Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Geldend van 01-01-2016 t/m heden

Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste afdeling. Algemeen gedeelte

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

  • 2 Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.

  • 3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 2

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;

    • b. nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager op de dag van overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien van wie door de overledene aanmelding had plaatsgevonden.

  • 2 Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van

    • a. de tweede afdeling van deze wet: minister;

    • b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.

  • 3 Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.

Aanmelding

Artikel 2a

  • 1 De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:

    • a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;

    • b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud;

    • c. beiden ongehuwd zijn;

    • d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en

    • e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.

  • 2 Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid.

  • 3 Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.

  • 4 Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.

  • 5 Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.

  • 6 De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.

  • 7 Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:

    • a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;

    • b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of

    • c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.

  • 8 Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 9 Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.

  • 10 Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.

Artikel 2b

  • 2 Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.

Artikel 3. Bijzonder nabestaandenpensioen

De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4. Tijdelijk pensioen

De bepalingen van deze wet voor het nabestaanden- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4a

Op een bij of krachtens deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen 47, 53, 55, vierde lid, en 97 van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing.

Tweede afdeling. Ministers en staatssecretarissen

Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen

Artikel 5

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.

  • 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • c. overheidswerknemer: een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, die werkzaam is of was in de sector Rijk.

Hoofdstuk 3. De uitkering

Artikel 6. Het recht op uitkering

  • 1 Aan een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend wordt met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen.

  • 2 Het eerste lid vindt geen toepassing:

    • a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als minister optreedt;

    • b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  • 3 Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de belanghebbende:

    • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

    • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

  • 4 Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 7, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur.

Artikel 7. Duur van de uitkering

  • 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest.

  • 3 Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.

  • 5 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

  • 6 In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 11 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Artikel 7a

  • 1 De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 6, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2 De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 4 Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld in artikel 8;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 7b

  • 1 Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 7c

  • 1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 8. Bedrag van de uitkering

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als minister genoten wedde.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten wedde verstaan de wedde, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen.

  • 3 Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 8a

  • 1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.

  • 2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

  • 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  • 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

  • 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 8b

  • 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

  • 2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten wedde, bedoeld in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze wedde bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die wedde bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    • 58 jaar of ouder is: zes jaar;

    • 53 jaar of ouder is: drie jaar;

    • 48 jaar of ouder is: twee jaar;

    • 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;

    • 38 jaar of ouder is: een jaar;

    • 33 jaar of ouder is: een half jaar;

    jonger is dan 33 jaar: nihil.

  • 4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten wedde, bedoeld in artikel 8, en het minimumloon.

  • 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

  • 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten wedde.

  • 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten wedde.

  • 9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten wedde, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

  • 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

  • 11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

  • 12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 8c

  • 1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 8a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

  • 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

  • 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

  • 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

  • 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

  • 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 8d

  • 1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 8a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

  • 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

    • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;

    • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.

  • 5 De toepassing van artikel 8a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

  • 6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

Artikel 8e

  • 1 Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

  • 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 9. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

  • 1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

  • 4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

  • 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, zesde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 9a

  • 1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 9, tweede lid.

  • 2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

  • 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

  • 4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 10

  • 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

  • 2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

Artikel 11. Einde en verval van de uitkering

  • 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden.

  • 2 De uitkering vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt;

    • c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

  • 4 Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:

    • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

    • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 12. Uitkering bij overlijden

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister wordt aan de weduwe of weduwnaar, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind waarop de gewezen minister ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet op de dag van het overlijden recht had.

  • 2 Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 4. Het eigen pensioen

Artikel 13. Het recht op eigen pensioen

  • 1 Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een eigen pensioen.

  • 2 Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in.

  • 3 Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt.

  • 4 Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in hoofdstuk 3, kan het pensioen niet ingaan.

  • 6 Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd.

Artikel 13a. De opbouw van aanspraken op pensioen

  • 1 De betrokkene bouwt gedurende ieder dienstjaar pensioenaanspraak op. De aanspraak bedraagt voor ieder dienstjaar een percentage van de pensioengrondslag.

  • 2 De opgebouwde aanspraak wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

Artikel 13b. Een dienstjaar

Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is voor hem een dienstjaar.

Artikel 13c. Het opbouwpercentage

  • 1 Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13a, dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.

  • 2 Gedurende de jaren dat langer dan drie jaren en twee maanden een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het in het eerste lid bedoelde percentage.

  • 3 In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.

  • 4 Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.

  • 5 Het opbouwpercentage is nul indien de betrokkene daarom verzoekt.

Artikel 13d. De pensioengrondslag

  • 2 Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten wedde. De wedde wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

Artikel 13e. Het pensioen

  • 1 Het pensioen bedraagt op jaarbasis de som van de opgebouwde pensioenaanspraken.

  • 2 Voor zover het pensioen in gaat op een leeftijd die afwijkt van de pensioenrichtleeftijd die gold op het moment dat pensioenaanspraak werd opgebouwd, wordt voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde som dat deel van de aanspraak herrekend. Daarbij wordt voor het deel van de aanspraak dat is opgebouwd onder een lagere of hogere pensioenrichtleeftijd dan de leeftijd waarop het pensioen in gaat, de aanspraak verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.

  • 3 Het pensioen kan op verzoek van de betrokkene in hoogte variëren in de loop der jaren, waarbij herrekening over de jaren plaats vindt. Daarbij wordt een eerdere verlaging of verhoging gecompenseerd door een latere verhoging onderscheidenlijk verlaging.

  • 4 Bij de herrekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aangesloten bij de herrekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

  • 5 Over de pensioenaanspraak van de persoon die aantreedt als Minister op of na de pensioenrichtleeftijd die geldt op het moment van zijn aantreden, vindt geen herrekening plaats als bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 13f. Verhoging eigen pensioen door omzetting van nabestaandenpensioen

  • 1 Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5, omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.

  • 2 Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het nabestaandenpensioen. De keuze is onherroepelijk.

  • 3 De keuze voor de omzetting kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner.

