De beschrijving van de beelden, getoond door de in dit reglement bedoelde seinen, hun betekenis en voorzover daartoe aanleiding bestaat, voorschriften voor het gebruik mede in verband met de weersomstandigheden, worden opgenomen in een afzonderlijke afdeling van het in artikel 6 van de Spoorwegwet bedoelde dienstreglement, genaamd "Seinreglement".

  • 2 De plaats van de in deze afdeling bedoelde vaste seinen en, voorzover bedienbaar, de bedieningswijze worden omschreven in voorschriften, die aan de Minister worden toegezonden.

Artikel 28. Seingeving [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Indien een vast sein het seinbeeld "stop" toont, moet buiten de stations de voorafgaande seingeving een zodanige snelheidsvermindering opleggen dat de trein voor dit stoptonende sein tot stilstand kan worden gebracht.

  • 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt eveneens op stations, tenzij aan de machinist op andere wijze is kenbaar gemaakt, dat de trein moet stoppen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde voorafgaande seingeving is voor baanvakken, waar de hoogst toegelaten snelheid niet meer dan 40 km/h bedraagt, alleen vereist in door de Directie te bepalen gevallen.

Artikel 29. Verband tussen seinen en wissels en beweegbare bruggen en tussen seinen onderling [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Tussen een wissel gelegen in een hoofdspoor en een, ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, daarvoor geplaatst sein moet een zodanig verband bestaan, dat, als dit sein het voorbijrijden toelaat, het wissel niet kan worden omgelegd.

  • 2 Wanneer een wissel in een hoofdspoor tegen de punt wordt bereden, moet tussen dat wissel en een daarvoor geplaatst voor treinen geldend bedienbaar of automatisch vast sein een zodanig verband bestaan, dat de juiste stand van de tongen verzekerd is.

  • 3 De Directie kan bepalen, dat het in het eerste en tweede lid bedoelde verband achterwege blijft, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels met een slot gesloten of bewaakt zijn.

  • 4 Bij door de Minister aan te wijzen spoorwegen kan het in het eerste lid bedoelde verband achterwege blijven, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels door een veerinrichting in een bepaalde stand worden gehouden.

    Een niet tegen de punt bereden van een veerinrichting voorzien wissel wordt geacht steeds in de juiste stand te liggen.

  • 5 Indien een wissel in een hoofdspoor wordt bediend op een afstand van meer dan 250 m en normaal tegen de punt wordt bereden door voor reizigersvervoer aangewezen treinen, moeten voorzieningen aanwezig zijn die het omleggen beletten tijdens het berijden tegen de punt.

  • 6 Tussen een beweegbare brug en een, ingevolge het gestelde in artikel 26, eerste lid, daarvoor geplaatst sein moet een zodanig verband bestaan, dat, als dit sein het voorbijrijden toelaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.

  • 7 Tussen de seinen geplaatst ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, onder a, b of c, moet een zodanig verband bestaan, dat deze seinen alleen een seinbeeld dat voorbijrijden toelaat kunnen tonen, wanneer daardoor geen treinen met elkaar in aanraking kunnen komen.

Artikel 30. Door wachters te geven stopsein [Vervallen per 01-12-2015]

De Directie wijst de seinhuizen en de brugposten aan, waar de wachter aan naderende treinen een stopsein moet kunnen geven.

Artikel 31. Automatische treinbeïnvloeding [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Baanvakken waarvoor een hoogste toegelaten snelheid van meer dan 100 km/h geldt, moeten zijn uitgerust met de apparatuur van een systeem van automatische treinbeïnvloeding dat ten minste voldoet aan door de Minister te stellen voorwaarden. De apparatuur van een systeem van automatische treinbeïnvloeding die is bestemd of mede is bestemd voor beïnvloeding van goedgekeurde hogesnelheidstreinen op hogesnelheidsinfrastructuur is in overeenstemming met de krachtens hoofdstuk IIIA van de Spoorwegwet toepasselijke voorschriften.

  • 2 De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

  • 3 De Minister kan voorschrijven, dat ook andere dan de in het eerste lid bedoelde baanvakken met de daar genoemde apparatuur worden uitgerust.

Artikel 31a. Niet op RandstadRail van toepassing zijnde artikelen [Vervallen per 01-12-2015]

De artikelen 21 en 30 zijn niet van toepassing op RandstadRail.

Hoofdstuk III. Rollend materieel [Vervallen per 01-12-2015]

Afdeling I. Krachtvoertuigen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 32. Technische Eenheid van de Spoorwegen [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 33. Verdere voorschriften betreffende de constructie van krachtvoertuigen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Elk krachtvoertuig moet voorzien zijn van:

    • a. spoorstaafruimers;

    • b. lantarenhouders of vaste front- en sluitseinen;

    • c. een inrichting om geluidsseinen te geven;

    • d. een handrem;

    • e. een inrichting, waarmee het doorgaand zelfwerkende remsysteem, als bedoeld in artikel 53, vijfde lid, wordt bediend en gecontroleerd, alsmede van een op dat systeem aangesloten rem, een en ander indien het krachtvoertuig is bestemd voor het vervoeren van treinen met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;

    • f. een snelheidsmeter, tenzij het vermogen van het krachtvoertuig aan de wielomtrek kleiner is dan 75 kW;

    • g. een inrichting, die, wanneer deze niet voortdurend of met korte tussenpozen door de machinist wordt bediend, de trein automatisch tot stilstand brengt;

    • h. de apparatuur van het in artikel 31 bedoelde systeem van automatische treinbeïnvloeding, indien het krachtvoertuig dienst doet op in dat artikel aangeduide baanvakken.

  • 2 De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, sub h.

  • 3 Alle in het krachtvoertuig ten behoeve van de voortbeweging dienstdoende motoren moeten door de machinist vanuit elke cabine van het krachtvoertuig zelf kunnen worden beheerst; daarenboven zijn voorzieningen toegelaten, die het mogelijk maken, dat bedoelde beheersing geschiedt vanuit de cabine van een ander voertuig in de trein of op andere wijze van buitenaf. In laatstgenoemd geval voldoet de apparatuur aan door de Minister te stellen voorwaarden.

  • 4 Bij krachtvoertuigen gedreven door een of meer verbrandingsmotoren moeten:

    • a. de brandstoftanks en de brandstofleidingen zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewenste overdruk kan ontstaan en dat de kans op het ontstaan van lekkages zoveel mogelijk wordt beperkt;

    • b. de vulopeningen van de brandstoftanks zich buiten het krachtvoertuig bevinden, wanneer dit is ingericht voor vervoer van reizigers of post;

    • c. de ruimten waarin deze tanks zijn aangebracht, van het inwendige van het krachtvoertuig door dichte onbrandbare wanden gescheiden zijn en zodanig ingericht, dat buiten de tanks geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen onmiddellijk buiten het krachtvoertuig worden afgevoerd;

    • d. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voor zover zij zich in de inwendige ruimte van het krachtvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd zijn;

    • e. indien het krachtvoertuig is ingericht voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in ruimten die voor deze reizigers niet toegankelijk zijn; de wanden van deze ruimten moeten uit onbrandbare stof bestaan of met onbrandbare stof zijn bekleed.

