Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Landbouwkwaliteitswet

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Wet van 8 april 1971, houdende een algemene regeling betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de visserij

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de afzet een algemene regeling vast te stellen betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de visserij;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:

  • Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

  • landbouw: akkerbouw, weidebouw, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen –, teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met inbegrip van bosbouw;

  • produkten: alle voortbrengselen van de landbouw, alsmede de bij be- of verwerking daarvan verkregen voortbrengselen, derivaten en afvallen;

  • college: het College van Beroep voor het bedrijfsleven;

  • landbouwkwaliteitsbesluit: een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2;

  • controle-instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, bedoeld in artikel 8;

  • verordening (EU) 1151/2012: verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2012, L 343);

  • geografische aanduiding: geografische aanduiding als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening (EU) 1151/2012;

  • geografische oorsprongsbenaming: oorsprongsbenaming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening (EU) 1151/2012;

  • houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op grond van verordening (EU) 1151/2012 gerechtigd is een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming te bezigen.

Artikel 2

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van de afzet regelen worden gesteld betreffende de kwaliteit van produkten. Deze regelen kunnen betrekking hebben op de oorsprong, de hoedanigheid, de sortering, de verzorging, de verpakking, de vorm, de afwerking, de aanduiding, de maat en het gewicht van produkten.

  • 2 Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, in het eerste lid bedoeld, kunnen tevens regelen worden gesteld inzake

    • a. de inrichting en het gebruik, met betrekking tot produkten, van bedrijfsgebouwen en vervoermiddelen;

    • b. het gebruik en verbruik, met betrekking tot produkten, van toevoegingen, grond- en hulpstoffen;

    • c. de be- en verwerkingswijzen van produkten;

    • d. het gebruik, met betrekking tot produkten, van machines, werktuigen en gereedschappen;

    • e. de hoedanigheid en het gebruik van verpakkingsmiddelen voor produkten;

    • f. de registratie van de onder die maatregel vallende betrokkenen.

  • 3 Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur, in het eerste lid bedoeld, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat, tezamen.

Artikel 3

  • 1 Bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit kan worden voorzien in het verlenen van vrijstelling, en, op aanvrage, ontheffing van hetgeen bij of krachtens dat besluit is geregeld.

  • 2 Aan vrijstellingen en ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 5 [Vervallen per 08-02-2012]

Artikel 6 [Vervallen per 28-09-2007]

Artikel 7

  • 1 Indien bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit regelen zijn gesteld omtrent keuring van produkten, kunnen daarbij merken, tekenen of bewijsstukken worden vastgesteld als uitsluitend bestemd om door of vanwege de daartoe gerechtigde op produkten of op hun verpakking te worden aangebracht, dan wel bij die produkten te worden gevoegd.

  • 2 Bij of krachtens een besluit, in het eerste lid bedoeld, kunnen regelen worden gesteld betreffende het vervaardigen, voorhanden en in voorraad hebben, zomede het afleveren en gebruiken van merken, tekenen of bewijsstukken en van cliché's, stempels en andere werktuigen tot het vervaardigen of aanbrengen van die merken, tekenen of bewijsstukken.

Artikel 8

  • 1 In een landbouwkwaliteitsbesluit kunnen een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid worden belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens dat besluit gestelde regels.

  • 2 In een landbouwkwaliteitsbesluit kunnen een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid worden belast met de keuring, bedoeld in artikel 7, of met het toezicht daarop. Zij kunnen daarbij tevens bevoegd worden verklaard tot het uitreiken van merken, tekenen of bewijsstukken, in hetzelfde artikel bedoeld.

Artikel 8a

Op een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

Artikel 9 [Vervallen per 28-09-2007]

Artikel 10

  • 1 Een controle-instelling is niet werkzaam met het oogmerk om winst te behalen.

  • 2 Een controle-instelling stelt een reglement vast waarin wordt geregeld de wijze waarop de keuring, bedoeld in artikel 7, wordt uitgevoerd, de wijze waarop het uitreiken van bewijsstukken, merken en tekenen plaatsvindt, en de wijze waarop de controles plaatsvinden.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of op de grond dat het reglement naar het oordeel van Onze Minister een goede taakuitoefening door de controle-instelling kan belemmeren.

