KruimelpadGeldend op 31-12-1997
[Regeling vervalt per 01-07-1998]
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
c. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
e. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
f. het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds: het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen.
1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen, die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
3. Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het grondgebied van een andere Mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht binnen Nederland te hebben gewoond.
1.Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
1.Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2.Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
3.Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
4.Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene:
a. bij de aanvang van de verzekering jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn 17e verjaardag in Nederland heeft gewoond; of
b. uit hoofde van een vroegere verzekeringsperiode reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
5.In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6.Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
7.Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten, hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
8.[Vervallen.]
9.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
10.Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het negende lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van bestuur getroffen ministeriële regeling, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onderdeel a, wordt niet gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel b, geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na de mededeling zijn verstreken.
1.Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft:
a. de verzekerde van 17 jaar of ouder die arbeidsongeschikt wordt indien hij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, inkomen heeft verworven uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voor bijzondere gevallen regels stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt;
b. de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is;
zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de verzekerde geacht geen inkomen te hebben verworven, indien dit inkomen minder bedroeg dan 48 maal het minimumloon, bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor een persoon van 23 jaar of ouder, zoals dat gold op de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat verzekerden dan wel groepen van verzekerden die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden geen inkomen hebben verworven als bedoeld in de vorige leden, zo nodig onder daarbij te stellen voorwaarden, geacht worden een inkomen te hebben verworven, als bedoeld in die leden.
4.Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid:
a. samengeteld, indien zij elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
b. buiten beschouwing gelaten voor zover zij liggen voor de dag, waarop de verzekerde 17 jaar is geworden.
5.Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het in het eerste en vierde lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
6.Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
7.Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke de betrokkene aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet of gedurende welke die aanspraak zou hebben bestaan indien hij verzekerd zou zijn geweest ingevolge die wet.
8.Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt de betrokkene geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet, indien hem in verband met artikel 29, 30, 31, 42, 44 of 45 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
9.Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met ingang van een dag, gelegen vóór die, waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt.
10.Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de bepaling van het inkomen als bedoeld in de vorige leden nadere regels gesteld.
11.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
12.Van een ontwerp van een besluit tot wijziging of intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid
b. een krachtens de onder a bedoelde algemene maatregel van bestuur getroffen ministeriële regeling,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Een voordracht tot wijziging of intrekking van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de vorige volzin, onder a, wordt niet gedaan en de vaststelling van een wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel b, geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na de mededeling zijn verstreken.
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 6 heeft de verzekerde, die aanspraak of uitzicht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP, dan wel krachtens de Algemene militaire pensioenwet aanspraak of uitzicht heeft op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, slechts recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien deze hoger is dan de eerstgenoemde arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel het bedoelde, eventueel met een aanvulling verhoogde, pensioen.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. groepen van personen worden aangewezen, waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is;
b. met betrekking tot het eerste lid nadere en zo nodig afwijkende regelen worden gesteld.
3.Bij ministeriële regeling worden, na overleg met Onze Ministers wie zulks aangaat, regels gesteld inzake een uitkering door het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds aan bij die regels aan te wijzen lichamen in verband met het ontbreken of beperken van het recht op uitkering en het niet in aanmerking brengen voor voorzieningen ingevolge deze wet van de in het eerste lid bedoelde verzekerden. Bij die regels kan voorts worden aangegeven in welke gevallen de in de eerste volzin bedoelde lichamen bevoegd zijn om de bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
1°. in rekening te brengen bij de werkgever van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde verzekerde die aanspraak of uitzicht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP;
2°. te weigeren aan de werkgever van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde verzekerde die krachtens de Algemene militaire pensioenwet aanspraak of uitzicht heeft op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid.
4.De op grond van het derde lid aangewezen lichamen zijn bevoegd de in het eerste lid bedoelde verzekerde op te roepen, te doen oproepen, te ondervragen, te doen ondervragen en door een of meer door hen daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken. De verzekerde is verplicht aan een oproep, ondervraging of onderzoek volledige medewerking te verlenen. Een weigering de volledige medewerking te verlenen, wordt voor de toepassing van de voor de verzekerde geldende rechtspositieregeling gelijkgesteld met een weigering de medewerking te verlenen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet privatisering ABP juncto de artikelen 25 en 28 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of F 6, twaalfde lid, van de Algemene militaire pensioenwet.