  • 4 Bij de omzetting wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

Artikel 13g. Verlaging eigen pensioen door omzetting in nabestaandenpensioen

  • 1 Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, een deel van de opgebouwde aanspraken op eigen pensioen, omzetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 2 Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op nabestaandenpensioen in een aanspraak op eigen pensioen indien:

    • a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107;

    • b. de gewezen minister opnieuw minister wordt;

    • c. het huwelijk van de gewezen minister eindigt, anders dan door zijn overlijden.

  • 4 Bij de omzettingen wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

Artikel 13h. Verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen

  • 1 Indien het pensioenfonds ABP een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast op de pensioenaanspraken of de pensioenrechten, verlaagt Onze Minister de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenaanspraken en de pensioenen op overeenkomstige wijze.

  • 2 Onze Minister informeert de ministers en de gewezen ministers schriftelijk over zijn voornemen om de pensioenaanspraken of pensioenen te verlagen.

  • 3 De verlaging kan op zijn vroegst een maand nadat de betrokkenen hierover geïnformeerd zijn, in gaan.

  • 4 Indien het pensioenfonds ABP een compensatie van een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast, past Onze Minister de compensatie toe op overeenkomstige wijze.

Artikel 13i. Afkoop klein pensioen

  • 1 Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt.

  • 2 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, negende lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14. Nadere regels

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    • a. de opbouw van aanspraken op pensioen waaronder de indexering daarvan;

    • b. de in aanmerking te nemen dienstjaren en het in aanmerking te nemen opbouwpercentage;

    • c. de bepaling van de pensioengrondslag, de in aanmerking te nemen wedde waaronder de indexering daarvan en de franchise;

    • d. het bepalen van het pensioen;

    • e. de herrekening, bedoeld in artikel 13e, tweede lid;

    • f. de beperkingen die bij toepassing van artikel 13e, derde lid, in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;

    • g. de verhoging van het pensioen door omzetting van nabestaandenpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet;

    • h. de verlaging van het pensioen door omzetting in nabestaandenpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet en de bepaling van dat nabestaandenpensioen;

    • i. de verlaging van het pensioen na verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen door het pensioenfonds ABP overeenkomstig artikel 134 van de Pensioenwet;

    • j. de afkoop van een klein pensioen;

    • k. overige aspecten in het belang van een goede vaststelling en uitkering van het pensioen.

  • 2 Krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de aanpassing van in de maatregel genoemde bedragen.

  • 3 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen.

Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen

§ 1. Het recht op pensioen

Artikel 15

  • 1 De nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft recht op pensioen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op nabestaandenpensioen:

    • a. indien het huwelijk is gesloten nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;

    • b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;

    • c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen minister de gewezen minister met recht op uitkering als bedoeld in artikel 6.

Artikel 16 [Vervallen per 18-12-1992]

Artikel 17. Bijzonder nabestaandenpensioen

  • 1 Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden minister, gewezen minister of gepensioneerd minister gehuwd is geweest, mits:

    • a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en

    • b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor genoemd tijdstip geldende recht.

  • 2 Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, de gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.

  • 3 In afwijking van het het eerste en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen:

    • a. indien de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;

    • b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door dezelfde minister wegens diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft;

    • c. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;

    • d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.

Artikel 18

Na het overlijden van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij geweest zijn bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn ontslag is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het ontslag.

Artikel 19

Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke minister, gewezen of gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 18 recht op wezenpensioen.

Artikel 20

  • 1 Kinderen voor welke de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 18, recht op wezenpensioen met dien verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.

  • 2 Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

Artikel 21. Tijdelijk pensioen

  • 1 Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.

  • 2 Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.

§ 2. Bedrag van het pensioen

Artikel 22. Nabestaandenpensioen

  • 1 Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.

  • 2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de nabestaande van hem die overlijdt:

    • a. als minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben bekleed;

    • b. als gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende deel van het pensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.

  • 3 Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht ontstaat zowel op nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als op een nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de derde of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd, die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het eigen pensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise.

Artikel 22a

  • 1 De nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.

  • 3 De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.

  • 4 De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.

  • 5 Het recht op toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.

Artikel 22b

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.

  • 3 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

Artikel 22c

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon onafgebroken ongehuwd samenwoont.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag.

    De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die bedragen.

  • 3 Het recht op de toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij een aanmelding;

    • c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 23. Bijzonder nabestaandenpensioen

  • 1 Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:

    • a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister zou zijn berekend indien deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen;

    • b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 17, derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen.

  • 2 Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.

  • 3 Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd.

Artikel 24. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding

Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerde minister in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Artikel 25. Wezenpensioen

  • 1 Het wezenpensioen bedraagt:

    • a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister recht op pensioen ontleent, een zevende gedeelte;

    • b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte, van het pensioen van de overledene, berekend overeenkomstig artikel 22.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 20.

Artikel 25a

  • 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december 1985.

  • 3 Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.

  • 4 De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.

Artikel 26

  • 1 Onze Minister maakt een herberekening van het wezenpensioen overeenkomstig de artikelen 25 en 25a, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is geëindigd.

  • 2 Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 24 wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw wordt vastgesteld, verhoogt Onze Minister het wezenpensioen bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, met een bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 22, vóór en na toepassing van artikel 24 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.

Artikel 27. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

  • 1 Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

  • 2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.

  • 3 Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 27b, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 27a. Toeslag op nabestaandenpensioen

  • 1 De nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen met toepassing van artikel 24 opnieuw is vastgesteld.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg.

Artikel 27b. Toeslag op wezenpensioen

  • 1 De wees bedoeld in artikel 25 heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg.

Artikel 28. Tijdelijk pensioen

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Artikel 28a. Afkoop klein pensioen

  • 1 Als het nabestaandenpensioen, het bijzonder nabestaandenpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt.

  • 2 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, negende lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen.

Hoofdstuk 6. Verval van pensioen

Artikel 29. Verval van uitzicht of recht op pensioen

Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft:

  • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

  • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 30. Herstel van uitzicht op pensioen

In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.