  • 4 De statuten van een controle-instelling alsmede wijzigingen daarvan behoeven, alvorens zij van kracht zijn, de instemming van Onze Minister. Onze Minister draagt zorg voor de publicatie van de statuten in de Staatscourant.

Artikel 11

  • 1 Een controle-instelling kan tarieven vaststellen voor de kosten ter zake van het in artikel 8 bedoelde toezicht en de keuring.

  • 2 Indien Onze Minister bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit de in het eerste lid bedoelde activiteiten uitvoert, kan Onze Minister voor de kosten ter zake van deze activiteiten tarieven vaststellen.

  • 3 [Red: Vervallen.]

  • 4 De tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid:

    • a. hebben een rechtstreeks verband met de in die leden bedoelde activiteiten, en

    • b. belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan die onderscheiden activiteiten.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de oplegging en inning van de tarieven alsmede met betrekking tot het periodiek aanpassen van de tarieven aan de ontwikkeling van de lonen en de prijzen.

  • 7 De controle-instelling of Onze Minister kan besluiten geen activiteiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, te verrichten of deze te staken, indien niet het ingevolge dit artikel verschuldigde bedrag wordt voldaan.

Artikel 12

  • 1 De benoeming en het ontslag van de voorzitter van een controle-instelling behoeven goedkeuring van Onze Minister.

  • 2 Op een controle-instelling wordt rijkstoezicht uitgeoefend door Onze Minister overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

Artikel 13

  • 1 Bij overtreding van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde regelen kunnen een of meer van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd:

    • a. berisping;

    • b. geldboete;

    • c. het stellen van de betrokkene onder verscherpte controle op zijn kosten voor ten hoogste twee jaren;

    • d. openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene.

  • 2 De controle-instelling regelt bij reglement de samenstelling en bevoegdheid van haar organen die de tuchtrechtspraak uitoefenen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding, een en ander met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

  • 3 De controle-instelling geeft aan de opbrengsten van de geldboeten een bijzondere bestemming, welke de goedkeuring van Onze Minister behoeft.

  • 4 In verband met de uitvoering van voorschriften van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan in afwijking van het eerste lid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat geen tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding van de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aangewezen bepalingen of onderdelen daarvan.

Artikel 13a

De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijke of mondelinge vermaning tot de betrokkene in verband met het begane feit.

Artikel 13b

  • 2 Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan een kwart van de geldboete van de derde categorie, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3 De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.

Artikel 13c

  • 1 In de gevallen, waarin het tuchtgerecht de openbaarmaking van zijn uitspraak gelast, bepaalt het tevens de wijze, waarop aan die last uitvoering wordt gegeven.

  • 2 De kosten van openbaarmaking worden in de uitspraak op een bepaald bedrag geschat.

Artikel 13d

  • 1 Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen tegen:

    • a. die rechtspersoon of die vennootschap;

    • b. hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, of

    • c. beiden.

  • 2 Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

  • 3 Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer.

Artikel 13e

  • 1 Op gezamenlijk verzoek van de controle-instelling en de eigenaar van het bedrijf waar de maatregel is opgelegd, kan het tuchtgerecht besluiten om de sanctie van het verscherpt toezicht op te heffen.

  • 2 De betrokkene wordt binnen een termijn van ten hoogste acht weken nadat het verzoek bij het tuchtgerecht is ingediend opgeroepen om op een door de voorzitter te bepalen dag en uur ter zitting te verschijnen.

  • 3 De oproeping wordt ten minste twee weken voor de dag van de zitting aan de betrokkene gezonden en vermeldt de plaats van de zitting.

  • 4 De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

  • 5 De oproeping houdt in:

    • a. de namen, het beroep en de woonplaats van de ter zitting opgeroepen getuigen en deskundigen;

    • b. de mededeling, dat de betrokkene bevoegd is getuigen en deskundigen ter zitting mede te brengen.

  • 7 Het tuchtgerecht doet schriftelijk uitspraak.

  • 8 De uitspraak houdt in de beslissing omtrent het toe- of afwijzen van het verzoek.

  • 9 Het tuchtgerecht spreekt de beslissing, bedoeld in het achtste lid, in het openbaar uit.