  • 5 Krachtvoertuigen gedreven door een of meer elektromotoren moeten voorzien zijn van:

    • a. inrichtingen die beveiligen tegen de gevolgen van te grote stroomsterkte en te hoge spanning van de elektrische stroom, voor zover deze niet elders, bij voorbeeld in onderstations, zijn ondergebracht;

    • b. geleidende verbindingen met de aarde van alle delen van het krachtvoertuig, die, indien zij tengevolge van breuk in de bovenleiding of door andere oorzaken onder spanning komen, gevaar opleveren.

  • 6 De wielen van de krachtvoertuigen moeten van flenzen van voldoende hoogte voorzien zijn. Flenzen mogen worden weggelaten bij wielen van niet verschuifbare tussenassen van ten minste drie in een gemeenschappelijk raamwerk aangebrachte assen, mits de wielen van deze assen voldoende draagvlak vinden.

    De dikte van de wielbanden moet ten minste 25 mm bedragen.

    Bij volwielen moet de minimum-dikte van de delen die de wielband vervangen, worden aangegeven door een in de buitenzijde van het wiel ingedraaide groef.

  • 7 Andere dan de in het vierde en vijfde lid bedoelde typen krachtvoertuigen kunnen op de spoorwegen worden toegelaten onder door de Minister te stellen voorwaarden.

Artikel 34. Albums [Vervallen per 01-12-2015]

In een als bijlage van het in artikel 44 bedoelde register bij te houden album worden opgenomen:

  • A. voor alle krachtvoertuigen:

    • a. de naam van de spoorwegdienst die het krachtvoertuig in gebruik neemt;

    • b. het volgnummer, het fabrieksnummer, de naam en de woonplaats van de fabrikant en het jaar waarin het krachtvoertuig is afgeleverd;

    • c. een korte omschrijving van het krachtvoertuig;

    • d. het type van de zelfwerkende rem;

    • e. het gewicht van het krachtvoertuig in dienstvaardige toestand, de grootste asdruk en het remgewicht;

    • f. de constructief toegestane snelheid.

  • B. voor krachtvoertuigen al dan niet rechtstreeks gedreven door een of meer verbrandingsmotoren:

    • a. het type en de hoofdafmetingen van de motoren;

    • b. het grootste toegelaten aantal omwentelingen van de motoren in de minuut;

    • c. het continuvermogen van de motoren in kW;

    • d. het type van de koelinrichting;

    • e. een opgave van de inhoud van de brandstoftanks;

    • f. het type van de krachtoverbrenging tussen de motoren en de aangedreven assen.

  • C. voor krachtvoertuigen gedreven door een of meer elektromotoren:

    • a. het type en de maximumspanning van de tractiemotoren;

    • b. het grootste toegelaten omwentelingen van de tractiemotoren in de minuut;

    • c. het aantal en het continuvermogen van de tractiemotoren in kW.

Artikel 35. Treinstellen [Vervallen per 01-12-2015]

Op treinstellen zijn mede de bepalingen van de artikelen 37, 38 en 40 van toepassing.

Afdeling II. Rijtuigen en wagens [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 36. Technische Eenheid van de Spoorwegen [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 37. Verdere voorschriften betreffende de constructie van rijtuigen en wagens [Vervallen per 01-12-2015]

Alle rijtuigen en wagens moeten voorzien zijn van lantarenhouders of van vaste sluitseinen.

Artikel 38. Bijzondere voorschriften betreffende rijtuigen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De rijtuigen moeten voorzien zijn van middelen tot behoorlijke verlichting, luchtverversing en verwarming.

  • 2 De rijtuigafdelingen waarin reizigers worden vervoerd, worden in twee klassen onderscheiden, tenzij de Directie anders bepaalt.

  • 3 Op afstand bediende of automatisch sluitende deuren moeten zodanig geconstrueerd zijn, dat bij het openen en sluiten daarvan geen gevaar voor personen ontstaat.

  • 4 Naar buiten openslaande deuren in de zijwanden van de rijtuigen moeten:

    • a. in een stand, loodrecht op de lengteas van het rijtuig, binnen het profiel van vrije ruimte als bedoeld in artikel 14 blijven;

    • b. voorzien zijn van twee sluitingen, die zowel van buiten als van binnen door de reizigers zonder bezwaar kunnen worden geopend; deze twee sluitingen mogen in één slot verenigd zijn.

  • 5 Zwenkzwaaideuren en draaivouwdeuren in de zijwanden van de rijtuigen, die door middel van luchtdruk worden gesloten, moeten in gesloten stand zijn vergrendeld om te voorkomen dat zij door drukken - van binnenuit - kunnen worden geopend.

  • 6 Ruiten in ramen, deuren en wanden van nieuw te bouwen rijtuigen moeten uit veiligheidsglas bestaan.

Artikel 39. Stuurstandvoertuigen [Vervallen per 01-12-2015]

Onder een stuurstandvoertuig wordt verstaan een voertuig, geen krachtvoertuig zijnde, dat voorzien is van apparatuur, waarmee alle voortbewegingsinrichtingen in de trein en het doorgaand zelfwerkend remsysteem kunnen worden bediend en gecontroleerd. Het moet verder voorzien zijn van de overige in artikel 33, eerste lid, genoemde inrichtingen, zulks onverminderd de ontheffingsmogelijkheid genoemd in het tweede lid van dat artikel.

Artikel 40. Opschriften op en in rijtuigen [Vervallen per 01-12-2015]

Op een zichtbare plaats worden duidelijk aangegeven:

  • a. op rijtuigen bestemd voor het vervoer van reizigers: de klasse, met dien verstande, dat de aanduiding van de tweede klasse achterwege kan worden gelaten;

  • b. in elke afdeling: de klasse en het aantal zitplaatsen;

  • c. op elke eerste klasse balkon: de klasse;

  • d. in rijtuigen met een buitenbreedte van de bak van meer dan 2,90 meter:

een waarschuwing tegen het naar buiten steken van lichaamsdelen, bij elk raam, dat het naar buiten leunen toelaat.

Afdeling III. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 41. Omgrenzingsprofiel [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Het rollend materieel met alle daaraan bevestigde losse delen moet, al dan niet beladen, zowel op recht spoor als in bogen blijven binnen het op bijlage B aangegeven kinematisch omgrenzingsprofiel, zulks onverminderd het bepaalde in de laatste alinea van het derde lid.

  • 2 Bij de bepaling van het in het eerste lid bedoelde omgrenzingsprofiel is er van uitgegaan, dat de hartlijn van dit profiel samenvalt met de hartlijn van het spoor met normale spoorwijdte, waarbij deze hartlijn loodrecht staat op het vlak door de bovenkanten der spoorstaven.

  • 3 Bij de bepaling van de afmetingen van het rollend materieel wordt uitgegaan van een referentieboog met een straal van 250 m. Daarbij moet rekening gehouden worden met:

    • a. geometrische verplaatsingen tengevolge van de instelling van het rollend materieel in het spoor, slijtagefactoren van dat materieel en verticale verplaatsingen ervan;

    • b. horizontale verplaatsingen ten gevolge van statisch overhellen bij een verkanting tot 50 mm;

    • c. afwijkingen, verband houdende met bouw en belading van het rollend materieel, voor zover deze meer dan 1° bedragen.

    Op de aan de hand van vorenstaande normen gevonden breedtematen mag een toeslag worden toegepast van 15 mm voor delen boven 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf en van 10 mm voor delen tot en met 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf.