Artikel 31. Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen

  • 1 Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.

  • 2 Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van het vorige lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.

Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1979]

Artikel 33 [Vervallen per 01-01-1979]

Artikel 34. Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding

  • 1 Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 2 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

Artikel 34a. Samenloop van wezenpensioenen

  • 1 Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 35. Intrekking wet van 1 augustus 1956, Stb. 455

  • 1 Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ingetrokken de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, houdende nadere regeling tot het toekennen van uitkering en van pensioen aan gewezen ministers, staatssecretarissen, leden van gedeputeerde staten ener provincie en wethouders ener gemeente, zomede van een pensioen aan hun weduwen en wezen, alsmede de overgangsbepalingen van die wet.

  • 2 Artikel 4 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, blijft van toepassing tot 1 januari 1969.

  • 3 Artikel 14, onder a, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, blijft van toepassing tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip.

  • 4 Te rekenen van 1 september 1956 af wordt in de opsomming van artikelen in de aanhef van artikel 50, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, ingevoegd: 14, onder a.

Artikel 36

De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 35 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.

Artikel 36a. (behoort bij hoofdstuk 3)

  • 2 De artikelen 7a tot en met 7c zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag vanaf 27 februari 2010 van de betrokkene die:

    • a. het ambt van minister vervulde op die datum en

    • b. geen ambt bekleedde in het onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010 aangetreden kabinet.

  • 4 Bij een ontslag of aftreden van een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa het ambt van Minister vervult en dit ambt niet bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum, wordt een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum.

  • 5 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa, het ambt van Minister vervult en dit ambt ook bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum, wordt bij zijn ontslag of aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum, indien hij tevens:

    • a. op de datum van aantreden van het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden, en

    • b. in het tijdvak van twaalf jaren vóór het aantreden van het eerstvolgende kabinet ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.

Artikel 37. Toepasselijkheid van deze wet

De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, aan ontslagen ministers en aan weduwen en wezen van ministers, gewezen ministers en gepensioneerde ministers toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.

Artikel 38. Keuze-bepaling

  • 1 Met inachtneming van het volgende lid zullen de artikelen 6 tot en met 14 van deze wet geen toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de daarmede overeenkomende artikelen van Ons besluit van 31 oktober 1952, Stb. 543, en van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, alsmede artikel 68, vierde lid, van laatstgenoemde wet, zoals deze artikelen luidden op 31 augustus 1956, van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van hem, die op 31 augustus 1956 het ambt van minister bekleedde en daartoe binnen zes maanden na het tijdstip, waarop hem ontslag wordt verleend, schriftelijk aan Onze Minister de wens te kennen geeft.

  • 2 Ten aanzien van de belanghebbende, die de in het vorige lid bedoelde wens heeft kenbaar gemaakt, wordt met ingang van de dag waarop hem pensioen als gewezen minister wordt toegekend, over de tijd voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam, op de voet van de Algemene burgerlijke pensioenwet ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds pensioen toegekend.

  • 3 Pensioenen die ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds zijn toegekend op grond van artikel 52, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, worden voor zover het recht op dat pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet herberekend op de voet van de bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet, indien zulks voor de belanghebbende voordeliger is.

  • 4 In de gevallen waarin de tijd voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam en geacht moet worden met pensioen te zijn vergolden hoewel dit niet tot een afzonderlijk pensioen ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft geleid omdat het pensioen als gewezen minister reeds het geldende maximum als bedoeld in artikel 68, derde lid, van die wet, zoals dit artikel op 31 augustus 1956 luidde, had bereikt, wordt met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, over eerstbedoelde tijd ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op de voet van de bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet pensioen toegekend.

Artikel 39. Het bedrag van de uitkering (behoort bij hoofdstuk 3)

  • 1 Ten aanzien van de gewezen minister aan wie een uitkering is toegekend ter zake van een ontslag als zodanig ná 31 december 1963 doch vóór 1 september 1966, wordt het bedrag van de uitkering, na aftrek van de eventueel daarop toegepaste vermindering wegens inkomsten, verhoogd met een compensatie van de premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet van de uitkering wordt geheven, van 5,6 ten honderd van bedoeld bedrag over het jaar 1964 en daarna van 7,1 ten honderd van bedoeld bedrag, met inachtneming van de desbetreffende maximale grens.

  • 2 Ten aanzien van uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, blijft het bepaalde in artikel 3, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, van kracht.

  • 3 Uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, worden te rekenen van 1 januari 1969 of het latere tijdstip waarop de uitkering is ingegaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 herzien.

Artikel 39a. (behoort bij hoofdstuk 3)

Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 39b. (behoort bij hoofdstuk 3)

  • 1 Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 40. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 4)

Pensioenen toegekend ter zake van een ontslag verleend met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1964 worden afgeleid van de laatstelijk als minister genoten wedde, nadat daarop in mindering is gebracht een zodanig gedeelte van de ter zake van die wedde berekende premie, als bedoeld in artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet, als geacht moet worden door wedde-verhoging te zijn gecompenseerd.

Artikel 40a. (behoort bij hoofdstuk 4)

  • 1 De opbouw van aanspraken op het eigen pensioen geschiedt overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 14 voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.

  • 2 Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 3 Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 40b. (behoort bij hoofdstuk 4)

  • 2 Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.

  • 3 De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.

Artikel 41. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 1)

  • 1 Aan de weduwe wier weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is geëindigd op grond van artikel 22 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, of op grond van het vierde lid wordt op haar verzoek aan Onze Minister opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk, anders dan door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt ontbonden.

    Indien haar ter zake van het latere huwelijk eveneens pensioen toekomt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, wordt het opnieuw toe te kennen pensioen berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 34, eerste lid, tenzij toekenning van een dezer pensioenen, waarbij het recht op het andere pensioen vervalt, tot een hoger bedrag leidt. De vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing, indien de weduwe ter zake van het latere huwelijk recht op bijzonder weduwenpensioen verkrijgt.

