Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rijkssubsidieregeling bureaus voor levens- en gezinsvragen[Regeling vervallen per 28-08-2004.]

Geldend van 04-02-1978 t/m 27-08-2004

Rijkssubsidieregeling bureaus voor levens- en gezinsvragen

De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, na overleg met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

Overwegende:

dat het in verband met de gewijzigde maatschappelijke behoeften aanbeveling verdient de Subsidieregeling voor bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden (Stcrt. 1957, 138) te herzien en subsidiabel te stellen het geven van voorlichting inzake levens- en gezinsvragen, alsmede advies en hulp met betrekking tot het geslachtsleven, voor zover beide laatste niet kunnen worden behartigd in het kader van de uitoefening van de geneeskunde door de huisarts;

Besluit:

Par. 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 1 [Vervallen per 28-08-2004]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister:

de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;

b. instelling:

een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, die krachtens haar statuten een of meer van de in de artikelen 4 en 5 subsidiabel gestelde taken verricht;

c. centraal orgaan:

een rechtspersoonlijkheid bezittend landelijk orgaan, dat adviserend en stimulerend optreedt voor instellingen, werkend vanuit dezelfde geestelijke of functionele achtergrond:

d. contactcommissie:

het landelijk orgaan, dat ten aanzien van de centrale organen coördinerend optreedt;

e. provinciaal contactorgaan:

een commissie, in overeenstemming met het provinciaal bestuur ingesteld door de Provinciale Raad voor de Maatschappelijke Dienstverlening en Provinciale Raad voor de Volksgezondheid gezamenlijk, die de regionale planning mede bevordert;

f. het bureauhoofd

het hoofd van een provinciaal bureau van het hoofdbureau Landelijk Contact van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Artikel 2 [Vervallen per 28-08-2004]

Wijzigingen in de statuten en in de werkwijze van het centraal orgaan of van de instelling dienen ter kennis van de minister te worden gebracht.

Artikel 3 [Vervallen per 28-08-2004]

Subsidie op grond van deze regeling wordt verleend voor zover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan.

Par. 2. De instelling [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 4 [Vervallen per 28-08-2004]

De instelling vervult een of meer van de volgende taken:

  • a. het geven van individuele of groepsgewijze (sociale) behandeling gericht op het voorkomen en opheffen van stoornissen in de tussenmenselijke verhoudingen;

  • b. het (doen) geven en/of begeleiden van voorlichting aan daarvoor in aanmerking komende groepen c.q. personen over het huwelijks-, gezins- en geslachtsleven en de daarmede verband houdende vraagstukken, ter bevordering van de tussenmenselijke verhoudingen;

  • c. het op aanvraag verstrekken van informatie, advies en (sociale) consultatie ‘aan degenen, die hetzij in georganiseerd verband, hetzij in een vrij beroep werkzaamheden verrichten op terreinen, verwant aan die van de instelling, ten behoeve van een kwalitatief betere praktijkvoering c.q. taakbehartiging.

Artikel 5 [Vervallen per 28-08-2004]

De instelling kan ook inzake vragen van geboorteregeling, geslachtsleven en huwelijksvoorbereiding advies en hulp verlenen:

  • a. als tijdelijke taak, voor zover deze werkzaamheden niet of nog niet volledig door de huisartsen worden verricht;

  • b. als een eigen taak, indien de vragen verband houden met bijzondere omstandigheden van persoonlijke aard of in de tussenmenselijke verhoudingen.

Artikel 6 [Vervallen per 28-08-2004]

Daarnaast kan de instelling verrichten:

  • a. de selectie en de inhoudelijke en methodische vorming van medewerkers voor de voorlichting aan groepen;

  • b. de bevordering van de deskundigheid van daarvoor in aanmerking komende functionarissen en medewerkers van de eigen instelling alsmede van functionarissen, werkzaam in andere werkvormen.

Artikel 7 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Voor zover een instelling slechts één of enkele van de in de artikelen 4 en 5 omschreven taken behartigt is zij verplicht te bevorderen dat door georganiseerde samenwerking met zusterinstellingen een adequate dienstverlening mogelijk wordt gemaakt.

  • 2 De instelling, bedoeld in het eerste lid, bevordert het tot stand komen van een organisatorisch en bestuurlijk verband waarbinnen de volledige dienstverlening op haar terrein zo goed mogelijk kan worden verwezenlijkt.

  • 3 Zowel uit een oogpunt van doelmatigheid als van een goede communicatie is de instelling verplicht vormen van georganiseerde samenwerking te bevorderen met het medisch-opvoedkundig bureau, organen van het algemeen maatschapschappelijk werk en andere daartoe geëigende vormen van maatschappelijk werk en (geestelijke) gezondheidszorg, en met daarvoor in aanmerking komende personen ter plaatse of in de regio.

Artikel 8 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Een instelling kan beschikken over functionarissen en medewerkers en ad hoc aan te trekken deskundigen.

  • 2 Als functionarissen worden aangemerkt degenen, genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder 1, a tot en met o.