5.De werkgever van de in het eerste lid bedoelde verzekerde is verplicht gevallen, waarin de arbeidsongeschiktheid voortduurt, uiterlijk in de zesde maand na aanvang van de arbeidsongeschiktheid bij de op grond van het derde lid aangewezen lichamen te melden met het oog op de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid ten behoeve van de declaratie bij het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds. De op grond van het derde lid aangewezen lichamen kunnen omtrent de uitvoering van dit lid voorschriften geven.
6.Als werkgever van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde verzekerde die recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, wordt beschouwd de instantie van wie betrokkene de uitkering ter zake van werkloosheid ontvangt.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon.
2.Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op de uitkeringsgerechtigde die in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, niet in een voor zijn beroep normaal te achten duur arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven heeft verricht, en die mede als gevolg daarvan minder inkomen heeft verworven dan 261 maal de grondslag, bedoeld in het eerste lid.
4.Voor de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het derde lid, geldt als grondslag voor de berekening van de uitkering hetgeen hij in het jaar, bedoeld in het derde lid, geacht wordt gemiddeld per dag aan inkomen te hebben verworven.
5.De grondslag, bedoeld in het vierde lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
6.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het inkomen en de arbeid van normaal te achten duur, bedoeld in het derde en het vierde lid, en kunnen ook overigens nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
7.Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het vijfde lid plaatsvindt.
8.Op een beschikking als gevolg van een herziening van de grondslag ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
|
|
|
|
|
2.Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
3.Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
1.Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.
2.De verhoging op grond van dit artikel is niet vatbaar voor beslag.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, zo dikwijls hij zulks nodig oordeelt, de volgende personen oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het Landelijk instituut sociale verzekeringen te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. degene die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6, doormaakt;
b. degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. degene ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in Algemene Arbeidsongeschiktheidswet worden getroffen of overwogen.
2.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of vanwege het Landelijk instituut sociale verzekeringen te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
3.De daartoe door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen aan de in artikel 14, eerste lid, bedoelde personen voorschriften geven in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
1.Indien een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting,
weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering of toelage tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
2.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 16:
a. indien de belanghebbende de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 15 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet, zolang als het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 18, of de verplichting bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen, niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting bedoeld in artikel 78 niet binnen de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 24, derde lid.
1.Een maatregel als bedoeld in artikel 16 of 19 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
3.Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 20a wordt opgelegd.
4.Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
1.Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting bedoeld in artikel 78 niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste f 5000,–.
2.De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
4.Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht, de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
5.Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
6.Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
1.Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling jegens de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
2.Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen voornemens is om aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
3.Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4.In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
5.Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
1.Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 20g zal worden tenuitvoergelegd.
2.Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
3.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
1.Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
2.De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
3.Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan de betrokken uitvoeringsinstelling.
1.Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het Landelijk instituut sociale verzekeringen de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig het bepaalde in artikel 20b, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de betrokken uitvoeringsinstelling heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
2.Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
1.Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
2.Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd tenuitvoergelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
3.Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, betaalt de Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van hem, op haar verzoek aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
4.Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt, of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.
5.De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
6.Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
7.Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het Landelijk instituut sociale verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g http://wetten.overheid.nl/BWBR0001827/TweedeBoek/Tweedetitel/TweedeafdelingA/Artikel479g/geldigheidsdatum_31-12-1997, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
8.De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met ">475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .
9.Het achtste lid geldt niet, zolang de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting bedoeld in artikel 20a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven;
c. arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten;
d. arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van het gaan verwerven van dit inkomen het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder b en d, wordt met het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven, gelijkgesteld het tijdstip, waarop de betrokkene krachtens het derde lid van dat artikel geacht wordt een zodanig inkomen te zijn gaan verwerven.
3.De in het eerste lid, onder c en d, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke binnen een half jaar na de aanvang van de verzekering dan wel na het gaan verwerven van het inkomen is ingetreden.
4.Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing ten aanzien van degene als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, indien hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn 17e verjaardag in Nederland heeft gewoond.
5.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de bij dit artikel aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen gegeven bevoegdheid nadere regels worden gesteld.
Zolang het Landelijk instituut sociale verzekeringen ingevolge het bepaalde in de artikelen 16, 19 en 21 arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 5, tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande, dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip, met ingang waarvan de bedrijfsvereniging arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
1.Onverminderd het in deze wet terzake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over perioden van drie jaar.
2.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is verplicht de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen uiterlijk vier maanden voor de datum waarop:
a. de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet wegens het bereiken van de maximale duur, bedoeld in artikel 29 van die wet, eindigt;
b. de termijn, bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.