  • 4 Met het oog op het veilig berijden van een spoor in verticale bogen moet de onderste begrenzingslijn van het rollend materieel zo nodig hoger zijn dan op bijlage B is aangegeven.

  • 5 De Minister kan voor door hem aan te wijzen materieel andere omgrenzingsprofielen voorschrijven of toestaan.

Artikel 42. Asbelasting en gewicht per strekkende meter [Vervallen per 01-12-2015]

De asbelasting en het gewicht per strekkende meter van rollend materieel mogen de voor de aarden baan, de bovenbouw en de kunstwerken toelaatbare belasting niet overschrijden. De constructie van rollend materieel moet zijn afgestemd op de toelaatbare belasting van de aarden baan, de bovenbouw en de kunstwerken.

Artikel 43. Aanschaffing [Vervallen per 01-12-2015]

Alvorens rollend materieel wordt aangeschaft, wordt met het type door de Directie ingestemd. Op de desbetreffende tekeningen op een schaal van ten minste 1 : 100 worden onder meer aangegeven:

  • a. voor treinstellen en rijtuigen: het aantal zit- of ligplaatsen of bedden in elke afdeling en het aantal klapzittingen op elk balkon en, indien de Directie dit voorschrijft, het aantal staanplaatsen in elke afdeling en op elk balkon;

  • b. voor treinstellen en wagens: het draagvermogen voor vervoer van goederen.

Artikel 44. Indienststelling; register [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Alvorens rollend materieel in dienst wordt gesteld, wordt dit vanwege de Directie onderzocht en geaccordeerd.

  • 2 De akkoordverklaring wordt ingeschreven in een hiertoe dienend register, met volgnummer, datum van akkoordverklaring en datum van indienststelling.

Artikel 45. Wijziging [Vervallen per 01-12-2015]

Wijziging van de bestemming of van de inrichting van rollend materieel, waardoor wordt afgeweken van de in artikel 43 bedoelde tekeningen, wordt door de Directie geaccordeerd.

Artikel 46. Onderhoud [Vervallen per 01-12-2015]

Rollend materieel wordt volgens een door de Directie geaccordeerd schema voor periodiek onderhoud nauwkeurig onderzocht en in een zodanige staat gehouden, dat daaruit samengestelde treinen en rangeerdelen te allen tijde veilig kunnen rijden.

Artikel 47. Administratie [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Van rollend materieel wordt een administratie gevoerd, waarbij van elk krachtvoertuig, van elk rijtuig en van elke wagen worden aangetekend:

    • a. het volgnummer;

    • b. de naam van de fabrikant;

    • c. de datum van indienststelling;

    • d. wijzigingen en belangrijke herstellingen;

    • e. de data waarop het materieel voor de onder d bedoelde voorzieningen in de werkplaats werd opgenomen en daarna weer in dienst werd gesteld.

  • 2 Van de assen van rollend materieel wordt een administratie gevoerd, waarbij van elke as worden aangetekend:

    • a. het volgnummer;

    • b. de omschrijving van de grondstof en de naam van de fabrikant;

    • c. de hoofdafmetingen;

    • d. de datum van indienststelling.

    Bovendien wordt een administratie gevoerd, waarin steeds over de laatste tien jaar zijn vastgelegd de dagen waarop de as in de werkplaats werd opgenomen, alsmede onder welke voertuigen de as achtereenvolgens heeft dienst gedaan.

Artikel 48. Rollend materieel dat niet aan de spoorwegdienst toebehoort [Vervallen per 01-12-2015]

Rollend materieel dat niet aan de spoorwegdienst toebehoort en niet valt onder artikel 49 kan onder de Directie te stellen voorwaarden op de spoorweg worden toegelaten.

Artikel 49. Gebruik van buitenlands rollend materieel [Vervallen per 01-12-2015]

Rollend materieel behorend tot of opgenomen in het materieelpark van buitenlandse spoorwegdiensten mag op de spoorwegen hier te lande worden gebruikt, zonder dat de bepalingen van dit reglement, het onderzoek van rollend materieel betreffende, worden toegepast, mits:

  • a. dat rollend materieel, wat de algemene inrichting en de hoofdafmetingen betreft, niet meer afwijkt van de voorschriften van dit reglement dan zonder bezwaar voor de veiligheid kan worden toegelaten;

  • b. het uiterlijk aanzien geen twijfel laat aangaande de deugdelijkheid en de goede staat van onderhoud;

  • c. de rijtuigen en het voor vervoer van personen bestemde gedeelte van de treinstellen inwendig zindelijk onderhouden en niet minder goed ingericht zijn dan op de spoorwegen hier te lande gebruikelijk.

Artikel 50. Afwijkingen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De Directie kan om bijzondere redenen afwijkingen van dit hoofdstuk toestaan, behoudens met betrekking tot onderwerpen ten aanzien waarvan enige bevoegdheid aan de Minister is toegekend.

  • 2 Van de desbetreffende beschikking wordt - indien daartoe aanleiding is - aantekening gehouden in het register, bedoeld in artikel 44.

Artikel 50a. Goedgekeurde hogesnelheidstreinen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 3 Voor gebruik van hogesnelheidsinfrastructuur door ander rollend materieel dan goedgekeurde hoge snelheidstreinen kunnen bij ministeriële regeling voorschriften die gelden voor goedgekeurde hogesnelheidstreinen, geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard.

Hoofdstuk IV. Trein- en rangeerdienst [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 51. Plaats van de krachtvoertuigen en de machinist in de trein [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Behoudens hetgeen hierna is bepaald, is het krachtvoertuig aan het hoofd van de trein geplaatst.

  • 2 Voertuigen als bedoeld in artikel 39 mogen met de cabine voorop aan het hoofd van de trein worden geplaatst.

  • 3 De machinist moet zich bevinden in de voorste cabine van het in het eerste lid bedoelde krachtvoertuig, dan wel in een voertuig als bedoeld in het tweede lid, wanneer dit aan het hoofd van de trein is geplaatst.

  • 4

    • a. In de trein mogen twee of meer krachtvoertuigen zijn geplaatst die worden bediend door de in het derde lid bedoelde machinist.

    • b. Afzonderlijk bediende krachtvoertuigen mogen in de trein zijn geplaatst, indien de machinisten zich voortdurend door middel van een radioverbinding met elkaar kunnen verstaan.

    • c. Zonder deze radioverbinding mogen, behalve het krachtvoertuig dat wordt bediend door de in het derde lid bedoelde machinist, nog ten hoogste twee afzonderlijk bediende krachtvoertuigen in de trein zijn geplaatst, mits:

      • - deze zijn aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem,

      • - deze in de trein zijn geplaatst als tweede en/of als laatste voertuig,

      • - de machinisten zich met elkaar kunnen verstaan door seinen, die omschreven worden in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.

  • 5 Treinen mogen worden opgedrukt door een niet aan de trein gekoppeld krachtvoertuig bij het bestijgen van moeilijke hellingen, het vertrekken van de stations en bij onvoldoende of weggevallen trekvermogen van het krachtvoertuig of van de krachtvoertuigen in de trein.

  • 6 Afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is toegestaan bij:

    • a. treinen naar of van los- en laadplaatsen;

    • b. treinen naar of van spooraansluitingen;

    • c. bijzondere treinen die niet ten dienste van het vervoer van reizigers zijn ingelegd;

    • d. bedrijfsstoringen.