  • 3 Als medewerkers worden aangemerkt degenen, genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder 2, a tot en met d.

  • 4 Als ad hoc aan te trekken deskundigen worden aangemerkt degenen, die uit hoofde van hun deskundigheid bij de in artikel 4, onder b bedoelde voorlichting in groepsverband kunnen worden ingeschakeld.

Artikel 9 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Ter uitvoering van de in de artikelen 4 en 5 bedoelde taken dient de instelling te beschikken over een staf samengesteld uit functionarissen met verschillende deskundigheid.

  • 2 Indien een instelling slechts één of enkele van de in de artikelen 4 en 5 omschreven werkzaamheden behartigt en daarbij niet beschikt over de in het eerste lid bedoelde staf, dient zij – overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, eerste lid – door – georganiseerde samenwerking met een andere instelling te beschikken over de mogelijkheid van inschakeling van een multidisciplinaire staf ten behoeve van zijn eigen werkzaamheden.

Artikel 10 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De voorlichting kan behalve door functionarissen en medewerkers worden gegeven door daartoe ad hoc aangetrokken deskundigen of door inschakeling van op voorlichting gespecialiseerde organisaties.

  • 2 De voorlichting kan onder meer geschieden door het houden van inleidingen en lezingen in cursusvorm, door het houden van groepsgesprekken en -discussies, door de vertoning van voorlichtings- en discussiefilms.

Artikel 11 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Individuele hulp en advies wordt gegeven op spreekuren voor geboorteregeling, voor sexuologische vragen en voor voorbereiding op het huwelijk, met inbegrip van het geneeskundig onderzoek.

  • 2 Ten einde te waarborgen, dat een zo gedifferentieerd mogelijke hulp en advies (c.q. verwijzing) tot stand komt, dient – indien nodig – de in artikel 9, eerste lid, bedoelde multidisciplinaire staf te worden geraadpleegd.

Artikel 12 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 (Sociale) behandeling ter voorkoming c.q. opheffing van stoornissen in de tussenmenselijke verhoudingen wordt gegeven op spreekuren voor levens- en gezinsmoeilijkheden.

  • 2 Het aanmeldingsspreekuur dient gehouden te worden door een maatschappelijk werker, c.q. door een gespecialiseerd maatschappelijk werker.

  • 3 Ten einde te waarborgen, dat een zo gedifferentieerd mogelijke behandeling tot stand komt, dient de instelling ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden te beschikken over een staf, samengesteld uit functionarissen met verschillende deskundigheid, welke te minste bestaat uit een gespecialiseerd maatschappelijk werker en een psychiater.

Par. 3. De contactcommissie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 13 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De contactcommissie wordt samengesteld door de Nationale Raad voor Maatschappelijk Welzijn en de Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid. In de contactcommissie hebben onder meer zitting vertegenwoordigers van de centrale organen, van de provinciale contactorganen, en van de vereniging van Nederlandse Gemeenten, alsmede door de minister en door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aangewezen ambtenaren.

  • 2 De contactcommissie kan worden uitgebreid met vertegenwoordigers van landelijke organisaties, welke gezien hun beleidsdoelstelling en werkterrein bij het werk van de instellingen betrokken zijn.

  • 3 Indien binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze regeling de contactcommissie niet is tot stand gekomen, kan de minister tot instelling van de contactcommissie overgaan.

Artikel 14 [Vervallen per 28-08-2004]

De contactcommissie kan beschikken over:

  • a. een secretaris,

  • b. één of meer beleidsmedewerkers.

Artikel 15 [Vervallen per 28-08-2004]

De contactcommissie adviseert de minister op verzoek of eigener beweging omtrent de algemene uitgangspunten van het te voeren beleid.

De taakopdracht inzake studie, overleg en advies, welke zij zichzelve ten deze stelt, behoeft de goedkeuring van de minister.

Artikel 16 [Vervallen per 28-08-2004]

Behoudens het bepaalde in de artikelen 19, 24, 25, 38, 39, 46 en 47 zijn de bepalingen van de paragrafen 4 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing op de contactcommissie en de centrale organen.

Par. 4. Bepalingen voor het verlenen van subsidie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 17 [Vervallen per 28-08-2004]

Voor subsidie op grond van deze regeling kunnen in aanmerking komen:

  • a. plaatselijke en regionale instelling;

  • b. de contactcommissie;

  • c. de centrale organen, voor uitvoering van taken, bedoeld in artikel 6.

Artikel 18 [Vervallen per 28-08-2004]

Subsidie wordt verleend indien:

  • a. de functionarissen en medewerkers werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van en volgens richtlijnen te geven door het bestuur van de instelling;

  • b. met de functionarissen en medewerkers een schriftelijke overeenkomst wordt aangegaan en de taakomschrijvingen van de functionarissen en medewerkers door het bestuur schriftelijk worden vastgelegd;

  • c. de zwijgplicht van de functionarissen en medewerkers door het bestuur wordt geëerbiedigd.