  • 2 Bij toekenning aan de weduwe van weduwenpensioen ingevolge het vorige lid wordt het wezenpensioen van haar kinderen, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, eerste volzin, nader vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dat artikel en met inachtneming van artikel 26, tweede lid, indien artikel 24 overeenkomstige toepassing vindt bij de berekening van het weduwenpensioen.

  • 3 Het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen en het nader vastgestelde wezenpensioen gaan in met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk. Herberekening van de pensioenen ingevolge de laatste volzin van het eerste lid geschiedt met ingang van de dag, waarop het bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou ingaan.

  • 4 In afwijking van artikel 24 eindigt een ingevolge het eerste lid opnieuw toegekend weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met een man, met wie zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest, met ingang van de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.

Artikel 41a

Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter zake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 26, tweede lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.

Artikel 42

Aan de weduwe en wezen van de gewezen minister aan wie op grond van artikel 54 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, geen pensioen is toegekend, wordt over de tijd voorafgaand aan het ministerschap, die krachtens de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals die wet op 31 december 1965 luidde, als diensttijd in aanmerking kwam, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds pensioen toegekend op de voet van de bepalingen van de Algemene burgerlijke pensioenwet, met dien verstande dat artikel U 37 van laatstbedoelde wet niet van toepassing is.

Artikel 43

  • 1 Op verzoek wordt weduwenpensioen of wezenpensioen toegekend aan de weduwe, die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet niet dan wel op dat tijdstip niet meer is hertrouwd, onderscheidenlijk aan de kinderen, die recht op weduwenpensioen of wezenpensioen hadden gehad, indien artikel 15 had gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.

  • 2 Indien voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter zake van een ander huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), wordt het pensioen, waarop ter zake van het eerdere huwelijk krachtens de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455) recht bestond dan wel krachtens het vorige lid recht bestaat, met ingang van de dag, waarop het krachtens het vorige lid toe te kennen pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 24 en artikel 26, tweede lid, en is voorts artikel 34, eerste lid, van toepassing.

  • 3 Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien ter zake van een ander huwelijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds recht op pensioen bestond krachtens een andere regeling als bedoeld in artikel 20a, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), dan wel recht op pensioen bestaat krachtens een in strekking met het eerste lid overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten.

  • 4 Toekenning van pensioen krachtens het eerste lid vindt niet plaats, indien toepassing van het tweede lid of van het derde lid zou leiden tot een gezamenlijk bedrag aan pensioen lager dan het bedrag van het pensioen, waarop reeds recht bestond.

  • 5 [Red: Vervallen.]

  • 6 De in het eerste lid bedoelde pensioenen gaan in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.

Artikel 44 [Vervallen per 18-12-1992]

Artikel 45

  • 1 Op verzoek wordt wezenpensioen toegekend aan het kind dat de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt en niet gehuwd is of gehuwd geweest is dat recht op zodanig pensioen had gehad, indien de artikelen 19 en 20 hadden gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde pensioen gaat in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, het niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.

Artikel 45a. (behoort bij hoofdstuk 5)

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het nabestaandenpensioen, het bijzonder nabestaandenpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 2 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen.

Artikel 46. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 2)

De pensioenen toegekend aan weduwen en wezen van ministers, gewezen ministers of gepensioneerde ministers worden, voor zover het recht op pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet herberekend overeenkomstig artikel 22 onderscheidenlijk 25, met inachtneming van artikel 27, indien dit voor de belanghebbende voordeliger is. Bij de herberekening worden onder een uitkering als bedoeld in artikel 6 mede begrepen uitkeringen, toegekend aan gewezen ministers krachtens aan deze wet voorafgaande uitkeringsregelingen.

Artikel 47

De weduwen- en wezenpensioenen toe te kennen uit hoofde van een overlijden op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet van degenen, die zich krachtens artikel 50 van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, hebben uitgesproken voor de berekening van hun pensioen krachtens het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, worden berekend overeenkomstig artikel 22, onderscheidenlijk 25, indien dit voor de belanghebbende voordeliger is.

Artikel 48. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 6)

Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 31, eerste lid, telt mede de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege is gebleven.

Artikel 49. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 7)

  • 1 Pensioenen ten aanzien waarvan artikel 11 of 20a van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, toepassing heeft gevonden, worden, onverminderd de artikelen 93 en 94 zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en met inachtneming van het volgende lid, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet of het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan, nader vastgesteld zonder de in eerstgenoemde artikelen vervatte beperking.

  • 2 De nadere vaststelling bedoeld in het vorige lid geschiedt zodanig, dat niet daadwerkelijk gelijktijdig vervulde diensttijd slechts wordt medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. Bij de toepassing van de vorige volzin wordt onder pensioen tevens verstaan een pensioen krachtens een andere regeling bedoeld in artikel 34, tweede lid.

  • 3 De voorgaande leden vinden slechts toepassing, indien tengevolge daarvan de som van de pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben bedragen, indien de op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet van kracht geweest zijnde bepalingen van toepassing zouden zijn gebleven. Indien krachtens de voorgaande volzin geen nadere vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op het totaal der pensioenen artikel 105 van toepassing.

Derde afdeling. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte

Artikel 50. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

  • b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

  • c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

  • d. kamerlidtijd: tijd, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten;

  • e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende schadeloosstelling en aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in de artikelen 2 en 2b van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, waarbij de evenbedoelde aanspraak wordt berekend over de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2 van de evengenoemde wet, verminderd met het in dat artikel bedoelde percentage van de vakantie-uitkering.

Artikel 50a

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 10 van de Kieswet.

  • 2 Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.

Hoofdstuk 10. De uitkering

Artikel 51. Het recht op uitkering

  • 1 Aan een kamerlid wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen.

  • 2 Het eerste lid vindt geen toepassing:

    • a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt;

    • b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  • 3 Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 52, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur.