    De wijze waarop de treinen dan mogen worden vervoerd, wordt geregeld in een afzonderlijke afdeling van het in artikel 6 van de Spoorwegwet bedoelde dienstreglement, genaamd "Trein- en Rangeerdienstreglement".

  • 8 Niet medewerkende, onbemande krachtvoertuigen blijven bij de bepaling van het aantal krachtvoertuigen buiten beschouwing.

Artikel 52. Samenstelling van treinen; treinseinen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een trein mag zijn samengesteld uit zoveel voertuigen, dat het aantal assen niet meer bedraagt dan 150 voor reizigerstreinen en 300 voor goederentreinen.

  • 2 Indien een trein is samengesteld uit rijtuigen en wagens bepaalt de Directie of deze als reizigerstrein dan wel als goederentrein moet worden beschouwd.

  • 3 In reizigerstreinen worden twee- of drie-assige voertuigen achteraan vervoerd. De Directie kan voertuigen aanwijzen waarvoor van deze bepaling mag worden afgeweken.

  • 4 Indien in bijzondere gevallen geen reizigersmaterieel beschikbaar is, kan de Directie toestaan dat reizigers worden vervoerd in ander door haar aan te wijzen gesloten materieel, mits:

    • a. dit materieel aan de leiding van het doorgaand zelfwerkend remsysteem is aangesloten, met dien verstande dat - onverminderd het overigens in artikel 53, vijfde lid, bepaalde - niet vereist is dat het remwerk in elk voertuig in werking kan worden gesteld;

    • b. de trein met geen grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd;

    • c. de schuifdeuren tijdens de rit in gedeeltelijk geopende stand zijn vastgezet;

    • d. voor zover mogelijk voor passende zitgelegenheid wordt gezorgd.

  • 5 Voor het geval in een reizigerstrein die met een grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd, houten met reizigers bezette rijtuigen of wagens voorkomen, worden deze achteraan vervoerd.

  • 6 Elke trein voert de front- en sluitseinen als omschreven in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.

Artikel 53. Remmen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Treinen worden ten minste beremd overeenkomstig door de Minister te accorderen tabellen, die het remgewicht van de trein uitdrukken in percentages van het treingewicht als functie van de snelheid. Deze percentages dienen zodanig te zijn, dat de treinen op een dalende helling van 5o/oo tot stilstand kunnen worden gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:

    Treinsnelheid in km/h

    Hoofdspoorwegen

    Lokaalspoorwegen

    baanvaksnelheid

    Voor vervoer van personen en goederen opengestelde spoorwegen

    Alléén voor vervoer van goederen opengestelde spoorwegen

    ten hoogste 110 km/h

    meer dan 110 km/h

         

    niet meer dan 40:

    400 m

    400 m

    400 m

    400 m

    meer dan 40 doch niet meer dan 60:

    500 m

    500 m

    500 m

    500 m

    meer dan 60 doch niet meer dan 80:

    800 m

    800 m

    600 m

    800 m

    meer dan 80 doch niet meer dan 110:

    800 m

    1000 m

    meer dan 110 doch niet meer dan 130:

    1000 m

    meer dan 130:

    een door de Minister te bepalen afstand van ten minste 1000 m

    Voor dalende hellingen van meer dan 5o/oo kan de Minister nadere voorschriften geven.

  • 2 De Minister bepaalt, hoe het promillage van een helling moet worden berekend.

  • 3 Voor treinen die rijden op baanvakken die uitsluitend voor het vervoer van reizigers zijn bestemd kan de Minister afwijking van de in het eerste lid gestelde eisen voorschrijven.

  • 4 Onder remgewicht van de trein wordt verstaan: de som van de remgewichten van de voertuigen waarvan de rem functioneert. Onder treingewicht wordt verstaan: de som van de totale gewichten van de voertuigen; het totale gewicht is de som van het eigen gewicht en het gewicht van de reizigers en/of van de lading.

    Het remgewicht en het eigen gewicht moeten op elk voertuig zijn aangegeven. Indien het totale gewicht niet op een rijtuig is aangegeven, wordt dit bij een voor reizigers toegankelijk rijtuig berekend door bij het eigengewicht te tellen:

    2 t

    voor een slaaprijtuig of voor een restauratierijtuig met bagage- of reizigersafdeling,

    nihil

    voor overige restauratierijtuigen,

    3 t

    voor een bagagerijtuig met een bodemoppervlakte van ten hoogste 40 m2,

    4 t

    voor een zit- en ligrijtuig 1e klasse,

    5 t

    voor de overige rijtuigen.

  • 5 Treinen rijdende met een grotere snelheid dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dat aan de volgende eisen voldoet:

    • a. de remmen moeten door de machinist van zijn plaats af in werking kunnen worden gesteld;

    • b. de remmen moeten in werking treden, zodra de doorgaande leiding anders dan tengevolge van een bedieningshandeling wordt verbroken.

    Bij goederentreinen, rijdende met een grotere snelheid dan 60 km/h moet het doorgaand zelfwerkend remsysteem vanuit elke afdeling voor verblijf van treinpersoneel aangewezen, in werking kunnen worden gesteld.

    Met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde kan de Directie voor door bepaalde krachtvoertuigen vervoerde treinen zonder doorgaand zelfwerkend remsysteem een hogere snelheid dan 40 km/h toestaan.

  • 6 De constructie van het doorgaand zelfwerkend remsysteem en de inrichting om dit te bedienen worden vastgesteld door de Directie.

  • 7 Voertuigen die niet kunnen worden aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem, mogen onverminderd het bepaalde in het negende lid achteraan worden vervoerd, en wel:

    • a. in reizigerstreinen, voor zover deze met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, en voor zover deze sneller rijden ten hoogste één,

      mits in alle gevallen elk voertuig ten minste weegt:

      10 t, indien het twee assen heeft,

      14 t, indien het drie assen heeft,

      16 t, indien het meer dan drie assen heeft;

    • b. in goederentreinen, voor zover deze met een snelheid van meer dan 40 km/h doch niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, elk wegende ten minste 8 t, en voor zover deze sneller dan 80 km/h rijden ten hoogste één, waarvan het gewicht aan de onder a gestelde eisen voldoet.

  • 8 Bovendien mag in reizigerstreinen ten hoogste één voertuig worden vervoerd waarvan de op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem buiten werking is mits dit voertuig ten minste 14 t weegt. De Minister is bevoegd afwijking van deze bepaling toe te staan voor door hem aangewezen treinen waarmede zowel personen als goederen worden vervoerd, mits deze treinen met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden.

  • 9 Op spoorwegen met hellingen groter dan 5o/oo en langer dan 1000 m moet in elke trein het laatste voertuig zijn voorzien, hetzij van een op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem, hetzij van een handrem.

    In het laatstbedoelde geval moet een personeelslid aanwezig zijn, dat de handrem zonodig kan bedienen.

  • 10 Bij uitzondering mag in goederentreinen, achter het in het negende lid bedoelde voertuig, onverminderd het bepaalde in het zevende lid onder b, een herstelling behoevend voertuig worden vervoerd, indien dat vervoer geen gevaar oplevert en de aard van de beschadiging een andere plaatsing in de weg staat.

Artikel 54. Snelheid [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De snelheid waarmede de treinen mogen worden vervoerd, wordt per spoorweg of zo nodig per spoorweggedeelte

    door de Directie vastgesteld

    door de Minister vastgesteld.