Artikel 19 [Vervallen per 28-08-2004]

De instelling dient met betrekking tot de wijze van uitvoering van haar werkzaamheden op systematische wijze voor registratie, rapportage en dossiervorming zorg te dragen.

Artikel 20 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Aan de minister dient in zesvoud en uiterlijk 1 juli, – in het geval van plaatselijke en regionale instellingen door tussenkomst van het bureauhoofd – een verslag te worden aangeboden, waarin volgens nader door de minister te geven richtlijnen inlichtingen verstrekt worden omtrent beleid en uitvoering gedurende het voorafgaande kalenderjaar.

  • 2 Indien het jaarverslag zonder voorafgaande toestemming van de minister na 1 juli wordt aangeboden, kan van verdere voorschotverstrekking op het subsidie worden afgezien.

Par. 5. Grondslag en berekening van het subsidie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 21 [Vervallen per 28-08-2004]

Het subsidie wordt verleend in de vorm van een bijdrage in de voor subsidie in aanmerking komende uitgaven voor:

  • a. salarissen en diverse op de salarissen rustende kosten, c.q. honoraria

  • b. apparaatskosten;

  • c. de niet op personele kosten berustende subsidiabele kosten van activiteiten;

  • d. kosten, verbonden aan selectie en vorming van functionarissen en medewerkers.

Artikel 22 [Vervallen per 28-08-2004]

De bijdrage bedraagt:

  • a. 95 pct. voor de contactcommissie en voor de centrale organen

  • b. 95 pct. voor de instelling, welke alle in artikel 4, onder a en b, en een of meer van de in artikel 5 genoemde taken vervult, mits deze van redelijke omvang zijn;

  • c. 90 pct. voor de instelling, welke slechts één of enkele van de taken vervult.

Artikel 23 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De salarissen van functionarissen en medewerkers komen voor subsidie in aanmerking tot maximaal het bedrag, corresponderende met het laatste volgnummer, vermeld achter de betreffende functie in de bij deze regeling behorende bijlage 2. De bedragen, welke corresponderen met de in bijlage 2 vermelde volgnummers, zijn opgenomen in de vigerende subsidiecirculaires van de minister.

  • 2 De in artikel 21, onder a, bedoelde honoraria komen voor subsidie in aanmerking tot maximaal het bedrag, vermeld achter de betreffende functie in de vigerende subsidie-circulaires van de minister.

Artikel 24 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Subsidie voor een beleidvoerende kracht van een regionale of plaatselijke instelling kan in het algemeen worden verleend wanneer deze is belast met de directe leiding over ten minste drie vormen van werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, onder a, mits deze van redelijke omvang zijn. Vereist is tevens, dat een van deze vormen, mede met het oog op het gestelde in artikel 9, het spreekuur voor levens- en gezinsmoeilijkheden omvat.

  • 2 Voor een beleidvoerende kracht wordt geen subsidie verleend, indien de instelling naast het in stand houden van een bureau voor levens- en gezinsvragen het bevorderen van andere werkvormen tot doel heeft en ten behoeve van deze gehele organisatie de functie, zoals omschreven in de bij deze regeling behorende bijlage 3, reeds is verwezenlijkt.

Artikel 25 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De gespecialiseerd maatschappelijk werker dient in het bezit te zijn van het diploma van een der voortgezette opleidingen, vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 4, indien hij:

    • a. belast is met de leiding van een spreekuur voor levens- en gezinsmoeilijkheden;

    • b. als enige gespecialiseerd maatschappelijk werken in dienst is van een instelling.

  • 2 Subsidie voor een gespecialiseerd maatschappelijk werker, die in het bezit is van het diploma van een der in het eerste lid bedoelde voortgezette opleidingen en na het behalen van het diploma over ten minste vier jaar ervaring beschikt, wordt verleend:

    • a. tot maximaal het bedrag, corresponderend met het laatste volgnummer, vermeld onder 11 van de bij deze regeling behorende bijlage 2, indien hij leiding geeft aan ten minste vijf gespecialiseerd maatschappelijk werkers en hij aan de in artikel 4, onder c, en artikel 6, onder b, genoemde taken voldoende aandacht besteedt;

    • b. tot maximaal het bedrag, corresponderend met het laatste volgnummer, vermeld onder 12 van de bij deze regeling behorende bijlage 2, indien hij geschikt is voor zelfstandige uitvoering van het werk en aan de in artikel 4, onder c, genoemde taak voldoende aandacht besteedt.

Artikel 26 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De voor subsidie in aanmerking komende apparaatskosten, waaronder begrepen de kosten voor administratieve hulp en de vervoerskosten, worden per functionaris en medewerker gesteld op het percentage, vermeld in kolom 3 van de bij deze regeling behorende bijlage 2, mits zij voor ten minste een halve dagtaak in vaste dienst van de instelling zijn.

  • 2 Subsidie in apparaatskosten wordt niet verleend voor een medewerker, die reeds als functionaris met een volledige dagtaak in dienst van de instelling voor subsidie in de apparaatskosten in aanmerking komt.