Artikel 52. Duur van de uitkering

  • 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.

  • 3 Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.

  • 6 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

  • 7 In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 56 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Artikel 52a

  • 1 De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 51, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2 De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 3 Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

    • a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

    • b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;

    • c. de reistijd naar en van het werk;

    • d. het geboden loon;

    • e. het werkloosheidsrisico.

  • 4 Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 52b

  • 1 Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 52c

  • 1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a of 52b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 52d

De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 53. Bedrag van de uitkering

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

  • 3 Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 53a

  • 1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 56, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 53b.

  • 2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

  • 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  • 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

  • 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 53b

  • 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

  • 2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    • 58 jaar of ouder is: zes jaar;

    • 53 jaar of ouder is: drie jaar;

    • 48 jaar of ouder is: twee jaar;

    • 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;

    • 38 jaar of ouder is: een jaar;

    • 33 jaar of ouder is: een half jaar, en

    jonger is dan 33 jaar: nihil.

  • 4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, en het minimumloon.

  • 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

  • 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

  • 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

  • 9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

  • 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

  • 11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

  • 12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 53c

  • 1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 53a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

  • 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

  • 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

  • 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

  • 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

  • 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 53d

  • 1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 53a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

  • 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

    • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;

    • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.

  • 5 De toepassing van artikel 53a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

  • 6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

Artikel 53e

  • 1 Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

  • 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 54. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

  • 1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.

  • 4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

  • 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 54a

  • 1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 54, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 54, tweede lid.

  • 2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.

    Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

  • 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

  • 4 De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 55

  • 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

  • 2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 56. Einde en verval van de uitkering

  • 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden.

  • 2 De uitkering vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement;

    • c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 57. Uitkering bij overlijden

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd.

  • 2 Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen

Artikel 58. Het recht op eigen pensioen

De artikelen 13 tot en met 14 zijn van overeenkomstige toepassing op het eigen pensioen van een kamerlid.

Artikel 58a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als kamerlid [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 58b [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 59. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 59a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 59aa [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 59b. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 [Vervallen per 27-07-2013]

Artikel 59c. Verstrekken van inlichtingen [Vervallen per 27-07-2013]

Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen

§ 1. Het recht op pensioen

Artikel 60

  • 1 De nabestaande van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft recht op pensioen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op nabestaandenpensioen:

    • a. indien het huwelijk is gesloten nadat het gepensioneerde kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;

    • b. bij overlijden van een gewezen kamerlid vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;

    • c. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f in samenhang met artikel 58.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen kamerlid het gewezen kamerlid met recht op uitkering als bedoeld in artikel 51.

Artikel 61 [Vervallen per 18-12-1992]

Artikel 62. Bijzonder nabestaandenpensioen

  • 1 Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid gehuwd is geweest, mits:

    • a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid, het gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid op de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en

    • b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor genoemd tijdstip geldende recht.

  • 2 Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid, het gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.

  • 3 In afwijking van het eerste en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen:

    • a. indien het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt;

    • b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door hetzelfde kamerlid wegens diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft;

    • c. bij overlijden van een kamerlid of gewezen kamerlid voor de pensioengerechtigde leeftijd, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003;

    • d. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f in samenhang met artikel 58.

Artikel 63

Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het aftreden.

Artikel 64

Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijk kamerlid ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 63 recht op wezenpensioen.

Artikel 65

  • 1 Kinderen voor welke het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid ten tijde van zijn overlijden de pleegouderlijke zorg droeg, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 63, recht op wezenpensioen met dien verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.

  • 2 Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

Artikel 66. Tijdelijk pensioen

  • 1 Indien een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.

  • 2 Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.

§ 2. Bedrag van het pensioen

Artikel 67. Nabestaandenpensioen

  • 1 Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het overleden kamerlid als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen kamerlid als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 60, tweede lid, onder b en c.

  • 2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de nabestaande van hem die overlijdt:

    • a. als kamerlid vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop dat kamerlid aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van evengenoemde leeftijd het kamerlidmaatschap zou hebben bekleed;

    • b. als gewezen kamerlid in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop het gewezen kamerlid aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de berekening van het pensioen de kamerlidtijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van kamerlidtijd op de dag van overlijden.

  • 3 Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht ontstaat zowel op nabestaandenpensioen krachtens deze afdeling als op een nabestaandenpensioen krachtens of op de voet van de tweede of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts medegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het eigen pensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise.

Artikel 67a

  • 1 De nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

  • 3 De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.

  • 4 De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.

  • 5 Het recht op toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.

Artikel 67b

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.

  • 3 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

Artikel 67c

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon onafgebroken ongehuwd samenwoont.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag.

    De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die bedragen.

  • 3 Het recht op de toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij een aanmelding;

    • c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 68. Bijzonder nabestaandenpensioen

  • 1 Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen:

    • a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid zou zijn berekend indien deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen;

    • b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 62, derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen.

  • 2 Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 62, eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat slechts de kamerlidtijd medetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.

  • 3 Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd.

Artikel 69. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding

Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende tijd van het kamerlid, het gewezen kamerlid of het gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.

Artikel 70. Wezenpensioen

  • 1 Het wezenpensioen bedraagt:

    • a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid recht op pensioen ontleent, een zevende gedeelte;

    • b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte, van het pensioen van de overledene, berekend overeenkomstig artikel 67.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van diens overlijden de pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 65.

Artikel 70a

  • 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december 1985.

  • 3 Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.

  • 4 De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.

Artikel 71

  • 1 Onze Minister maakt een herberekening van het wezenpensioen overeenkomstig de artikelen 70 en 70a, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is geëindigd.

  • 2 Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 69 wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw wordt vastgesteld, verhoogt Onze Minister het wezenpensioen bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder a, met een bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 60, vóór en na toepassing van artikel 69 zich verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.

Artikel 72. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

  • 1 Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

  • 2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.

  • 3 Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 73a, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 73. Toeslag op nabestaandenpensioen

  • 1 De nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is vastgesteld.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg.

