Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Geldend op 10-02-2012


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 13b

    • 1. De gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, eerste of tweede lid, de vanaf 1 augustus 2003 opgebouwde aanspraken op eigen pensioen omzetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen bij overlijden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

    • 2. Voor de omzetting van het eigen pensioen, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister bij ministeriële regeling een leeftijdsafhankelijke ruilvoet vast.

    • 3. Onze Minister informeert de gewezen minister binnen vier maanden voor de afloop van zijn uitkering over de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.

    • 4. De gewezen minister dient zijn keuze binnen zes weken na ontvangst van deze mededeling schriftelijk aan Onze Minister mee te delen. Tot het moment van het eindigen van de termijn van zes weken, verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen overeenkomstig de tijd tot het moment van aftreden van de minister.

    • 5. Als omzetting als bedoeld in het eerste lid gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107, wordt de vermindering van het eigen pensioen aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid.

    • 6. Als een gewezen minister op enig moment opnieuw minister wordt, wordt de vermindering van het eigen pensioen, bedoeld in het eerste lid, aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid, behorende bij de leeftijd van de minister op het moment dat hij opnieuw het ambt van minister vervult.

    • 7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing bij het einde van het huwelijk na aftreden van de minister en voor waardeoverdracht of voor het opnieuw vervullen van het ministerschap.