Artikel 27 [Vervallen per 28-08-2004]

Indien een functie vacant wordt na een dienstverband van een aaneengesloten periode van minstens één jaar, wordt nog gedurende ten hoogste zes maanden subsidie in de in artikel 26 bedoelde apparaatskosten verleend, met dien verstande dat het subsidie berekend wordt over de helft van het in aanmerking komende percentage, vermeld in kolom 3 van de bij deze regeling behorende bijlage 2.

Artikel 28 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het subsidie in het salaris en in de sociale lasten wordt per functionaris en medewerker vastgesteld op het met het basisbedrag, bedoeld in artikel 29, corresponderende bedrag van kolom 2 van de jaarlijks door de minister toe te zenden subsidietabellen.

  • 2 Voor zover ten behoeve van een functionaris of medewerker tevens een pensioenverzekering is afgesloten, welke voldoet aan artikel 2 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet, – en de pensioenpremie, verminderd met het eventuele werknemersaandeel daarin, ten minste 10 pct. van het salaris bedraagt – wordt het subsidie berekend over het met het basisbedrag, bedoeld in artikel 29, corresponderende bedrag van kolom 3 van de in het eerste lid genoemde subsidietabellen.

  • 3 Indien een functionaris of medewerker niet het gehele jaar in dienst is geweest, wordt het subsidie in evenredigheid tot het aantal maanden diensttijd verminderd.

Artikel 29 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het basisbedrag wordt gevormd door:

    • a. het betaalde jaarsalaris, met inachtneming van het gestelde in artikel 23, eerste lid;

    • b. indien de functionaris of medewerker geen vol jaar in dienst in geweest het salaris, dat aan de hand van het betaalde salaris op jaarbasis is gebracht, met inachtneming van het gestelde in artikel 23, eerste lid.

  • 2 Het basisbedrag wordt afgerond op honderd gulden, en wel zodanig, dat bedragen tot en met f 50,– naar beneden en bedragen boven f 50,– naar boven worden afgerond.

Artikel 30 [Vervallen per 28-08-2004]

Niet als salaris worden aangemerkt:

  • a. vergoedingen voor overwerk, met dien verstande, dat wanneer een functionaris met volledige dagtaak in dienst van de instelling daarenboven als medewerker voor de groepsvoorlichting wordt ingeschakeld, de kosten van zijn honorarium niet als vergoeding voor overwerk worden aangemerkt;

  • b. gratificaties en andere bijzondere beloningen;

  • c. vergoedingen ter bestrijding van bepaalde kosten.

Artikel 31 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Aanstelling c.q. ontslag van functionarissen en medewerkers in de loop van de maand wordt voor de subsidieberekening geacht te zijn geschied met ingang van de eerste van de lopende maand, indien de mutatie voor de 16e, en met ingang van de eerste van de daaropvolgende maand, indien de mutatie op of na de 16e van de maand heeft plaatsgevonden.

  • 2 Mutaties in de opleiding van reeds voor subsidie in aanmerking komende maatschappelijk werkers, zoals het behalen van het diploma van een der opleidingen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage 4, worden voor de subsidiëring geacht te zijn ingegaan op 1 januari van het lopende jaar, indien de mutatie vóór 1 juli heeft plaatsgevonden, en met ingang van 1 januari van het volgende jaar, indien de mutatie op of na 1 juli heeft plaatsgevonden.

Artikel 32 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Ontvangen ziektegelden worden voor de bepaling van het basisbedrag buiten beschouwing gelaten.

  • 2 In de kosten van vervanging wegens ziekte wordt geen subsidie verleend.

Artikel 33 [Vervallen per 28-08-2004]

Als specifieke kosten, bedoeld in artikel 21, onder c en d, worden voor de subsidierekening beschouwd die kosten, welke onmiddellijk met de activiteiten samenhangen, in zoverre deze bestaan uit:

  • -

    kosten, verband houdende met het tot stand brengen, het aankopen en gebruiken van voorlichtingsmateriaal;

  • -

    algemene voorlichtingskosten;

  • -

    kosten voor studie, research en documentatie;

  • -

    propagandakosten;

  • -

    kosten, verband houdende met scholingscursussen, scholingsbijeenkomsten en instructiedagen ten behoeve van functionarissen en (potentiële) medewerkers.

Artikel 34 [Vervallen per 28-08-2004]

Het subsidie wordt naar boven afgerond op hele guldens.

Par. 6. Indiening van en beslissing op subsidieaanvragen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 35 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Aanvragen tot het verkrijgen van subsidie dienen voor 1 oktober voorafgaande aan het jaar, waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, rechtstreeks bij de minister in viervoud te worden ingediend.

  • 2 Plaatselijke en regionale instellingen dienen een afschrift van de subsidieaanvraag te zenden aan de betrokken gemeentelijke overheid.

  • 3 Voor de subsidieaanvraag worden vastgesteld de in bijlage 5 opgenomen formulieren.

  • 4 Een subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen, indien deze zonder voorafgaande toestemming van de minister na 1 oktober wordt ingediend.