Artikel 73a. Toeslag op wezenpensioen

  • 1 De wees bedoeld in artikel 70 heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 [Red: per 1 januari 2008 € 38.727,06] . Dit bedrag wordt telkens gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg.

Artikel 74. Tijdelijk pensioen

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Artikel 74a. Afkoop klein pensioen

  • 1 Als het nabestaandenpensioen, het bijzonder nabestaandenpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen.

Hoofdstuk 13. Verval van pensioen

Artikel 75. Verval van recht op pensioen bij niet-invorderen

Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.

Artikel 76. Herstel van uitzicht of recht op pensioen

Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 75 vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.

Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen

Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1979]

Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1979]

Artikel 79. Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding

  • 1 Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 2 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

Artikel 79a. Samenloop van wezenpensioenen

  • 1 Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen

Artikel 80. Intrekking wet van 31 juli 1957, Stb. 324

  • 1 Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ingetrokken de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, houdende toekenning van een uitkering en een pensioen aan gewezen leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zomede van een pensioen aan hun weduwen en wezen, alsmede de overgangsbepalingen van die wet.

  • 2 De artikelen 3, 9, 17 en 18 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, blijven van toepassing tot 1 januari 1969.

  • 3 Artikel 13, onder a, van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, blijft van toepassing tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip.

Artikel 81

De wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 80 blijven van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op grond van die bepalingen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.

Artikel 82. Toepasselijkheid van deze wet

De met ingang van een datum voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, aan afgetreden kamerleden en aan weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.

Artikel 83. Keuze-bepaling

De in de hoofdstukken 10 en 11 van deze afdeling vervatte regelingen zullen geen toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de bepalingen omtrent het pensioen van afgetreden en aftredende kamerleden, zoals deze luidden op 31 augustus 1957, blijven gelden ten aanzien van hem, die op die datum het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekleedde en daartoe binnen drie maanden na het tijdstip, waarop hij is afgetreden, zonder onmiddellijk herkozen en toegelaten te zijn, schriftelijk aan Onze Minister de wens te kennen geeft.

Artikel 84. Uitkering (behoort bij hoofdstuk 10)

  • 1 Ten aanzien van uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een aftreden verleend met een ingangsdatum vóór 1 januari 1969, blijft het bepaalde in artikel 5 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van kracht.

  • 2 Op de in het vorige lid bedoelde uitkeringen is te rekenen van 1 januari 1969 af artikel 105 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een aftreden voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, worden te rekenen van 1 januari 1969 of het latere tijdstip waarop de uitkering is ingegaan, overeenkomstig de in artikel 53, eerste lid, genoemde percentages herzien.

Artikel 84a. (behoort bij hoofdstuk 10)

  • 2 De artikelen 52a tot en met 52c zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste aftreden vanaf 24 maart 2010 van de betrokkene die:

    • a. lid was van de Tweede Kamer op die datum en

    • b. onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010 niet is herbenoemd.

Artikel 84b. (behoort bij hoofdstuk 10)

Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 84c. (behoort bij hoofdstuk 10)

  • 1 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:

    • a. lid was van de Tweede Kamer op 24 maart 2010,

    • b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010,

    • c. bij de herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en

    • d. voldoet aan de in artikel 52, derde lid, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.

  • 2 Uitkeringen ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

  • 3 De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 52, derde lid.

  • 5 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum.

  • 6 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is en als Kamerlid is herbenoemd onmiddellijk na de eerstvolgende kamerverkiezingen na die datum, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming:

    • a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na aftreden, en

    • b. in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.

Artikel 85. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 11)

Pensioenen toegekend of toe te kennen ter zake van een aftreden met een ingangsdatum gelegen vóór 1 januari 1969 worden afgeleid van de laatstelijk als kamerlid genoten schadeloosstelling aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105, met dien verstande, dat, indien het betreft een aftreden vóór 1 januari 1959 de schadeloosstelling wordt verminderd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder b, van de wet van 17 juli 1923, Stb. 364, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 1959.

Artikel 85a. (behoort bij hoofdstuk 11)

  • 1 De opbouw van aanspraken op het eigen pensioen geschiedt overeenkomstig artikel 58 voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.

  • 2 Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 3 Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 11, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn afgetreden. Daarbij wordt de berekeningsgrondslag niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 85b. (behoort bij hoofdstuk 11)

  • 2 Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.

  • 3 De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.

Artikel 86. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 1)

  • 1 Aan de weduwe wier weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is geëindigd op grond van artikel 22 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, of op grond van het vierde lid wordt op haar verzoek aan Onze Minister opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk, anders dan door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt ontbonden.

    Indien haar ter zake van het latere huwelijk eveneens pensioen toekomt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, als bedoeld in artikel 79, tweede lid, wordt het opnieuw toe te kennen pensioen berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 79, eerste lid, tenzij toekenning van een dezer pensioenen, waarbij het recht op het andere pensioen vervalt, tot een hoger bedrag leidt. De vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing, indien de weduwe ter zake van het latere huwelijk recht op bijzonder weduwenpensioen verkrijgt.

  • 2 Bij toekenning aan de weduwe van weduwenpensioen ingevolge het vorige lid wordt het wezenpensioen van haar kinderen, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, eerste volzin, nader vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dat artikel en met inachtneming van artikel 71, tweede lid, indien artikel 69 overeenkomstige toepassing vindt bij de berekening van het weduwenpensioen.

  • 3 Het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen en het nader vastgestelde wezenpensioen gaan in met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk. Herberekening van de pensioenen ingevolge de laatste volzin van het eerste lid geschiedt met ingang van de dag, waarop het bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou ingaan.

  • 4 In afwijking van artikel 69 eindigt een ingevolge het eerste lid opnieuw toegekend weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met een man, met wie zij vóór 1 januari 1966 reeds gehuwd is geweest, met ingang van de maand volgende op die waarin zij hertrouwt.