3.De belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel voortzetting van de uitkering, dient zijn aanvraag te doen binnen 9 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk uiterlijk 3 maanden voor de in het eerste lid bedoelde termijn verstrijkt.
4.Indien niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een beslissing is genomen op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.
5.Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend, indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
7.Indien de toepassing van het derde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen of voort te zetten.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang van welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag, waarop de aanvraag werd ingediend. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
2.Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde, dient binnen een jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als bedoeld in artikel 24, derde lid, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen te worden bezien of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden, die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijn.
4.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 27 tot en met 29.
1.Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering of een voorziening, alsook terzake van weigering van een zodanige uitkering of voorziening, herziet het Landelijk instituut sociale verzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 21;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 16, 19 of 78 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of voorziening;
c. indien anderszins de uitkering of voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 16, 19 of 78 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering of voorziening bestaat.
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
1.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 29 en 29a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd. De in de vorige volzin bedoelde herziening heeft niet plaats, indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die, waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen en de belanghebbende bij het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid:
a. hetzij niet verzekerd is;
b. hetzij verzekerd is doch in het jaar onmiddellijk daaraan voorafgaande geen inkomen als bedoeld bij of krachtens artikel 6 heeft verworven noch geacht wordt te hebben verworven.
2.Met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid is het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel a, van artikel 6 van overeenkomstige toepassing.
1.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd het bepaalde in artikel 29, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.Het bepaalde in de vorige leden is, in afwijking van het bepaalde in artikel 27, mede van toepassing met betrekking tot herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, indien de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken na de dag, met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
1.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven termijn in daarbij aan te wijzen gevallen.
2.Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel 25, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geldt met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid, onder a en b, als dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien de dag, met ingang van welke die uitkering zou zijn toegekend, onderscheidenlijk herzien, indien artikel 25, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
3.Onze Minister is bevoegd regels te stellen voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Ingevolge deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van degene die bij hervatting van de arbeid inkomsten uit arbeid geniet, die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
1.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.Dit artikel vindt geen toepassing, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 28 of 29, eerste lid, onderdelen a tot en met c.
1.Indien ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, vindt ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is vastgesteld met toepassing van een grondslag als bedoeld in artikel 10, vierde lid, hernieuwde vaststelling van een grondslag plaats overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 10, mits dat leidt tot een hogere grondslag dan die, welke laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.
Ten aanzien van degene voor wie tezelfdertijd het bepaalde in artikel 40 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegepast vindt de in de vorige volzin bedoelde hernieuwde vaststelling eerst plaats indien en zodra de in dat artikel bedoelde hernieuwde vaststelling van het dagloon plaatsvindt.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 10, derde lid, in plaats van "het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid.
3.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
1.Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
2.Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt in elk geval ambtshalve plaats, indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel na afloop van de in artikel 629, eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde tijdvak van 52 weken in aanmerking komt voor een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang van welke de belanghebbende ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
2.Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, is het bepaalde in artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3.De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, welke in de beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
4.Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan 1 jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de belanghebbende eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 33, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is gedaald.
2.De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, welke in de beschikking wordt genoemd als de dag waarop de arbeidsongeschiktheid was geëindigd, of beneden 25% was gedaald.
3.Indien intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide opleiding of scholing, is artikel 31, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die deelneemt aan een opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken of herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afname van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 12, derde lid, van toepassing is. Indien de belanghebbende tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5.Indien met toepassing van artikel 63 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een reïntegratie-uitkering wordt verstrekt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende de periode waarover eerstgenoemde uitkering wordt verstrekt, ter zake van de onbeloonde werkzaamheden niet ingetrokken of herzien.
1.Indien degene
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 32, eerste lid, onderdeel a, is ingetrokken, of
b. die aan het einde van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was,
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.Dit artikel vindt geen toepassing, indien op grond van artikel 37 aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op loon ingevolge artikel 629, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
1.Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:
a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 25% of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
2.De toepassing van het bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid bedoeld in dat lid worden genoten. Deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van korter dan een maand geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
3.Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten, vindt het tweede lid geen toepassing.
4.Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van dat loon, alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen aan ’s Rijks kas afgedragen.
5.Onze Minister kan bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen personen.
6.Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zonodig afwijkende regels stellen.
Indien degene, die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, door zijn werkgever zonder deugdelijke grond niet in de gelegenheid wordt gesteld hem passende arbeid te verrichten, is deze werkgever aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen een bedrag verschuldigd, gelijk aan het loon, dat betrokkene zou hebben ontvangen, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies, indien hij die arbeid wel had verricht.