Artikel 36 [Vervallen per 28-08-2004]

Indien voor de eerste maal subsidie wordt gevraagd, moeten behalve het subsidieaanvraagformulier de volgende bescheiden worden overgelegd:

  • a. een omschrijving van de gronden, waarop subsidie wordt aangevraagd;

  • b. een gewaarmerkt exemplaar van de statuten;

  • c. een beschrijving van de organisatievorm, de onderscheiden werkterreinen, de werkwijze en het programma van de voorgenomen activiteiten;

  • d. een beschrijving van de in artikel 7 bedoelde interne en externe samenwerking;

  • e. een begroting voor het jaar, waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • f. een verklaring, waaruit blijkt dat subsidie bij de betrokken provinciale c.q. gemeentelijke overheid is aangevraagd.

Artikel 37 [Vervallen per 28-08-2004]

De beslissingen over subsidieaanvragen worden door de minister medegedeeld aan het bestuur, dat de aanvraag heeft ingediend.

Afschrift van deze beslissing wordt aan de betrokken gemeentelijke overheid gezonden.

Artikel 38 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Indien een instelling voor de eerste maal subsidie aanvraagt, wordt de beslissing ten aanzien van deze aanvraag door de minister genomen na overleg met het desbetreffende gemeentebestuur, dat – indien aanwezig – de plaatstelijke instelling voor overleg en advies op maatschappelijk terrein c.q. de plaatselijke raad voor de maatschappelijke dienstverlening hoort. De minister zendt afschrift van zijn beslissing aan het gemeentebestuur.

  • 2 Het in het eerste lid gestelde is eveneens van toepassing, indien een instelling een verzoek indient voor uitbreiding van het aantal voor subsidie in aanmerking komende functionarissen en medewerkers.

    Alleen indien deze personeelsuitbreiding voortvloeit uit het ter hand nemen van nieuwe vormen van werkzaamheid, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6, hoort het gemeentebestuur de plaatselijke instelling voor overleg en advies op maatschappelijk terrein, c.q. de plaatselijke raad voor de maatschappelijke dienstverlening.

Artikel 39 [Vervallen per 28-08-2004]

Met het oog op het bevorderen van planning en programmering vraagt de minister advies van het provinciaal bestuur inzake in de provincie getroffen en nog te treffen voorzieningen. Voor het uitbrengen van dit advies hoort het provinciaal bestuur het provinciaal contactorgaan alsmede de betrokken gemeentebesturen. Het provinciaal bestuur kan dienaangaande ook eigener beweging advies aan de minister uitbrengen.

Artikel 40 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Wijzigingen in de situatie, zoals deze is weergegeven in de subsidieaanvraag, dienen aan de minister alsmede aan de betrokken gemeentelijke overheid te worden medegedeeld.

  • 2 Bij uitbreiding van de bestaande personeelsformatie alsmede bij uitbreiding van activiteiten, dient, om voor subsidie in aanmerking te komen, vooraf goedkeuring aan de minister te worden gevraagd.

    Artikel 37 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41 [Vervallen per 28-08-2004]

Indien het bestuur zich niet met het subsidie, zoals dit definitief is vastgesteld, kan verenigen, kan het zich binnen 4 maanden na de datum van verzending van de beschikking met een gemotiveerd verzoek om herziening tot de minister wenden. De minister geeft het bestuur binnen 3 maanden na de datum van ontvangst van het verzoek schriftelijk kennis van zijn beslissing.

Par. 7. Vaststelling en uitbetaling van het subsidie [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 42 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De staat van gegevens ten behoeve van de vaststelling van het definitief uit te keren subsidiebedrag dient uiterlijk 1 april van het jaar, volgende op het kalenderjaar waarvoor subsidie werd aangevraagd, – in het geval van regionale of plaatselijke instellingen door tussenkomst van het bureauhoofd – bij de minister in viervoud te worden ingediend.

  • 2 Plaatselijke en regionale instellingen dienen een afschrift van de staat van gegevens te zenden aan de betrokken gemeentelijke overheid.

  • 3 Voor de staat van gegevens wordt vastgesteld het in bijlage 6 opgenomen formulier.

  • 4 Aan de staat van gegevens dienen te worden toegevoegd een exploitatierekening en balans met toelichting.

  • 5 Indien de staat van gegevens zonder voorafgaande goedkeuring van de minister na 1 april wordt ingezonden, wordt het definitief subsidie op nihil vastgesteld en is de instelling verplicht tot terugbetaling van ontvangen voorschotten.

Artikel 42 a [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het bestuur van de instelling draagt de controle van de jaarrekening op aan een registeraccountant, die de jaarrekening, opgesteld door de instelling, dan wel die volgens zijn eigen rapport, voorziet van een verklaring van getrouwheid als bedoeld in artikel 57 van de Wet op de Registeraccountants. Tevens rapporteert de registeraccountant omtrent de naleving van de subsidievoorwaarden.