    Zij mag overigens onverminderd het bepaalde in het vijfde lid en noodzakelijke snelheidsbeperkingen in verband met de aard van het materieel of de situatie ter plaatse, niet meer bedragen dan:

    • a. 140 km/h voor reizigerstreinen en treinen bestaande uit ledig reizigersmaterieel; de Minister kan voor door hem te bepalen baanvakken en onder door hem te stellen voorwaarden een grotere snelheid toestaan;

    • b. 100 km/h voor goederentreinen en werktreinen; de Directie kan voor door haar aan te wijzen treinen een snelheid toestaan van meer dan 100 km/h doch ten hoogste 140 km/h, mits ook de belading aan door haar te stellen eisen voldoet;

      • a. 100 km/h voor reizigerstreinen en treinen bestaande uit ledig reizigersmaterieel;

      • b. 80 km/h voor goederentreinen en werktreinen;

      • c. 60 km/h, wanneer de trein wordt opgedrukt op de in artikel 51, vijfde lid, bedoelde wijze;

      • d. 30 km/h voor treinen die niet door de machinist vanuit een cabine aan het hoofd van de trein worden bediend, indien echter, op een door de Directie aangewezen gedeelte van de spoorweg op het voorste voertuig van een niet voor reizigersvervoer aangewezen trein, personeel dienst doet dat het doorgaand zelfwerkend remsysteem kan bedienen en zich door middel van een radioverbinding met de machinist kan verstaan, bedraagt de hoogste toegelaten snelheid 60 km/h.

  • 2 Voor proefritten is de snelheid onbeperkt.

  • 3 Voor proefritten is de snelheid beperkt tot 100 km/h.

  • 4 Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid is de snelheid, waarmede treinen worden vervoerd, niet hoger dan krachtens het eerste lid is vastgesteld. Zij bedraagt voorts bij het doorrijden van bogen, waaronder begrepen wisselbogen, niet meer dan voor deze bogen is vastgesteld overeenkomstig de volgende formule:

    Bijlage 13702.png

    In deze formule is:

    v de toegelaten snelheid in km/h

    h de verkanting in mm

    a de niet door de verkanting gecompenseerde zijdelingse versnelling; deze waarde mag ten hoogste bedragen:

    voor spoor in grindballast 0,4 m/sec2

    voor spoor in gebroken grindballast 0,6 m/sec2

    voor spoor in steenslagballast en voor wisselbogen 0,8 m/sec2

    r de boogstraal in m.

    De Directie-Generaal kan in door hem bepaalde gevallen grotere zijwaartse versnellingen toestaan.

  • 5 In of krachtens het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt bepaald of, en in welke mate de snelheid moet worden verminderd waar zulks voor de veiligheid van het verkeer nodig mocht zijn.

  • 6 De Directie wijst plaatsen aan waar toestellen voor het meten van de treinsnelheden worden geplaatst.

  • 7 Voor zover een spoorweg op de openbare weg is aangelegd, kan de Minister, de Directie en gedeputeerde staten van de betrokken provincie gehoord, voorschrijven, dat en in welke mate de snelheid moet worden verminderd.

Artikel 55. Nazien van de treinen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen moeten, globaal eenmaal per etmaal, geheel worden nagezien. Daarbij moet er in het bijzonder op worden gelet, dat de voertuigen geen gebreken vertonen die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren.

  • 2 Elke trein moet, voordat hij naar de eerste bestemming van de dag vertrekt, geheel zijn nagezien. Daarbij moet er in het bijzonder op worden gelet, dat:

    • a. indien de trein is voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dit goed werkt;

    • b. het remgewicht van de trein voldoet aan het bepaalde in artikel 53, eerste lid, en de remmen zoveel mogelijk gelijkelijk over de trein zijn verdeeld:

    • c. in de trein geen voertuigen zijn opgenomen die niet geschikt zijn voor de grootste snelheid waarmee de trein wordt vervoerd;

    • d. de voertuigen onderling op de juiste wijze zijn gekoppeld;

    • e. de voor de veiligheid nodige elektrische verbindingen tussen de voertuigen zijn aangebracht en deze goed werken;

    • f. de in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27, omschreven seinen en de in artikel 56 bedoelde seinmiddelen aanwezig zijn;

    • g. de buitendeuren van het reizigersmaterieel goed sluiten;

    • h. elke wagen zoveel mogelijk gelijkmatig is beladen en niet tot een zwaarder gewicht dan is toegelaten;

    • i. van een goederentrein de wagens en hun belading geen gebreken vertonen.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid worden de voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen die worden ingezet bij RandstadRail, volgens een door de Directie vast te stellen schema nagezien. Daarbij wordt er in het bijzonder op gelet, dat de voertuigen geen gebreken vertonen die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren.

  • 4 De Directie bepaalt op welke punten moeten worden gelet bij een wijziging in de samenstelling van de trein.

Artikel 56. Gereedschappen en seinmiddelen in de treinen [Vervallen per 01-12-2015]

Elke trein wordt voorzien van de gereedschappen, nodig bij kleine ongevallen en herstellingen van het rollend materieel, alsmede van middelen voor het treffen van veiligheidsmaatregelen bij onregelmatigheden.

Artikel 57. Wijze van rijden bij dubbel spoor [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Waar dubbel spoor ligt, houden de treinen het ten opzichte van de rijrichting rechts liggende spoor.

  • 2 Afwijkingen van die regel zijn geoorloofd:

    • a. indien de beveiliging mede is ingericht voor het berijden van het ten opzichte van de rijrichting links liggende spoor;

    • b. waar met toestemming van de Directie de beveiliging uitsluitend is ingericht voor het berijden van het ten opzichte van de rijrichting links liggende spoor;

    • c.

      • - voor treinen naar of van spooraansluitingen,

      • - voor treinen die niet ten dienste van het publiek zijn ingelegd,

      • - voor treinen die in verband met werkzaamheden aan de spoorweg het rechts liggende spoor niet kunnen berijden,

      • - voor krachtvoertuigen die na het opdrukken van een trein terugkeren,

      • - voor treinen die betrokken zijn bij ongevallen of onregelmatigheden in de treinenloop,

    een en ander onder inachtneming van de in of krachtens het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, voor te schrijven maatregelen.

Artikel 58. Treinbewegingen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Een trein mag een spoorgedeelte eerst berijden, indien:

    • a. de zekerheid is verkregen dat dit spoorgedeelte vrij is;

    • b. de zekerheid is verkregen dat op dat spoorgedeelte geen trein uit tegengestelde richting gelijktijdig wordt toegelaten;

    • c. een en ander door seinen aan de machinist is kenbaar gemaakt;

    • d. een en ander door seinen of op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aangeduide andere wijze aan de machinist is kenbaar gemaakt.

  • 2 De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, wordt op een der volgende wijzen verkregen:

    • a. door middel van zelfwerkend blokstelsel, waarbij het desbetreffende seinbeeld alleen kan worden getoond, indien het te berijden spoorgedeelte vrij is en tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;

    • b. door middel van bediend blokstelsel, waarbij het desbetreffende sein, nadat het is bediend voor een trein, alleen opnieuw kan worden bediend, nadat door inrichtingen of door waarneming is vastgesteld, dat deze trein het desbetreffende spoorgedeelte heeft verlaten en door inrichtingen tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;

    • c. Op door de Minister aan te wijzen voor het vervoer van reizigers bestemde spoorwegen of gedeelten daarvan, doordat het betrokken personeellid eerst toestemming geeft om een spoorgedeelte te berijden, nadat hem is meegedeeld of uit zijn eigen waarneming is gebleken, dat de voorgaande trein dit spoorgedeelte heeft verlaten en geen trein gelijktijdig uit tegengestelde richting wordt toegelaten;

    • d. op spoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen, op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aan te geven wijze.