1.Indien degene, aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het bedrag van het wezenpensioen overtreft.
2.Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering tevens verstaan de vakantie-uitkering, waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk dat wezenuitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde perioden zijn berekend.
3.Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld.
4.Indien degene, aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op een pensioen, een aanvulling op dat pensioen of een uitkering als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens artikel 8 wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het bedrag van dat pensioen, die aanvulling of die uitkering dan wel het gezamenlijk bedrag daarvan overtreft.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
1.Indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering tevens recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet uitbetaald.
2.Indien de betrokkene ter zake van de arbeidsongeschiktheid zowel recht heeft op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 27, 28, 29, 29a en 29b, als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
3.Indien na toepassing van het tweede lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als gevolg van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening, bedoeld in het tweede lid.
4.Voor de toepassing van het tweede en het derde lid wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, van degene op wie artikel 33, 36 of 43, onderscheidenlijk artikel 44 of 52 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel XXII van de Wet van 28 maart 1985 (Stb. 1985, 180) van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die uitkeringen, nadat bedoelde artikelen toepassing hebben gevonden.
5.Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering tevens verstaan de vakantie-uitkering, waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.
6.Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt herzien op grond van artikel 10 onderscheidenlijk de artikelen 14 en 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van het tweede en het derde lid onder arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verstaan het overeenkomstig die artikelen herziene bedrag van die uitkering.
7.Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
8.Het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat op grond van het eerste tot en met het derde lid niet tot uitbetaling komt wordt, vermeerderd met de door de werkgever daarover verschuldigde delen van de premies werknemersverzekeringen, afgedragen aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel 41a blijft hierbij buiten toepassing.
9.Onze Minister kan met betrekking tot het eerste tot en met het zevende lid nadere en zo nodig afwijkende regels stellen en kan ter uitvoering van het achtste lid nadere regels stellen.
1.Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met het bepaalde in artikel 32, eerste lid, onder a, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen een maand na de dag, met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.Het bepaalde in het vorige lid is mede van toepassing met betrekking tot degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% in verband met het bepaalde in artikel 32, eerste lid, onder a, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen een maand na de dag, met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
3.Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het bepaalde in artikel 32, eerste lid, onder a, is ingetrokken met ingang van een dag, welke gelegen is binnen een maand na de dag, met ingang van welke die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die maand weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 29, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het bepaalde in artikel 32, eerste lid, onder a, is ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, indien hij binnen een maand na de dag, met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5.De heropening gaat in op de dag, met ingang van welke de betrokkene weer arbeidsongeschikt is geworden en vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op die dag.
6.De artikelen 6, zesde lid, en 25, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag of ambtshalve heropend.
1.Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het recht op een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is ingetrokken, heeft, indien hij sedert de dag, waarop de intrekking plaatsvond, onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, met ingang van 1 januari 1998 aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, tenzij voor laatstgenoemde datum het recht op nabestaandenuitkering of tijdelijke weduwenuitkering is geëindigd. In dat geval heeft de persoon, bedoeld in het eerste lid, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag waarop de nabestaandenuitkering of tijdelijke weduwenuitkering is geëindigd.
2.De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum van ingang van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.Indien een uitkering is verstrekt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet vóór de datum van inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet wordt deze voor de toepassing van het eerste lid geacht verleend te zijn voor een jaar en wordt de uitkering ineens als bedoeld in het tweede en derde lid van dat artikel geacht te zijn verleend over de periode waarover zij is berekend. Met inachtneming van de datum van ingang van het eerste lid gaat de heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in dat geval in na afloop van de in de vorige volzin bedoelde periode.
4.De artikelen 6, zesde lid, 24, eerste lid en 25, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 worden daarbij verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden met betrekking tot de ingetrokken uitkering verrichtte.
2.De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen 28, derde lid, en 29, eerste lid, onder c, en 29a wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt een einde met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2.Toekenning of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien de uitkering onderscheidenlijk de heropening zou ingaan op of na de in het eerste lid bedoelde dag.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. De betaling geschiedt als regel in termijnen van niet langer dan een maand.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schorsing en opschorting van de uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.Ingeval de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
4.Wanneer degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
5.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen welke belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze wet, dan wel van loon of uitkering in verband met vrijwillig vervroegde uittreding ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten.