  • 3 De accountant bedoeld in het eerste en tweede lid mag geen andere functie bij de instelling vervullen.

Artikel 43 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 Het subsidie wordt uitsluitend uitgekeerd door overschrijving op de post- of bankrekening van de instelling.

  • 2 Op het subsidie kunnen voorschotten worden verstrekt.

Artikel 44 [Vervallen per 28-08-2004]

Door aanvaarding van het toegekende subsidie neemt de instelling op zich een te veel ontvangen bedrag te restitueren na ontvangst van een mededeling, waaruit blijkt, dat het subsidie of een voorschot daarop is herzien.

Artikel 45 [Vervallen per 28-08-2004]

Indien blijkt, dat opzettelijk onjuiste gegevens zijn verstrekt, of indien de voorwaarden van deze regeling niet zijn nageleefd, is de minister gerechtigd het verleende subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen en kan hij verdere subsidieverlening weigeren.

Par. 8. Toezicht en controle [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 46 [Vervallen per 28-08-2004]

Het bureauhoofd oefent toezicht uit op de regionale en plaatselijke instellingen welke binnen zijn ambtsgebied zijn gevestigd. Bij de uitoefening van dit toezicht houdt hij bij voortduring contact met de betrokken regionale inspecteurs van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.

Artikel 47 [Vervallen per 28-08-2004]

Onverminderd het bepaalde in de tweede volzin van artikel 46 zijn de regionale inspecteurs van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid belast met het houden van toezicht als bedoeld in artikel 36 van de Gezondheidswet.

Artikel 48 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De administratie moet op overzichtelijke wijze en afzonderlijk worden gevoerd; het kalenderjaar moet als boekjaar worden aangehouden.

  • 2 Van alle uitgaven, welke voor subsidie in aanmerking komen, moeten bewijsstukken ten name van de instelling aanwezig zijn.

  • 3 Van de staten voor de loonbelasting alsmede van de opgaven van het belastbaar loon inzake de sociale verzekeringswetten moet een afschrift worden bewaard.

  • 4 De in dit artikel voorgeschreven administratieve bescheiden moeten berusten op het adres, waar de boekhouding wordt bewaard.

Artikel 49 [Vervallen per 28-08-2004]

Onverminderd het bepaalde in artikel 18, onder c, is de instelling verplicht aan door de minister aan te wijzen ambtenaren alle bescheiden te tonen en alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De instelling onderwerpt zich aan controle vanwege de minister.

Par. 9. Bijzondere bepalingen en slotbepalingen [Vervallen per 28-08-2004]

Artikel 50 [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1 De minister kan van deze regeling afwijken, indien in bepaalde gevallen stringente toepassing daarvan naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden zou leiden.

  • 2 De minister kan tevens van deze regeling afwijken, indien door omstandigheden van overmacht het bestuur van een instelling niet in staat is die financiële middelen te verkrijgen, welke voor de verwezenlijking van de doelstelling op grond van deze regeling noodzakelijk kunnen worden geacht.

Artikel 51 [Vervallen per 28-08-2004]

Voor zover een bureau voor levens- en gezinsvragen op de datum van inwerkingtreding van deze regeling nog niet of slechts ten dele voldoet aan de in deze regeling gestelde voorwaarden omtrent organisatie, samenwerking, werkwijze en personeelsbestand, kan de minister gedurende een van geval tot geval te bepalen overgangsperiode van deze regeling afwijken, indien redelijkerwijs verwacht kan worden, dat binnen deze periode alsnog aan deze voorwaarden zal worden voldaan.

Artikel 52 [Vervallen per 28-08-2004]

Indien door toepassing van deze regeling de kosten van een functionaris, die bij een op grond van de Subsidieregeling voor bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden gesubsidieerde instelling in dienst is, niet meer of niet geheel voor subsidie in aanmerking komen, zal de subsidiëring met inachtneming van verkregen rechten worden voortgezet volgens de salarismaxima, vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

Artikel 53 [Vervallen per 28-08-2004]

De Subsidieregeling voor bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden (Stcrt. 1957, 138) wordt, gerekend van 1 januari 1970, ingetrokken, met dien verstande, dat zij voor de tot en met het jaar 1969 toe te kennen of toegekende subsidies van toepassing blijft.

Artikel 54 [Vervallen per 28-08-2004]

Deze regeling kan worden aangehaald als: Rijkssubsidieregeling bureaus voor levens- en gezinsvragen.

Artikel 55 [Vervallen per 28-08-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1970.