  • 3 In het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt aangegeven hoe, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en c, treinbewegingen plaats hebben:

    • a. bij afwijkend gebruik van de sporen;

    • b. op stations;

    • c. indien een seinbeeld wordt getoond dat het voorbijrijden toelaat, maar daarbij niet de zekerheid geeft dat het te berijden spoorgedeelte vrij is;

    • d. indien een trein niet is uitgerust met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;

    • e. in geval van storing.

  • 4 in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt geregeld hoe treinbewegingen worden beveiligd tegen rangeerbewegingen.

Artikel 59. Uitvoering van de dienstregeling [Vervallen per 01-12-2015]

Een trein mag vóór de in de dienstregeling aangegeven tijd rijden, mits:

  • a. het een baanvak betreft waar:

    • - alle sluitbomen, als bedoeld onder a van het eerste lid van artikel 20, zodanig in de beveiliging zijn opgenomen, dat de vaste seinen, die toegang geven tot de overweg alleen een seinbeeld kunnen tonen dat het voorbijrijden toelaat als de bomen zijn gesloten, of

    • - deze seinen en de bomen vanuit dezelfde post worden bediend;

  • b. het treinen betreft die niet voor het openbaar vervoer van reizigers bestemd zijn.

Artikel 60. Treinrapporten [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Op de treinrapporten, bedoeld in artikel 71, derde lid, worden aangetekend:

    • a. de dag, het nummer of de letter van de trein en het baanvak, waarop deze loopt;

    • b. de werkelijke tijd van vertrek en aankomst op elk station benevens het aantal minuten vertraging; indien de werkzaamheden van de chef van de trein aan de machinist zijn opgedragen, kan volstaan worden met vermelding van de werkelijke tijden van vertrek en aankomst op de begin- en eindstations en op de stations, waar gekruist wordt;

    • c. de oorzaken van de vertragingen;

    • d. alle buitengewone voorvallen, die zich gedurende de loop van de trein voordoen;

    • e. de nummers van de kracht- en andere voertuigen, waaruit de trein is samengesteld.

  • 2 De Directie kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Artikel 61. Rangeerdelen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Het bedienen van een krachtvoertuig in de rangeerdienst kan hetzij rechtstreeks, hetzij op andere wijze van buitenaf geschieden.

    In het eerste geval moet de machinist zich op het krachtvoertuig, in het laatste geval op of bij het rangeerdeel bevinden.

  • 2 Het krachtvoertuig waarmee een rangeerbeweging wordt uitgevoerd, voert de seinen als omschreven in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.

  • 3 De Minister kan na de Directie te hebben gehoord bepalen, op welke tijden niet mag worden gerangeerd over door hem aan te wijzen overwegen.

Artikel 62. Stilstaande voertuigen en krachtvoertuigen in dienstvaardige staat [Vervallen per 01-12-2015]

Maatregelen worden genomen om te beletten, dat op de sporen staande voertuigen door de wind of door andere onvoorziene omstandigheden in beweging worden gebracht en dat krachtvoertuigen zonder te zijn bediend in beweging komen.

Artikel 63. Bijzondere voertuigen [Vervallen per 01-12-2015]

Voorschriften betreffende bijzondere voertuigen worden opgenomen in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51.

Hoofdstuk V. Bepalingen van verschillende aard [Vervallen per 01-12-2015]

Afdeling I. Dienstregeling [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 64 [Vervallen per 17-08-1993]

Artikel 65 [Vervallen per 17-08-1993]

Afdeling II. Ongevallen en andere onregelmatigheden [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 66. Maatregelen in verband met ongevallen en andere onregelmatigheden [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 In het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, worden voorschriften opgenomen betreffende de te nemen maatregelen:

    • a. indien een trein tengevolge van een onregelmatigheid buiten een station tot stilstand is gekomen en zijn rit niet kan vervolgen;

    • b. indien een gedeelte van een trein onderweg afbreekt;

    • c. indien een hoofdspoor versperd is.

  • 2 Zo nodig schrijft de Directie aanvullende maatregelen voor met betrekking tot onregelmatigheden op stations.

  • 3 De Directie wijst de plaatsen aan,

    waar een reservekrachtvoertuig gereed moet staan voor onmiddellijk gebruik, en

    waar de nodige werktuigen en materialen aanwezig moeten zijn om bij ongevallen het spoor spoedig te kunnen ontruimen.

Artikel 67. Hulp bij ongevallen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De Directie wijst voor reizigers geopende stations en halten aan, waar de door hem voor te schrijven middelen tot het verlenen van eerste hulp aan en tot het vervoer van gewonden aanwezig moeten zijn.

  • 2 De Directie schrijft voor, welke middelen tot het verlenen van eerste hulp aan gewonden in elke trein waarmede reizigers worden vervoerd, aanwezig moeten zijn.

  • 3 De Directie treft een regeling omtrent de wijze, waarop aan de daarbij aan te wijzen personeelsleden de nodige kennis wordt bijgebracht voor het verlenen van eerste hulp aan gewonden.

Artikel 68. Kennisgeving en onderzoek van ongevallen [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Door de Directie wordt onmiddellijk kennis gegeven:

    • a. van alle voorvallen op de spoorweg, die hetzij de veiligheid of de regelmatigheid van het spoorwegverkeer hetzij de veiligheid van personen in gevaar hebben gebracht, schriftelijk aan een der ambtenaren, belast met het toezicht, en bovendien per telex in gevallen waarbij de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar is gebracht en tevens een ongeval is ontstaan;

    • b. van ernstige botsingen en van ernstige ontsporingen van één of meer treinen per telex aan de Minister en bovendien telefonisch aan een der ambtenaren, belast met het toezicht, aan de burgemeester van de gemeente in welke het voorval heeft plaatsgevonden en aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waartoe die gemeente behoort;

    • c. van voorvallen op de spoorweg, die dood of zwaar lichamelijk letsel, van één of meer personen ten gevolge hebben gehad, telefonisch aan de burgemeester van de gemeente in welke het voorval heeft plaatsgevonden en aan de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waartoe die gemeente behoort.

  • 2 Van elk door de Directie in te stellen onderzoek betreffende voorvallen, waarbij de veiligheid van het spoorwegverkeer in ernstige mate in gevaar wordt gebracht, wordt tijdig kennis gegeven aan een der ambtenaren, belast met het toezicht. Die ambtenaren kunnen het onderzoek bijwonen. De Directie doet een verslag van het onderzoek aan de ambtenaren, belast met het toezicht, alsmede aan de Minister toekomen.

Artikel 69. Openbaar onderzoek van ongevallen [Vervallen per 01-07-1999]

Hoofdstuk VI. Personeel [Vervallen per 01-12-2015]

Afdeling I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 70. Algemene vereisten [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Het personeel moet de voor een behoorlijke uitoefening van zijn werkzaamheden vereiste lichamelijke en geestelijke gesteldheid bezitten.