6.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd om, onder door hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, invaliditeitsuitkeringen of pensioenen dan wel loon of uitkeringen in verband met vrijwillig vervroegde uittreding ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten, verschuldigd door die organen, betaalbaar te stellen.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de uitkering, bedoeld in artikel 53, en op de toeslag op de uitkering op grond van de Toeslagenwet een bedrag in, dat gelijk is aan het bedrag van de premies die een werkgever ingevolge de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge die wetten, inhoudt.
2.Indien ingevolge een van de sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per sector verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van de op grond van het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen. Daarbij kan tevens worden afgeweken van artikel 9, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
4.De op grond van het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen worden ten gunste gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129). Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de eerste volzin nadere regels worden gesteld.
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het bestuur van de betrokken uitvoeringsinstelling, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
1.Na het overlijden van degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
2.Met degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, degene wiens overlijden heeft plaats gevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch voor het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend ingevolge artikel 40 over de dag van zijn overlijden geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering had.
3.Voor de toepassing van het eerste lid, worden mede als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste graad bestaat.
4.Van een gezamenlijk huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het vierde lid.
6.De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van degene aan wie die arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
7.In verband met het overlijden van degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is artikel 40, eerste lid, niet van toepassing.
8.De overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden genoemd in het eerste lid, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen uitbetaald.
9.De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
10.Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
11.De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.
1.Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van die wet, dan wel een bijdrage verschuldigd is ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 15 van de Overgangswet verzorgingshuizen, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan de Ziekenfondsraad.
2.Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, van de desbetreffende inrichting of van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de bedrijfsvereniging bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3.Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan de Ziekenfondsraad wordt uitbetaald.
4.Op de herziening van een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1.De uitkering of voorziening die als gevolg van een besluit als bedoeld artikel 26a onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Landelijk instituut sociale verzekeringen van de belanghebbende teruggevorderd.
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
3.Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 48a.
4.Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht, de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
5.In afwijking van het eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening.
2.Volmacht tot ontvangst van de arbeidsongeschiktheidsuitkering onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3.Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.
1.De vakantie-uitkering bedraagt 8 pct. van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop recht bestond in de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.
2.Indien artikel 33 of 36, vierde lid, is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het vorige lid verstaan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat een van de genoemde artikelen toepassing heeft gevonden.
3.De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar ambtshalve plaats in de maand mei.
4.Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
5.Op de toekenning van een vakantie-uitkering zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Onze Minister kan nadere, zo nodig van het bepaalde in artikel 53, eerste lid, afwijkende regels stellen ter berekening van de vakantie-uitkering van degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 43 niet of niet ten volle wordt uitbetaald en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid eveneens recht heeft op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd de verzekerde, degene, die verzekerd is geweest, degene, die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6, doormaakt, alsmede degene, die in het genot is of geweest is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, al dan niet op diens verzoek, in aanmerking te brengen voor voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid een en ander voor zover deze voorzieningen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 en 19, onder a en c, geschieden met instemming van de betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger.
2.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan een persoon, als bedoeld in het eerste lid, al dan niet op diens verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van zijn levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen, waarvoor hij op grond van het eerste lid in aanmerking is of wordt gebracht, of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar stellen van een doventolk of een blindengeleidehond, of
c. indien de betrokken persoon zich buiten het Rijk bevindt.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vorige leden regels gesteld.
4.De regels bij of krachtens maatregelen van bestuur zoals genoemd in het vorige lid treden niet eerder in werking dan acht weken na de bekendmaking.
5.Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, onder a.
6.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd op de werkgever in de zin van artikel 8 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan de toepassing van het eerste lid ten aanzien van een tot hem in dienstbetrekking staande persoon, een bedrag te verhalen, gelijk aan het loon dat die persoon niet ontvangt, omdat het eerste lid geen toepassing heeft kunnen vinden.
7.[Vervallen.]
8.Voorzieningen op grond van dit artikel zijn niet vatbaar voor beslag.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd degene die één of meer werknemers als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers of één of meer personen die de wachttijd van 52 weken bedoeld in artikel 6 doormaken, in dienst heeft al dan niet op diens verzoek, in aanmerking te brengen voor een vergoeding van de kosten welke voortvloeien uit de naleving van een onherroepelijk geworden eis als bedoeld in artikel 6 van eerdergenoemde wet, dan wel van de kosten, die overigens voortvloeien uit de noodzakelijke aanpassing van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen, de produktie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen aan vorenbedoelde werknemers, alsmede uit de aanpassing van de inrichting van het bedrijf voor zover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van die werknemer aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader worden geregeld in welke gevallen en tot welke hoogte een vergoeding wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat, in nader te omschrijven gevallen, een beslissing omtrent een vergoeding slechts mag worden genomen na goedkeuring van Onze Minister.