Zij zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

Afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

De

staatssecretaris

voornoemd,

H. J. van de Poel

Bijlage 1. Functionarissen en medewerkers [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1. Functionarissen:

    a. Beleidvoerende kracht:

    degene, die voldoet aan de in de bij deze regeling behorende bijlage 3 gestelde taakomschrijving; hij kan niet de werkzaamheden van de hieronder genoemde overige functionarissen en medewerkers verrichten;

    b. zenuwarts:

    een arts, die in het register van erkende specialisten van de Specialisten Registratie Commissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst is ingeschreven voor het specialisme zenuw- en zielsziekte;

    c. gynaecoloog:

    een vrouwenarts, als zodanig ingeschreven in het specialistenregister van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst;

    d. sexuoloog;

    een zenuwarts of arts, deskundig op het gebied van de sexuologie (de leer van het menselijk liefde- en geslachtsleven);

    e. arts:

    degene, die met goed gevolg het artsexamen heeft afgelegd en de bevoegdheid heeft de geneeskunst uit te oefenen;

    f. psycholoog;

    degene, die het doctoraal examen met hoofdvak psychologie met goed gevolg heeft afgelegd;

    g. pedagoog:

    degene, die het doctoraal examen opvoedkunde met goed gevolg heeft afgelegd, dan wel in het bezit is van de akten M.O. Pedagogiek A en B;

    h. geestelijke of geestelijk raadsman:

    degene, die door het kerkgenootschap, waartoe hij behoort, als zodanig is toegelaten, dan wel degene, die door het Humanistisch Verbond als zodanig is aangewezen;

    i. jurist:

    degene, die het doctoraal examen in het Nederlands recht met goed gevolg heeft afgelegd;

    j. supervisor;

    de maatschappelijk werker, die in het bezit is van het diploma van een der voortgezette opleidingen in case-work, genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 4; in aanvulling op de daar genoemde opleidingen dient men in het bezit te zijn van een getuigschrift van de Cursus Supervisor, dan wel van de Werkgroep Supervisoren;

    k. gespecialiseerd maatschappelijk werker:

    een maatschappelijk werker, die in het bezit is van het diploma van een der voortgezette opleidingen in case-work, genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 4, alsmede een maatschappelijk werker met een voor het werk specifieke geschiktheid en ervaring;

    l. groepswerker:

    degene, die een opleiding aan een ingevolge de wet op het voortgezet onderwijs gesubsidieerde school voor maatschappelijk werk met studie gericht op groepswerkmethodieken heeft voltooid;

    m. maatschappelijk werker:

    degene, die in het bezit is van het diploma van een ingevolge de wet op het voortgezet onderwijs gesubsidieerde school voor maatschappelijk werk;

    n. K. en O. voorlichtingsdeskundige;

    degene, die in het bezit is van de akte N XX;

    o. verpleegster:

    degene, die in het bezit is van het diploma A voor ziekenverpleging, met de aantekening voor wijkverpleging;

  • 2. Medewerkers;

    a. gespreksleider:

    degene, die een vormingscursus voor gespreks- of discussieleiders van een centraal orgaan of een daarbij aangesloten instelling met goed gevolg heeft doorlopen, alsmede de onder 11 genoemde groepswerker;

    b. spreker:

    degene, die een vormingscursus voor sprekers van een centraal orgaan of een daarbij aangesloten instelling met goed gevolg heeft doorlopen, alsmede de onder 1 als functionarissen genoemde deskundigen, met uitzondering van de beleidvoerende kracht;

    c. filmbegeleider:

    degene, die een vormingscursus voor filmbegeleiders van een centraal orgaan of een daarbij aangesloten instelling met goed gevolg heeft doorlopen;

    d. ouderparen:

    echtparen met kinderen, geselecteerd ten behoeve van de voorlichting in kleiner en ruimer groepsverband omtrent huwelijkse sexualiteitsbeleving, gezinsopbouw e.d.

Mij bekend,

De

Staatssecretaris

van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

H. J. van de Poel

.

Bijlage 2. (behoort bij de artikelen 23, 25, 26, 27 en 28) [Vervallen per 28-08-2004]

Vaste volgnummers, gehanteerd in de vigerende subsidiecirculaires

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

 

Anciënniteit

 

Functies

0

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Grondslag apparaatskosten

Voor functionarissen en medewerkers, werkzaam op honorariumbasis, worden geen apparaatskosten in berekening genomen.

   

Volgnummers 1

 

A.

Contactcommissie

           
 

1. Secretaris

52

54

56

58

60

62

64

66

   

50 pct. van het laatste volgnummer van kolom 2 per 1 januari van het subsidiejaar

 

2. Beleidsmedewerker

40

42

44

46

48

50

52

54

56

   

B.

1. Vormingsdeskundige

40

42

44

46

48

50

52

54

56

 

idem als A 1 en 2

C.

1. Beleidvoerende kracht

52

54

56

58

60

62

64

66

     
 

2. Psychiater

80

82

84

86

88

90

92

94

96

   
 

3. Gynaecoloog

80

82

84

86

88

90

92

94

96

   
 

4. Sexuoloog

                     
 

a. psychiater

80

82

84

86

88

90

92

94

96

   
 

b. arts

52

54

56

58

60

62

64

66

     
 

6. Psycholoog

52

54

56

58

60

62

64

66

   

50 pct. van de laatste volgnummers van kolom 2 per 1 januari van het subsidiejaar, voor functionarissen en medewerkers, welke in fulltime dienstverband werken;

 

7. Pedagoog

52

54

56

58

60

62

64

66

     
 

8. Geestelijke/geestelijk raadsman

52

54

56

58

60

62

64

66

     
 

9. Jurist

40

42

44

46

48

50

52

54

56

   
 

10. Supervisor

28

30

32

34

36

38

40

     

30 pct. van de laatste volgnummers van kolom 2 per 1 januari van het subsidiejaar voor functionarissen en medewerkers, welke in ten minste half-time vast dienstverband werken.