Artikel 86a

Indien krachtens artikel U 31a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of een in strekking met dat artikel overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten recht op pensioen bestaat en voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet terzake van een eerder huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), wordt laatstbedoeld pensioen met ingang van de dag, waarop eerstbedoeld pensioen ingaat, nader vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 71, tweede lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.

Artikel 87

  • 1 Op verzoek wordt weduwenpensioen of wezenpensioen toegekend aan de weduwe, die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet niet dan wel op dat tijdstip niet meer is hertrouwd, onderscheidenlijk aan de kinderen, die recht op weduwenpensioen of wezenpensioen hadden gehad, indien artikel 60 had gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.

  • 2 Indien voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet ter zake van een ander huwelijk reeds recht op pensioen bestond krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), wordt het pensioen, waarop ter zake van het eerdere huwelijk krachtens de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324) recht bestond dan wel krachtens het vorige lid recht bestaat, met ingang van de dag, waarop het krachtens het vorige lid toe te kennen pensioen ingaat, nader vastgesteld dan wel vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 69 en artikel 71, tweede lid, en is voorts artikel 79, eerste lid, van toepassing.

  • 3 Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien ter zake van een ander huwelijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds recht op pensioen bestond krachtens een andere regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet van 31 juli 1957 (Stb. 324), dan wel recht op pensioen bestaat krachtens een in strekking met het eerste lid overeenkomende bepaling in andere pensioenwetten.

  • 4 Toekenning van pensioen krachtens het eerste lid vindt niet plaats, indien toepassing van het tweede lid of van het derde lid zou leiden tot een gezamenlijk bedrag aan pensioen lager dan het bedrag van het pensioen, waarop reeds recht bestond.

  • 5 Het verzoek bedoeld in het eerste lid moet bij Onze Minister worden ingediend binnen vijf jaren na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.

  • 6 De in het eerste lid bedoelde pensioenen gaan in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, zij niet vroeger ingaan dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.

Artikel 88 [Vervallen per 18-12-1992]

Artikel 89

  • 1 Op verzoek wordt wezenpensioen toegekend aan het kind dat de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt en niet gehuwd is of gehuwd geweest is dat recht op zodanig pensioen had gehad, indien de artikelen 64 en 65 hadden gegolden op het tijdstip van het overlijden waaraan zij zodanig recht konden ontlenen.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde pensioen gaat in op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met dien verstande dat, indien het verzoek meer dan een jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 167, eerste lid, is gedaan, het niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.

Artikel 90. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 2)

  • 1 De pensioenen toegekend aan weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden worden, voor zover het recht op pensioen niet is vervallen, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet herberekend, overeenkomstig artikel 67 onderscheidenlijk artikel 70, met inachtneming van de artikelen 72 en 73, indien dit voor belanghebbenden voordeliger is. Bij de herberekening worden onder een uitkering als bedoeld in artikel 51 mede begrepen uitkeringen, toegekend krachtens de wet van 31 juli 1957, Stb. 324.

  • 2 Het bepaalde in artikel 85 is ten aanzien van toegekende of toe te kennen pensioenen aan weduwen en wezen van kamerleden, gewezen kamerleden of gepensioneerde kamerleden, die zijn afgetreden c.q. overleden vóór 1 januari 1969, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90a. (behoort bij hoofdstuk 12)

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het nabestaandenpensioen, het bijzonder nabestaandenpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 2 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen.

Artikel 91. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 13)

Voor de termijn van vijf achtereenvolgende jaren bedoeld in artikel 75, telt mede de tijd voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, gedurende welke de invordering van het pensioen achterwege is gebleven.

Artikel 92. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 14)

  • 1 Pensioenen ten aanzien waarvan artikel 10 of 19 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, toepassing heeft gevonden, worden, onverminderd de artikelen 93 en 94 zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en met inachtneming van het volgende lid, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet of het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan, nader vastgesteld zonder de in eerstgenoemde artikelen vervatte beperking.

  • 2 De nadere vaststelling bedoeld in het vorige lid geschiedt zodanig, dat niet daadwerkelijk gelijktijdig vervulde kamerlidtijd slechts wordt medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. Bij toepassing van de vorige volzin wordt onder pensioen tevens verstaan een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in artikel 79, tweede lid.

  • 3 De voorgaande leden vinden slechts toepassing, indien tengevolge daarvan de som van de pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben bedragen, indien de op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet van kracht geweest zijnde bepalingen van toepassing zouden zijn gebleven. Indien krachtens de voorgaande volzin geen nadere vaststelling der pensioenen plaatsvindt, is op het totaal der pensioenen artikel 105 van toepassing.

Vierde afdeling. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling

Hoofdstuk 16

Artikel 93. Eigen pensioenen [Vervallen per 15-08-2001]

Artikel 94. Nabestaanden- en wezenpensioen [Vervallen per 15-08-2001]

Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986

Artikel 95. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;

    • b. een algemeen pensioen:

      • 1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;

      • 2e. een nabestaandenuitkering, en een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;

      • 3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van een vreemde mogendheid of krachtens een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e;

    • c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.

  • 3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.

Artikel 96. Volle-wezenpensioen

Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.

Artikel 97. Inbouwbedrag

  • 1 Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:

    • a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;

    • b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.

    Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.

  • 2 Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.

  • 3 Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan. Indien de herberekening leidt tot een verhoging van het pensioen, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de betrokkene kennis heeft gegeven van de wijziging van persoonlijke omstandigheden of waarin de verhoging ambtshalve plaatsvond.

  • 4 Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan.

  • 5 Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 17 of 62, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.

  • 6 Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.

Artikel 98. Mededelingsplicht

  • 1 Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.

  • 2 Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.

Artikel 99. Algemeen pensioen en diensttijd

Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:

  • a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend.

  • b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.

  • c. Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van de Algemene nabestaandenwet, maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op die nabestaandenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.

  • d. [Red: Vervallen.]

  • e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet is bereikt.

  • f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.

  • g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.

  • h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd is of zou zijn bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.

  • i. Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet.