3.Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing indien op de werknemers, bedoeld in het eerste lid, artikel 8, eerste en tweede lid, onder a, van toepassing is.
1.Indien het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 57 tot gevolg heeft, dat betrokkene geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit dien hoofde inkomsten derft, heeft hij gedurende de duur van die voorziening aanspraak op een toelage, welke toelage overeenkomt met het bedrag van de gederfde inkomsten, met dien verstande, dat de toelage of, ingeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt genoten, de toelage vermeerderd met die uitkering, per dag niet mag te boven gaan het in het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd om indien het bedrag per dag aan gederfde inkomsten meer bedraagt dan het in het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon een hogere toelage te verlenen dan in de vorige volzin bedoeld.
2.Indien naar het oordeel van het Landelijk instituut sociale verzekeringen daartoe aanleiding bestaat kan gedurende de duur van een voorziening als bedoeld in artikel 57 een vergoeding worden verleend wegens kosten van onderhoud en huisvesting.
3.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd toelagen wegens inkomstenderving, alsmede vergoedingen te verlenen anders dan bedoeld in de vorige leden.
1.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen laat op zijn verzoek, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden, tot de vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering toe een gewezen verzekerde, die door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden verricht of gaat verrichten in het kader van ontwikkelingssamenwerking.
2.Met een gewezen verzekerde als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld degene, die vóór 1 oktober 1976 en na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar in Nederland heeft gewoond, doch op vorenbedoelde dag niet meer in Nederland woonde.
3.Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan van het bepaalde bij of krachtens deze wet worden afgeweken.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toekenning van inkomenssuppletie aan zelfstandigen, die recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering welke is berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% en die de uitoefening van hun bedrijf of beroep voortzetten.
1.De geldelijke bijdrage wordt gesteld op de helft van het jaarloon van de persoon voor wie de geldelijke bijdrage is verschuldigd. Bij de berekening van het jaarloon wordt uitgegaan van het terzake van de dienstbetrekking overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, of de overeengekomen vaste bezoldiging, zoals dat loon of die bezoldiging golden op de dag voorafgaande aan de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.
2.Bij ministeriële regeling kan voor verschillende groepen werkgevers, afhankelijk van het voor die groepen van werkgevers te bepalen arbeidsongeschiktheidsrisico, de hoogte van de geldelijke bijdrage lager worden vastgesteld en kunnen tevens nadere regels worden gesteld omtrent de bepaling van het loon of de bezoldiging waarnaar de geldelijke bijdrage wordt berekend.
3.De werkgever is de helft van de krachtens het eerste en het tweede lid voor hem geldende bijdrage verschuldigd indien de ongeschiktheid tot werken, die heeft geleid tot het recht op toekenning of verhoging van uitkering als bedoeld in artikel 59i, eerste lid, is aangevangen in het tweede jaar van de dienstbetrekking.
4.De overeenkomstig de vorige leden vastgestelde geldelijke bijdrage wordt gehalveerd indien de werkgever in verband met de indiensttreding van de betrokken werknemer een bonusuitkering heeft ontvangen dan wel een subsidie heeft ontvangen als bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
5.Onder arbeidsongeschiktheidsrisico wordt verstaan het totale aantal toegekende uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedeeld door het aantal voor die wet verzekerde werknemers, uitgedrukt in een percentage.
6.De bedrijfsvereniging stelt voor het onderdeel of de onderdelen van het bedrijfs- en beroepsleven, bedoeld in artikel 39 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, waarover zij haar werking uitstrekt elk jaar uiterlijk in september het arbeidsongeschiktheidsrisico over het afgelopen kalenderjaar vast. De bedrijfsvereniging stelt een afzonderlijk arbeidsongeschiktheidsrisico vast voor de bij ministeriële regeling nader te bepalen groepen van werkgevers.
7.Het Algemeen burgerlijk pensioenfonds stelt voor de werkgevers van de verzekerden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die aanspraak of uitzicht hebben op pensioen terzake van arbeidsongeschiktheid krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet elk jaar uiterlijk in september het arbeidsongeschiktheidsrisico over het afgelopen kalenderjaar vast.
8.Voor de toepassing van het zevende lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsrisico verstaan het totale aantal aan de in het zevende lid genoemde verzekerden toegekende uitkeringen op grond van deze wet, gedeeld door het totale aantal genoemde verzekerden, uitgedrukt in een percentage.