  • 10 In afwijking van het zevende lid kan het tuchtgerecht na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen.

  • 11 Van de mondelinge uitspraak wordt door de secretaris een proces-verbaal opgemaakt.

  • 12 De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene en de controle-instelling gezonden.

  • 13 Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.

Artikel 13f

  • 1 De betrokkene dan wel de controle-instelling kan binnen zes weken na de verzending van de uitspraak van het tuchtgerecht hoger beroep instellen bij het College, tenzij tegen die uitspraak verzet kan of kon worden gedaan.

  • 2 De controle-instelling kan voorts hoger beroep instellen tegen een uitspraak bij verstek, tenzij de betrokkene verzet doet. Het hoger beroep kan worden ingesteld binnen zes weken nadat de termijn voor het doen van verzet ongebruikt is verstreken.

Artikel 13g

  • 1 Het hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College.

  • 2 Het beroepschrift is ondertekend en bevat de gronden van het beroep.

  • 3 De griffier zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift daarvan aan het tuchtgerecht en aan de betrokkene, dan wel de controle-instelling.

Artikel 13h

Het tuchtgerecht doet binnen drie weken na ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, bedoeld in artikel 13g, derde lid, de stukken toekomen aan de griffier van het College.

Artikel 13i

  • 1 Als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het College of de president zonder nader onderzoek door het College uitspraak doen. De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene, het tuchtgerecht en de controle-instelling gezonden.

  • 2 Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de betrokkene dan wel de controle-instelling binnen zes weken na de verzending van de uitspraak verzet doen bij het College. Artikel 13g is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het College verklaart het verzet niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. Indien het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak. De laatste zin van het eerste lid is van toepassing.

  • 4 Als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, kan het College het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de betrokkene dan wel de controle-instelling in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.

  • 5 De uitspraak op het verzet wordt onverwijld aan de betrokkene, het tuchtgerecht en de controle-instelling gezonden.

Artikel 13j

  • 1 Tenzij artikel 13i, eerste lid wordt toegepast, bepaalt de president de dag voor de behandeling van de zaak. Betrokkene en de controle-instelling worden uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van het College te verschijnen.

  • 2 Voor de behandeling ter terechtzitting worden de processtukken gedurende ten minste een week ter griffie of elders ter kosteloze inzage voor de betrokkene en de controle-instelling danwel voor hun gemachtigden nedergelegd. De nederlegging wordt door de griffier tijdig ter kennis van de betrokkene en van de controle-instelling gebracht.

  • 3 De in het vorige lid bedoelde termijn kan met toestemming van de betrokkene en de controle-instelling worden verkort.

  • 4 Is de termijn niet in acht genomen, dan bepaalt het College een nieuwe rechtsdag, tenzij de betrokkene in persoon of bij gemachtigde is verschenen. In dit laatste geval kan op zijn verzoek uitstel worden verleend.

  • 5 In de gevallen, waarin op de terechtzitting de behandeling van de zaak voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt geen nieuwe kennisgeving gedaan.

Artikel 13k

  • 1 De zitting is openbaar.

  • 2 Het College kan bepalen dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt indien een openbare behandeling een goede rechtspleging of de belangen van de betrokkene of de controle-instelling ernstig zou schaden.

  • 3 Het College houdt zitting met drie of vijf leden, onder wie de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 13l

  • 1 De voorzitter heeft de leiding van de zitting.

  • 2 De secretaris houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.

  • 3 De secretaris maakt een proces-verbaal op van de zitting, indien het College dit ambtshalve dan wel op verzoek van de betrokkene of de controle-instelling bepaalt.

  • 4 Het proces-verbaal bevat de namen van de voorzitter en de leden die de zaak behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de zitting zijn verschenen en van degenen die hen hebben bijgestaan, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de zitting zijn verschenen.

  • 5 Het proces-verbaal houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen.

  • 6 Het proces-verbaal wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

  • 7 Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht.

  • 8 Het College kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgelezen. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 13m

  • 1 Het College kan de behandeling ter zitting schorsen.

  • 2 In dat geval bepaalt het College zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de behandeling wordt hervat en worden de betrokkene en de controle-instelling hiervan op de hoogte gesteld.