  • 2 De personeelsleden bedoeld in artikel 74 moeten de Nederlandse taal kunnen lezen en schrijven, voorzover zulks voor een behoorlijke uitoefening van de dienst wordt vereist.

Artikel 71. Personeel op de trein [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Op elke trein moeten ten minste een chef van de trein en een machinist dienst doen, behoudens het bepaalde in het vijfde lid.

  • 2 De chef van de trein heeft de leiding over het overige personeel, voorzover dit op de trein dienst doet.

  • 3 De chef van de trein moet, voor zover zulks door de Directie is voorgeschreven, gedurende de loop van de trein de treinrapporten invullen, als is aangegeven in artikel 60.

  • 4 Het bedienen van de doorgaande rem mag slechts door de machinist geschieden.

  • 5 Aan de machinist kunnen - onverminderd het bepaalde in artikel 73, tweede lid - de werkzaamheden van chef van de trein worden opgedragen op

    • - losse locomotieven,

    • - goederentreinen,

    • - werktreinen,

    • - posttreinen,

    • - treinen samengesteld uit ledig reizigersmaterieel,

    • - reizigerstreinen voorzien van op afstand bediende deuren, waarvan het gesloten zijn door middel van cabinesignalering wordt aangegeven,

    • - treinen bestemd voor het vervoer van militairen,

    • - andere door de Directie aan te wijzen treinen.

Artikel 72. Leeftijd en vakbekwaamheid van krachtvoertuigpersoneel [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Met het bedienen van een krachtvoertuig mag slechts worden belast hij, die:

    • a. ten minste 18 jaar is;

    • b. ten minste volledig basisonderwijs of een daaraan gelijkwaardige opleiding heeft genoten;

    • c. voldoende bewijzen heeft gegeven van praktische en theoretische bekwaamheid door het rijden van een proefrit en het afleggen van een examen; de exameneisen en de samenstelling van de examencommissie behoeven de instemming van de Directie.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, mag met het bedienen van een krachtvoertuig in de rangeerdienst of van een trein, niet aangewezen voor reizigersvervoer, met een snelheid van niet meer dan 50 km/h slechts worden belast hij, die ten minste een maand onder toezicht van een ervaren machinist op een zodanig krachtvoertuig heeft dienst gedaan.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onder b en c, en in het vierde lid, wordt met het bedienen van een krachtvoertuig van treinen, opengesteld voor reizigers, slechts degene belast die ten minste een maand onder toezicht van een ervaren machinist een dergelijk krachtvoertuig heeft bediend.

  • 4 Een machinist van een trein, opengesteld voor reizigers anders dan personeel, is ten minste 21 jaar.

  • 5 Ten aanzien van het bedienen van krachtvoertuigen met een vermogen aan de wielomtrek van minder dan 110 kW kan de Directie ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid en, voor zover het betreft treinen niet aangewezen voor reizigersvervoer, van het bepaalde in het derde lid.

  • 6 Ten aanzien van personeel van werkplaatsen en bedrijven van de spoorwegdienst dat voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen is het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing voor zover het betreft het in rangeerdienst overbrengen van rollend materieel, bestemd voor of afkomstig van een werkplaats of bedrijf, van of naar daarvoor aangewezen overgavesporen.

  • 7 De Minister kan ten aanzien van krachtvoertuigpersoneel dat dienst doet op door hem aan te wijzen materieel en baanvakken van de voorgaande leden afwijkende, of aanvullende, eisen stellen.

Artikel 73. Bepalingen tot bevordering van de zorgvuldige uitoefening van de dienst [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 De Directie draagt zorg, dat het personeel, voor zover de zorgvuldige uitoefening van zijn dienst dit vordert, te zijner beschikking heeft de nodige gedeelten van dit reglement, van het ARV en van het reglement, bedoeld in artikel 6 van de Spoorwegwet, alsmede de nodige gedeelten van de tijdtafel van de dienstregeling of een overzicht van de treinenloop ter plaatse waar het dienst doet.

  • 2 Aan het personeel dat dienst doet op belangrijke posten die dienen voor de verzekering van het veilig verkeer op de spoorweg, noch aan machinisten gedurende de loop van de treinen waarop zij dienst doen, mag iets worden opgedragen of toegestaan waardoor hun aandacht zou kunnen worden afgeleid.

Artikel 74. Beëdiging van personeel [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 75. Wijze van beëdiging [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 76. Kleding en onderscheidingstekenen [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 77. Personeel van een buitenlandse spoorwegdienst [Vervallen per 01-12-2015]

Personeel van een buitenlandse spoorwegdienst kan op de spoorweg dienst doen onder de Directie te stellen voorwaarden; bij deze voorwaarden kan worden afgeweken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 78. Personen die niet tot het personeel behoren [Vervallen per 01-12-2015]

Personen die niet tot het personeel behoren en niet vallen onder artikel 77 kunnen onder door de Directie te stellen voorwaarden:

  • a. tot de spoorweg worden toegelaten voor de bediening van het in artikel 48 bedoelde rollend materieel;

  • b. worden belast met de leiding van werkzaamheden aan de spoorweg met de daartoe behorende voorzieningen, zowel binnen als in de nabijheid van het profiel van vrije ruimte, bedoeld in artikel 14, of met de zorg voor het nemen van veiligheidsmaatregelen bij die werkzaamheden;

  • c. worden belast met de bediening en begeleiding van treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen die voor de in onderdeel b bedoelde werkzaamheden worden ingezet.

Bij deze voorwaarden kan worden afgeweken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Afdeling II. Dienstvoorwaarden [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 79. Goedkeuring en vaststelling van het Reglement Dienstvoorwaarden [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 80. Inhoud van het Reglement Dienstvoorwaarden [Vervallen per 13-10-2006]

Artikel 81. Wijziging van het Reglement Dienstvoorwaarden [Vervallen per 13-10-2006]

Afdeling III. Arbeids- en rusttijden [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 82. Verklaring van enkele in deze afdeling gebruikte begrippen [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 83. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 84. Arbeidstijd [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 85. Dienst [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 86. Dagelijkse rusttijd [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 87. Wekelijkse rusttijd en zondagsrust [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 88. Nachtdienst [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 89. Dienst doen van personeelsleden jonger dan 18 jaar [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 90. Dienstroosters en administratie [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 91. Ontheffingen [Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 92. Toegelaten afwijkingen en mededelingen [Vervallen per 01-10-1997]

Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-12-2015]

Artikel 93 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 2 Vergunningen, verleend door of namens de Minister krachtens artikel 15 van het Algemeen Reglement Dienst, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn verleend krachtens artikel 15 van dit besluit.

  • 4 De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 3 van Ons besluit van 9 augustus 1922, betreffende de wijze van afsluiting der spoorwegen, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 19, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 18, derde lid, van dit besluit.

Artikel 94 [Vervallen per 01-12-2015]

De overwegen, welke bij inwerkingtreding van dit besluit worden beveiligd op één der in artikel 20 van dit besluit voorgeschreven wijzen, worden geacht te zijn beveiligd op grond van artikel 18, derde of vierde lid, van dit besluit. Met de uitvoering van de voorzieningen wordt geacht te zijn ingestemd krachtens artikel 20, vierde lid, van dit besluit. Andere of aanvullende maatregelen of voorzieningen worden geacht te zijn voorgeschreven op grond van artikel 20, vijfde of zesde lid, van dit besluit.