9.Voor de toepassing van het zevende en achtste lid worden onder toegekende uitkeringen op grond van deze wet tevens verstaan uitkeringen die aan de in die leden bedoelde verzekerden zouden zijn toegekend, indien artikel 8, eerste lid, niet op hen van toepassing zou zijn geweest.
In de uitvoering van deze wet wordt voorzien, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen en door uitvoeringsinstellingen die werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verrichten.
1.De verzekerde is verzekerd bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
2.Ten aanzien van de verzekerde die in geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden de werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem deze werkzaamheden met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verricht.
3.Ten aanzien van een verzekerde als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, onderdeel a, op wie het tweede lid niet van toepassing is, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen uitvoeringsinstelling.
4.Ten aanzien van de verzekerde die een bedrijf of beroep uitoefent en op wie het tweede of derde lid niet van toepassing is, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor de sector waarbij hij ingevolge artikel 52 en 53 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is aangesloten of zou zijn aangesloten, indien voor het bedrijf of beroep dat hij uitoefent, personeel in zijn dienst was.
5.Ten aanzien van de verzekerde die meewerkt in het bedrijf of beroep van zijn echtgenoot en op wie het tweede, derde en vierde lid niet van toepassing zijn, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden ingevolge het vierde en achtste lid ten aanzien van zijn echtgenoot verricht of zou verrichten indien het tweede of derde lid geen toepassing gevonden zou hebben.
6.Ten aanzien van de verzekerde die een gehuwde vrouw is en op wie het tweede, derde, vierde of vijfde lid niet van toepassing is, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen uitvoeringsinstelling.
7.Ten aanzien van de verzekerde die niet behoort tot de in het tweede tot en met het zesde lid bedoelde categorieën van verzekerden, wordt deze wet uitgevoerd door een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen uitvoeringsinstelling.
8.Indien ten aanzien van de in het vierde lid bedoelde verzekerde werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 ingevolge laatstgenoemde wet door meer dan één uitvoeringsinstelling zouden worden uitgevoerd, worden deze werkzaamheden ten aanzien van deze verzekerde verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor de sector of het sectoronderdeel waartoe de bedrijfs- of beroepswerkzaamheden behoren waarvoor door deze verzekerde in de regel het grootste bedrag aan loon wordt of vermoedelijk zal worden betaald.
9.Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, nadere regels stellen waarbij voor één of meer categorieën van personen van de vorige leden kan worden afgeweken.
Ongeacht het bepaalde bij of krachtens artikel 61 worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 met betrekking tot de herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de toekenning van die uitkering.
Degene, die arbeidsongeschikt is en geen aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet of op een pensioen onderscheidenlijk een uitkering ingevolge de in artikel 8 bedoelde wetten onderscheidenlijk regeling, is gehouden binnen een termijn van vijf maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht in kennis te stellen van zijn ongeschiktheid.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan in het belang van de bij deze wet geregelde verzekering ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds toelagen verlenen aan instellingen of organisaties, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van maatregelen welke strekken tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
Degene, die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kunnen van verplichtingen, welke hun bij of krachtens Hoofdstuk II van de Wet financiering volksverzekeringen zijn opgelegd, overeenkomstig het bij of krachtens paragraaf 8 van dat hoofdstuk bepaalde, worden vrijgesteld.
1.Degene, die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 6 doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 45 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.
2.Op degene ten aanzien van wie voorzieningen als bedoeld in artikel 57 worden getroffen of overwogen en op diens wettelijke vertegenwoordigers, alsmede op degenen aan wie een vergoeding als bedoeld in artikel 57a is toegekend of van wie toekenning van een dergelijke bijdrage wordt overwogen, rusten overeenkomstige verplichtingen als omschreven in het vorige lid.
1.In afwijking van artikel 7:10, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
2.Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen eenentwintig weken, na ontvangst van het bezwaarschrift.
1.Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een van de artikelen 2, 3 en 4.
2.Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Hij die op grond van bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
1.De verzekerde, die vóór 1 oktober 1976 de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt en op die dag arbeidsongeschikt was, heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering:
a. indien hij op 30 september 1976 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was of
b. zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt was.
2.Voor het bepalen van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede in aanmerking genomen perioden van arbeidsongeschiktheid, voorafgaande aan 1 oktober 1976.
3.Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden is artikel 6, vierde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.
