Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rechtspositieregeling voorzitters pre-gewesten

Geldend van 24-05-1976 t/m heden

Besluit van 29 maart 1976, tot vaststelling van een Rechtspositieregeling voorzitters pre-gewesten en wijziging van het Koninklijk besluit van 27 november 1968 (Stb. 655)

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 15 oktober 1975, nr. B75/U2918, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Kabinetszaken;

Gelet op artikel 125, eerste lid van de Ambtenarenwet 1929 en artikel 3, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

De Raad van State gehoord (advies van 19 november 1975, nr. 8);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 19 maart 1976, nr. B75/4084, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Kabinetszaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Vast te stellen de navolgende Rechtspositieregeling voorzitters pre-gewesten;

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

pre-gewest: rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in Hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen met een algemeen bestuurlijk karakter, waarvan de voorzitter door ons wordt benoemd;

voorzitter: voorzitter van een pre-gewest.

Artikel 2

Tot voorzitter kan alleen worden aangesteld hij die voldoet aan de eisen van benoembaarheid, welke met betrekking tot de burgemeesters zijn genoemd in artikel 67 van de gemeentewet.

Artikel 3

De benoeming tot voorzitter geschiedt voor de tijd van zes jaar.

Artikel 4

Alvorens zijn ambt te aanvaarden, wordt door de voorzitter in handen van Onze commissaris in de provincie, waarin de plaats van vestiging van het pre-gewest is gelegen, de volgende eed/belofte afgelegd:

Ik zweer/beloof trouw aan de Grondwet, en aan de Wetten des Rijks en dat ik de belangen van het pre-gewest.....

met al mijn vermogen zal voorstaan en bevorderen.

Ik zweer/verklaar, dat ik om tot voorzitter benoemd te worden, directelijk of indirectelijk aan geen persoon, ondet wat naam of voorwendsel ook, enige giften of gaven beloofd of gegeven heb.

Ik zweer/beloof, dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenoemd enige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig./Dat verklaar en beloof ik.

Artikel 5

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement vindt geen toepassing op de voorzitter.

Op hem zijn van overeenkomstige toepassing:

  • a. het Rechtspositiebesluit burgemeesters, met uitzondering van de artikelen 13 en 17 van dat besluit;

  • b. de artikelen 19a en 22b t/m d van het Bezoldigingsbesluit burgemeesters 1954;

  • c. de artikelen 17 t/m 20e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, met dien verstande, dat uitkeringen, tegemoetkomingen en vergoedingen, waarop krachtens één der bepalingen, genoemd onder a t/m c, ten laste van het Rijk of de gemeente voor de burgemeester aanspraak bestaat, voor rekening van het pre-gewest komen.

Artikel 6

Ontslag kan aan de voorzitter te allen tijde worden verleend.

Artikel 7

Ingeval de voorzitter zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt, kan hij, zo de zaak geen uitstel lijdt, door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging van het pre-gewest is gelegen, voor een maand worden geschorst.

Gedeputeerde Staten doen daarvan onmiddellijk aan Ons verslag.

Schorsing van Onzentwege gaat de tijd van drie maanden niet te boven.

Artikel II

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 29 maart 1976

Juliana

De Minister van Binnenlandse Zaken,

De Gaay Fortman

Uitgegeven de vierde mei 1976

De Minister van Justitie,

Van Agt