Artikel 95 [Vervallen per 01-12-2015]

De beschikkingen, genomen door de Minister krachtens artikel 9, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 10, tweede respectievelijk derde lid, onderscheidenlijk artikel 12, eerste lid, tweede respectievelijk derde lid, eerste volzin van het Algemeen Reglement Dienst, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 21, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 22, eerste respectievelijk tweede lid, onderscheidenlijk artikel 23, tweede, derde, vierde respectievelijk vijfde lid, van dit besluit.

Artikel 96 [Vervallen per 01-12-2015]

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 97 [Vervallen per 01-12-2015]

Ingetrokken worden:

  • a. Ons besluit van 15 mei 1933, Stb. 277, houdende vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de spoorwegen;

  • b. Ons besluit van 16 maart 1935, Stb. 142, tot vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de locaalspoorwegen;

  • c. Ons besluit van 9 augustus 1922, Stb. 490, betreffende de wijze van afsluiting der spoorwegen.

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk , 25 januari 1977

Juliana

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Westerterp

Uitgegeven de negenentwintigste maart 1977

De Minister van Justitie,

Van Agt

Inhoud RDHL [Vervallen per 01-12-2015]

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

1.

Verkorte titel

2.

Begripsomschrijvingen

3.

Toepasselijkheid van dit reglement

4.

Benaming hoofdspoorwegen en lokaalspoorwegen

5.

Bepalingen voor hoofd- en/of lokaalspoorwegen

6.

Ontheffingen en afwijkingen voor buitenlandse spoorwegdiensten en voor grensdienstbaanvakken

7.

Ontheffingen en afwijkingen voor lokaalspoorwegen

8.

Ontheffingen en afwijkingen voor proefnemingen

9.

Voorwaarden, welke aan ontheffingen worden verbonden

10.

Beperkingen van bevoegdheden van de Directie

Hoofdstuk II

De spoorweg en zijn vaste voorzieningen

Afdeling I

Stations en halten

11.

Inrichting van stations en halten

12.

Voorschriften betreffende orde en veiligheid op buitenpleinen en toegangen

Afdeling II

Sporen en werken

13.

Eisen te stellen aan de bovenbouw en de kunstwerken; afstandaanduidingen

14.

Profiel van vrije ruimte

15.

Voorzieningen ten behoeve van derden

16.

Onrechtmatige bediening, beschadiging en verontreiniging

17.

Onderhoud, bewaking en schouw

Afdeling III

Afsluiting; overwegen/kol>

18.

Afsluiting van de spoorweg

19.

Afsluiting buiten de overwegen

20.

Beveiliging van en veiligheidsmaatregelen bij overwegen

21.

Bijzondere bepalingen voor overwegen beveiligd door sluitbomen

22.

Verlichting bij overwegen

23.

Verkeerstekens bij overwegen

24.

Gebruik door wegverkeer van overwegen en van openbare wegen, waarin een lokaal spoor is gelegen

25.

Overwegen ten behoeve van de spoorwegdienst, reizigers e.d.

Afdeling IV

Beveiliging

26.

Vaste seinen en spreekverbindingen

27.

Beschrijving en plaats van de seinen

28.

Seingeving

29.

Verband tussen seinen en wissels en beweegbare bruggen en tussen seinen onderling

30.

Door wachters te geven stopsein

31.

Automatische treinbeïnvloeding

Hoofdstuk III

Rollend materieel

Afdeling I

Krachtvoertuigen

32.

Technische Eenheid van de Spoorwegen

33.

Verdere voorschriften betreffende de constructie van krachtvoertuigen

34.

Albums

35.

Motortreinstellen

Afdeling II

Rijtuigen en wagens

36.

Technische Eenheid van de Spoorwegen

37.

Verdere voorschriften betreffende de constructie van rijtuigen en wagens

38.

Bijzondere voorschriften betreffende rijtuigen

39.

Stuurstandvoertuigen

40.

Opschriften op en in rijtuigen

Afdeling III

Algemene bepalingen

41.

Omgrenzingsprofiel

42.

Asbelasting en gewicht per strekkende meter

43.

Aanschaffing

44.

Indienststelling; register

45.

Wijziging

46.

Onderhoud

47.

Administratie

48.

Rollend materieel dat niet aan de spoorwegdienst toebehoort

49.

Gebruik van buitenlands rollend materieel

50.

Afwijkingen

50a.

Goedgekeurde hogesnelheidstreinen

Hoofdstuk IV

Trein- en rangeerdienst

51.

Plaats van de krachtvoertuigen en de machinist in de trein

52.

Samenstelling van treinen; treinseinen

53.

Remmen

54.

Snelheid

55.

Nazien van de treinen

56.

Gereedschappen en seinmiddelen in de treinen

57.

Wijze van rijden bij dubbel spoor

58.

Treinbewegingen

59.

Uitvoering van de dienstregeling

60.

Treinrapporten

61.

Rangeerdelen

62.

Stilstaande voertuigen en krachtvoertuigen in dienstvaardige staat

63.

Bijzondere voertuigen

Hoofdstuk V

Bepalingen van verschillende aard

Afdeling I

Dienstregeling

64.

Ontwerp en goedkeuring van de dienstregeling

65.

Bekendmaking en wijziging van de dienstregeling

Afdeling II

Ongevallen en andere onregelmatigheden

66.

Maatregelen in verband met ongevallen en andere onregelmatigheden

67.

Hulp bij ongevallen

68.

Kennisgeving en onderzoek van ongevallen

69.

Openbaar onderzoek van ongevallen

Hoofdstuk VI

Personeel

Afdeling I

Algemene bepalingen

70.

Algemene vereisten

71.

Personeel op de trein

72.

Leeftijd en vakbekwaamheid van krachtvoertuigpersoneel

73.

Bepalingen tot bevordering van de zorgvuldige uitoefening van de dienst

74.

Beëdiging van personeel

75.

Wijze van beëdiging

76.

Kleding en onderscheidingstekenen

77.

Personeel van een buitenlandse spoorwegdienst

78.

Personen die niet tot het personeel behoren

Afdeling II

Dienstvoorwaarden

79.

Goedkeuring en vaststelling van het Reglement Dienstvoorwaarden

80.

Inhoud van het Reglement Dienstvoorwaarden

81.

Wijziging van het Reglement Dienstvoorwaarden

Afdeling III

Arbeids- en rusttijden

82.

Verklaring van enkele in deze afdeling gebruikte begrippen

83.

Algemene bepalingen

84.

Arbeidstijd

85.

Dienst

86.

Dagelijkse rusttijd

87.

Wekelijkse rusttijd en zondagsrust

88.

Nachtdienst

89.

Dienst doen van personeelsleden jonger dan 18 jaar

90.

Dienstroosters en administratie

91.

Ontheffingen

92.

Toegelaten afwijkingen en mededelingen

Hoofdstuk VII

 

93 t/m 97.

Overgangs- en slotbepalingen

Bijl. A:.

Normaal profiel van vrije ruimte

Bijl. B:.

Kinematisch omgrenzingsprofiel

Bijlage A. ( art. 14 RDHL) [Vervallen per 01-12-2015]

Bijlage 13703.png

Bijlage B. ( art. 41 RDHL) [Vervallen per 01-12-2015]

Bijlage 13704.png
Bijlage 13705.png