4.Ten aanzien van degene, die recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan het bepaalde in het eerste lid, onder a, en die behoort tot de groep van personen als omschreven in artikel 61, eerste lid, onder c of d, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daartoe aangewezen uitvoeringsinstelling, indien hij op 1 oktober 1976 geen bedrijf of beroep uitoefende of niet medewerkte in het bedrijf of beroep van zijn echtgenoot.
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 89 heeft de verzekerde, bedoeld in dat artikel, die op 1 oktober 1976:
a. recht had op een vóór die dag ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering slechts recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft;
b. aanspraak of uitzicht had op invaliditeitspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, dan wel krachtens de Algemene militaire pensioenwet aanspraak of uitzicht had op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, slechts recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien deze hoger is dan bedoelde pensioenen of uitkeringen die daarvoor in de plaats zijn gekomen of dan de uitkeringen, waarop hij aanspraak had uit hoofde van zijn rechtspositie.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. groepen van personen worden aangewezen, waarop het eerste lid, onder b, van overeenkomstige toepassing is;
b. met betrekking tot het eerste lid nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
Het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, geregeld in de artikelen 89 en 90, komt slechts toe aan de verzekerde, die:
a. Nederlander is,
b. op 1 oktober 1976 in Nederland woonde en
c.
1°. hetzij gedurende het tijdvak, gelegen tussen 1 januari 1975 en 1 oktober 1976 in Nederland heeft gewoond;
2°. hetzij sedert 1 oktober 1970 gedurende zes jaren - al dan niet onafgebroken - in Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft gewoond.
Ten aanzien van de verzekerde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, zoals dat lid luidde tot 1 januari 1978, die arbeidsongeschikt is geworden na 1 oktober 1976, doch voor 1 november 1976, worden voor het bepalen van de periode van 52 weken als bedoeld in dat lid mede in aanmerking genomen perioden van arbeidsongeschiktheid voorafgaande aan 1 oktober 1976. Artikel 6, vijfde lid, en zevende tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.Het bepaalde in artikel 5, tweede lid, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan artikel 89 of 90.
2.Het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onder c, onderscheidenlijk d, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden voor 1 april 1977, indien hij gedurende het halve jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van die arbeidsongeschiktheid, onafgebroken verzekerd zou zijn geweest, indien deze wet toen reeds in werking zou zijn geweest, onderscheidenlijk een inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, heeft verworven.
1.Zolang degene, die in verband met het bepaalde in artikel 90, eerste lid, onder a, geen recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, recht heeft op de aldaar bedoelde uitkering, blijft het bepaalde in artikel 6, eerste lid, buiten toepassing.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van degene, die ter zake van toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid in verband met artikel 37, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen recht heeft op herziening van de hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet.
3.Zolang degene, die in verband met het bepaalde in artikel 90, eerste lid, onder b, geen recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, recht heeft op pensioen of uitkering als daar bedoeld, blijft het bepaalde in de artikelen 6, eerste lid, en 8, eerste lid, buiten toepassing.
4.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid blijft het bepaalde in artikel 6, eerste lid, wel van toepassing ten aanzien van degene, die in verband met bepalingen van gelijke strekking als artikel 37, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ter zake van toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid geen recht heeft op herziening van het pensioen of de uitkering als bedoeld in artikel 90, eerste lid, onder b.
1.Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, gesloten voor degene, die verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet geregelde verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.
2.De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in de artikelen 6, vierde lid, onder a, en vijfde lid, 28, 29, eerste lid, 29a, 32a, 37, eerste, tweede, derde en vierde lid, 44 en 93.
1.Bij inwerkingtreding van de bepalingen inzake premieheffing in de loop van een kalenderjaar, vinden de bepalingen inzake de premieheffing bij wege van aanslag en de premieheffing met overeenkomstige toepassing van artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (Stb. 202) toepassing met ingang van dat kalenderjaar. Alsdan wordt voor die premieheffingen over dat jaar door Onze Minister een gemiddeld premiepercentage vastgesteld.
2.Voor zover de ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Algemene Kinderbijslagwet en deze wet bij wege van aanslag verschuldigde premies in één bedrag van de verzekerden worden geheven, wordt daarmede verrekend het gezamenlijke bedrag van hetgeen ingevolge elk dier wetten verrekenbaar is.
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 oktober 1976.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen artikelen van deze wet of onderdelen daarvan in werking treden met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelegen vóór de in het eerste lid genoemde dag.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Juliana
De Minister van Sociale Zaken,
Boersma
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
P. J. J. Mertens
De Staatssecretaris van Financiën,
M. J. van Rooijen
De Minister van Justitie,
Van Agt