Artikel 13n

  • 1 De betrokkene of de controle-instelling kan, tenzij het College beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.

  • 2 Het College kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als gemachtigde toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het College de zaak tot de volgende zitting aan.

  • 3 Het College stelt de betrokkene en de controle-instelling van de aanhouding en de reden daarvan in kennis en roept de betrokkene dan wel de controle-instelling tevens op om op de voor de zaak bepaalde nadere zitting in persoon of bij een andere gemachtigde tegenwoordig te zijn.

  • 4 De betrokkene of de controle-instelling kan zich te allen tijde door een raadsman doen bijstaan.

  • 5 Het College kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het College op verzoek van de betrokkene of de controle-instelling de zaak tot een volgende zitting aan.

Artikel 13o

Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van het College schade zou kunnen lijden. De artikelen 513 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13p

Op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 13o kan de voorzitter of een lid die een zaak behandelt, verzoeken zich te mogen verschonen. De artikelen 517, tweede en derde lid, tot en met 518 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13q

Aan de betrokkene of de controle-instelling dan wel aan hun gemachtigden en aan de raadsman wordt de gelegenheid gegeven het woord te voeren en de gronden van het beroep toe te lichten.

Artikel 13r

  • 1 Het College kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of de controle-instelling getuigen oproepen.

  • 2 Ieder, die als getuige is opgeroepen, is verplicht voor het College te verschijnen. Indien de getuige niet op de oproeping verschijnt, kan het College de officier van justitie in het arrondissement waarin het College zitting houdt, verzoeken de getuige ter terechtzitting van het College te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging.

  • 4 De voorzitter kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.

Artikel 13s

  • 1 Het College kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of de controle-instelling deskundigen benoemen, teneinde het College voor te lichten, zo nodig, met opdracht een onderzoek in te stellen en het College een verslag uit te brengen.

  • 3 Het College kan de deskundige geheimhouding opleggen.

Artikel 13t

  • 1 Het College sluit het onderzoek ter zitting, wanneer het van oordeel is dat het is voltooid.

  • 2 Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, hebben de betrokkene en de controle-instelling het recht voor het laatst het woord te voeren.

  • 3 Na de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaalt de voorzitter de dag voor de uitspraak, tenzij het College onmiddellijk mondeling uitspraak doet.

Artikel 13u

  • 1 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond.

  • 2 Indien het College niet voldoende is ingelicht, kan het bevelen, dat de behandeling der zaak op een nader te bepalen datum zal worden hervat.

Artikel 13v

  • 1 Indien het College het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de uitspraak van het tuchtgerecht. In dat geval doet het College de zaak zelf af of verwijst haar naar het betrokken tuchtgerecht om haar af te doen met inachtneming van de beslissing van het College.

  • 2 Indien een nader onderzoek noodzakelijk is en het College de zaak zelf afdoet, worden de betrokkene en de controle-instelling binnen een termijn van ten hoogste acht weken nadat de zaak bij het College aanhangig is gemaakt opgeroepen om op een door de voorzitter te bepalen dag en uur ter zitting te verschijnen.

  • 3 De oproeping wordt ten minste twee weken voor de dag van de zitting aan de betrokkene en de controle-instelling gezonden en vermeldt de plaats van de zitting.

Artikel 13w

  • 1 Het College doet schriftelijk uitspraak.

  • 2 De uitspraak houdt in de beslissing omtrent het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel, de gronden en de voorschriften waarop zij berust.

  • 3 Het College spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan het College na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen.

  • 5 Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

  • 6 De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene, de controle-instelling en het tuchtgerecht gezonden.

Artikel 13x

De tenuitvoerlegging van uitspraken van een tuchtgerecht en van het College geschiedt op last van de controle-instelling. De controle-instelling kan niet van tenuitvoerlegging afzien, tenzij met goedkeuring van de voorzitter van het College.

Artikel 13y

  • 1 De controle-instelling brengt binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het tuchtgerecht of van het College ter kennis van de betrokkene, binnen welke termijn hij de opgelegde geldboete, of de kosten van openbaarmaking van de uitspraak moet voldoen. Deze termijn kan op ten hoogste twee maanden worden gesteld en kan telkens worden verlengd, maar mag ook na verlenging niet langer zijn dan twee jaren.

