Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Geldend op 10-02-2012


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 58b

    • 1. Een gewezen kamerlid kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 52, eerste of tweede lid, de vanaf 1 augustus 2003 opgebouwde aanspraken op eigen pensioen omzetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen bij overlijden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

    • 2. Voor de omzetting van het eigen pensioen, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister bij ministeriële regeling een leeftijdsafhankelijke ruilvoet vast.

    • 3. Onze Minister informeert het gewezen kamerlid binnen vier maanden voor het einde van de uitkering over de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.

    • 4. Het gewezen kamerlid dient zijn keuze binnen zes weken na ontvangst van deze mededeling schriftelijk aan Onze Minister mee te delen. Tot het moment van het eindigen van de termijn van zes weken, verkrijgt het gewezen kamerlid een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen overeenkomstig de tijd tot het moment van aftreden van het kamerlid.

    • 5. Als omzetting als bedoeld in het eerste lid gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107, wordt de vermindering van het eigen pensioen aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid.

    • 6. Als een gewezen kamerlid op enig moment opnieuw kamerlid wordt, wordt de vermindering van het eigen pensioen, bedoeld in het eerste lid, aangepast. De aanspraak op nabestaandenpensioen als bedoeld in het eerste lid, wordt omgezet in een aanspraak op eigen pensioen met inachtneming van de ruilvoet, bedoeld in het tweede lid, behorende bij de leeftijd van het kamerlid op het moment dat hij opnieuw lid van de Tweede Kamer wordt.

    • 7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing bij het einde van het huwelijk na aftreden van het kamerlid en voor waardeoverdracht of voor het opnieuw lid worden van de Tweede Kamer.