 

11. Gesp. maatsch. werker (art. 25 derde lid)

32

34

36

38

40

42

44

46

     
 

12. Gesp. maatsch. werker (art. 25 vierde lid)

28

30

32

34

36

38

40

       
 

13. Overige gesp. maatsch. werker

22

24

26

27

28

29

30

31

32

33

 
 

14. Groepswerker

22

24

26

27

28

29

30

31

32

33

 
 

15. Maatschappelijk werker

16

18

20

21

22

23

24

25

26

27

 
 

16. K. en O. voorlichtingsdeskundige

22

24

26

27

28

29

30

31

32

33

 
 

17. Medewerker (art. 26, 1e lid)

28

30

32

34

36

38

40

       
 

18. Verpleegster

12

14

16

17

18

19

20

21

22

23

 

Mij bekend,

De

Staatssecretaris

van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

H. J. van de Poel

.

Bijlage 3. Taakbeschrijving van een beleidvoerende kracht van een bureau voor levens- en gezinsvragen [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1. Binnen de instelling:

    • a. het voorlichten en adviseren van het het bestuur inzake een goede beleidsvorming;

      het voorbereiden van beleidsbeslissingen door het bestuur;

      het dragen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het bestuursbeleid;

    • b. het zorgdragen voor een goede bedrijfsvoering en materiële toerusting van de instelling;

      het voeren van het personeelsbeleid;

      het zorgdragen voor de financiering, incl. contacten met de overheid;

      het geven van leiding aan de administratie;

    • c. het opzetten en in stand houden van een goede organisatie, welke in haar technisch en inhoudelijk functioneren is afgestemd op de maatschappelijke behoefte;

      het door het voeren van intern overleg volgen van het werk teneinde de taken binnen de instelling adequaat te kunnen blijven vervullen.

  • 2. Samenwerking:

    • a. met het oog op het verkrijgen van een sluitend patroon van dienstverlening op het terrein van de bureaus voor levens- en gezinsvragen waar nodig voorzieningen tot stand brengen;

    • b. het bijdragen tot en bevorderen van een georganiseerde samenwerking met andere voorzieningen, teneinde te komen tot een juist gebruik maken van elkaars mogelijkheden, gebaseerd op een inzicht in de bij andere voorzieningen levende behoeften aan aktiviteiten van het bureau voor levens- en gezinsvragen;

    • c. het – mede door het voeren van propaganda – stimuleren van de voorlichtingswerkzaamheden, hetzij door gebruikmaking van de eigen mogelijkheden, hetzij in het kader van andere voorzieningen.

  • 3. Overige inhoudelijk – organisatorische taken:

    • a. het organiseren van de functie van (sociale) consultatie en informatie;

    • b. het organiseren van de vorming in dienstverband van de eigen functionarissen en medewerkers;

    • c. het organiseren van de werving, selectie en vorming van medewerkers voor de voorlichting aan groepen;

    • d. het verrichten van werkzaamheden benodigd voor een periodieke peiling van de behoefte aan de onderhavige dienstverlening in de samenleving.

Mij bekend,

De

Staatssecretaris

van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

H. J. van de Poel

.

Bijlage 4. Voortgezette opleidingen [Vervallen per 28-08-2004]

  • 1. Voortgezette opleidingen van maatschappelijk werkers, verbonden aan de school voor maatschappelijk werk ‘Sociale Academie’, onder beheer van de Vereniging tot opleiding voor Sociaal-Pedagogische Beroepen, Karthuizersplantsoen 2, te Amsterdam.

  • 2. Prot. Chr. Voortgezette opleiding van maatschappelijk werkers, onder beheer van de Stichting Samenwerkende Instituten voor Sociale Arbeid, Weteringschans 263, te Amsterdam.

  • 3. R.K. Voortgezette opleiding van maatschappelijk werkers, onder beheer van de Stichting Katholiek Instituut voor Voortgezette Sociaal-Pedagogische Opleidingen, Batavierenweg 96–98, te Nijmegen.

  • 4. Voortgezette Opleiding van maatschappelijk werkers, verbonden aan de Sociale Academie, Oosterhamriklaan 65, te Groningen.

Mij bekend,

De

Staatssecretaris

van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,

H. J. van de Poel

.
  • ^ [1]

    De hiermede corresponderende salarisbedragen in de betreffende categorieen zijn als zodanig onderworpen aan dezelfde verhogingen en verlagingen als die, waarvan de bezoldiging van ambtenaren met overeenkomstige salarissen volgens het Bezoldigingsbesluit Burgelijke Rijksambtenaren 1948 is onderworpen.