  • 2 Bij gebreke van volledige betaling binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt het niet betaalde bedrag ingevorderd op dezelfde wijze als de tarieven, bedoeld in artikel 11, eerste lid.

  • 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de kosten van de verscherpte controle, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, met dien verstande dat de termijn voor de kennisgeving van de betalingstermijn eerst aanvangt nadat de kosten zijn gemaakt.

Artikel 14

  • 1 De houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming kan zijn recht handhaven jegens een ieder die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een van de handelingen genoemd in artikel 13, eerste lid, van verordening (EU) 1151/2012 verricht.

  • 2 De rechter kan op vordering van de houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het recht van de houder te maken, bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.

  • 3 De voorzieningenrechter kan op vordering van de houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming tijdelijke voortzetting van de vermeende inbreuk op dit recht toestaan onder de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor vergoeding van de door de houder geleden schade. Onder dezelfde voorwaarden kan de rechter voortzetting van de dienstverlening door de tussenpersoon als bedoeld in het tweede lid toestaan.

  • 4 Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van degene die de handelingen bewust verricht. Van bewust handelen is in elk geval sprake, indien de inbreuk is gepleegd nadat de betrokkene bij deurwaardersexploot op de strijd tussen de handelingen en de geografische aanduiding is gewezen.

  • 5 In passende gevallen kan de rechter de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag.

  • 6 In plaats van schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de rechter echter van oordeel is dat de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven tot een dergelijke veroordeling, zal de rechter de gedaagde tot schadevergoeding kunnen veroordelen.

  • 7 De houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming kan de vorderingen tot schadevergoeding of het afdragen van winst ook namens of mede namens de overige houders van de desbetreffende geografische aanduiding instellen.

  • 8 De houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming heeft de bevoegdheid roerende zaken, waarmee een inbreuk op zijn recht wordt gemaakt, of materialen en werktuigen die voornamelijk zijn gebruikt bij de voortbrenging van die zaken als zijn eigendom op te eisen, dan wel onttrekking aan het verkeer, vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Bij de beoordeling van de vordering wordt een afweging gemaakt tussen de ernst van de inbreuk en de gevorderde maatregelen alsmede de belangen van derden.

  • 9 De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot afgifte van roerende zaken, zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander beslag, gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor.

  • 10 De maatregelen bedoeld in het achtste en negende lid worden op kosten van de gedaagde uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

  • 11 De rechter kan op vordering van de houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen aan laatstgenoemde bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken, aan de houder van de geografische aanduiding mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken. Onder dezelfde voorwaarden kan dit bevel worden gegeven aan een derde die op commerciële schaal inbreukmakende goederen in zijn bezit heeft of gebruikt, die op commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden gebruikt, of die door een van deze derden is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, fabricage of distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten. Deze derde kan zich verschonen van het verstrekken van informatie die bewijs zou vormen van deelname aan een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom door hem zelf of door de andere in artikel 165, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde personen.

  • 12 De rechter kan op vordering van de houder van een geografische aanduiding of geografische oorsprongsbenaming gelasten dat op kosten van degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt passende maatregelen worden getroffen tot verspreiding van informatie over de uitspraak.

Artikel 15

  • 1 Met het toezicht op de naleving van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde eisen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, werkzaam bij een controle-instelling.

  • 2 Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat, kunnen tezamen nadere voorschriften geven betreffende de monsterneming, de verpakking, de conservering, de verzegeling, de verzending en het onderzoek der monsters.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 18

  • 2 Artikel 13 vindt geen toepassing, indien de Officier van Justitie, na overleg met de controle-instelling, heeft beslist, dat een overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan.

Artikel 19

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 20

  • 1 Deze wet kan worden aangehaald als: "Landbouwkwaliteitswet".

  • 2 Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk , 8 april 1971

JULIANA.

De Minister van Landbouw en Visserij,

P. J. LARDINOIS.

De Minister van Economische Zaken,

R. J. NELISSEN.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

R. J. H. KRUISINGA.

De Minister van Justitie,

C. H. F. POLAK.

Uitgegeven de zeventiende juni 1971.

De Minister van Justitie,

C. H. F. POLAK.