  • j. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald.

Artikel 100. Gehuwde vrouw met recht op pensioen

Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van artikel 97 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.

Artikel 101. Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd

  • 1 Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt de som van de inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.

  • 2 Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt het voor ieder pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen.

  • 3 Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan.

  • 4 Indien aan een belanghebbende pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend en tevens pensioen krachtens een andere regeling, als bedoeld in het volgende lid, is - of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van die regeling geacht wordt te zijn - toegekend, vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

    Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat indien het betreft pensioenen toegekend krachtens een militaire pensioenwet, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de diensttijd, die krachtens die wet met vier per mille van de pensioengrondslag is vergolden.

  • 5 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

  • 6 Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 102, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 102. Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen

  • 1 Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 99, onderdeel h.

  • 2 De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.

  • 3 Bij toepassing van het eerste lid wordt in geval op meer dan een pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen.

  • 4 Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.

  • 5 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.

Artikel 103. Verrekening

Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.

Artikel 104. Gemoedsbezwaren

De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.

Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard

§ 1. Financiële bepalingen

Artikel 105

  • 1 Een pensioen op grond van de tweede of de derde afdeling van deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een aanpassing aan een algemene bezoldigingswijziging, van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest in de sector Rijk.

  • 2 Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.

  • 3 Onze Minister stelt regels voor de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering.

Artikel 106. Inhoudingen

  • 1 Op de wedde van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de wedde en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.

  • 2 Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.

  • 3 Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8a en 53a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.

Artikel 107

  • 1 Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.

  • 3 De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.

  • 4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.

  • 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.

Artikel 108

  • 1 Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.

  • 2 De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de tweede, respectievelijk derde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet.

  • 4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet.

  • 5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.

§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen

Artikel 109. Toekenning pensioen; voorschotverlening

  • 1 Onze Minister beslist over de toekenning van pensioen op aanvraag door of vanwege de betrokkene.

  • 2 Onze Minister is bevoegd een pensioen ambtshalve toe te kennen.

  • 3 Onze Minister is voorts bevoegd een voorschot op een pensioen te verlenen.

Artikel 110. Pensioenbeschikking

In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld.

Artikel 111. Vrijdom van leges

De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges.

§ 3. Ingang en einde van de pensioenen

Artikel 112. Ingang eigen pensioen

Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond.

Artikel 113. Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen

  • 1 Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag volgende op die van het overlijden van hem aan wie het wordt ontleend, met dien verstande dat artikel 112 van overeenkomstige toepassing is.

  • 2 Het tijdelijk pensioen gaat in met een door Onze Minister te bepalen dag.

Artikel 114. Ingang hersteld pensioen

Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.

Artikel 115. Einde pensioen

  • 1 Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te bepalen dag.

  • 2 Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.

  • 3 Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 29 vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.

  • 4 Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin:

    • a. de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt of, de leeftijd van van eenentwintig jaren nog niet bereikt hebbende, in het huwelijk is getreden dan wel partij is bij een aanmelding, of

    • b. ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt vast te staan van een een ander dan degene aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen wordt ontleend.

Artikel 116. Nabestaandenuitkering

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd minister of kamerlid wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister of van dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden (nabestaandenuitkering). Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

  • 2 Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk 17.

Artikel 117. Terugvordering

  • 1 Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 115, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel 116.

  • 2 Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 116, is betaald worden teruggevorderd.

§ 4. Betaling van de pensioenen

Artikel 118. Maandbetaling

  • 1 Onze Minister draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen.

  • 2 Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent wijze en voorwaarden van de betaling. Daarbij kunnen Wij tevens regelen stellen met betrekking tot de betaling van bepaalde pensioenen over tijdvakken van langer dan een maand.

Artikel 119. Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde

  • 1 Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling.

  • 2 Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

  • 3 Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.

Artikel 120. Verval van pensioentermijnen

  • 1 Onze Minister betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het einde van het tijdvak waarover zij zijn verschuldigd.

  • 2 Indien naar het oordeel van Onze Minister de belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest vindt het vorige lid geen toepassing.

§ 5. Beroep en herziening

Artikel 121. Beroep

De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de Vijfde Afdeling, worden genomen door Onze Minister.

Artikel 122. Herziening, wijziging en herstel

  • 1 Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien:

    • a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;

    • b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.

  • 2 Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten.

  • 3 Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig artikel 105 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.

  • 4 Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten.

Artikel 123

  • 1 Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald.

  • 2 Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

  • 3 Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten.

  • 4 In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 117 is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten.

  • 5 Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 122, derde lid, binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen

Artikel 124. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling (behoort bij hoofdstuk 16)

  • 1 De artikelen 93 en 94 vinden tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip geen toepassing in gevallen waarin die toepassing zou leiden tot terugvordering van reeds betaalde pensioenbedragen.

  • 2 Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde pensioenen blijven tot het daar bedoelde tijdstip de artikelen 11 en 20a van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, en de artikelen 10 en 19 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van toepassing.

  • 3 Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip worden de daar bedoelde pensioenen herberekend met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en wordt een toelage toegekend ten bedrage van het verschil tussen het bedrag van het toegekende pensioen en het bedrag van het herberekende pensioen. Op deze toelage, die voor de toepassing van hoofdstuk 17 en van de artikelen 118 en 119 als pensioen wordt aangemerkt, worden verhogingen van die pensioenen na het in de vorige volzin bedoelde tijdstip in mindering gebracht.

Artikel 125. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17)

In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 97 en onverminderd het bepaalde in artikel 99, onder e, vindt voor de berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet die voor de berekening van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt genomen.

Artikel 126

  • 1 Voor de toepassing van deze wet wordt de overgangstoeslag toegekend krachtens artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963, geacht krachtens deze wet te zijn toegekend.

  • 2 Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na de dag voorafgaand aan die van de inwerkingtreding van de Pensioenmaatregelen 1963, recht op een lager bedrag aan algemeen pensioen, als bedoeld in artikel 95 ontstaat, of het recht op evenbedoeld algemeen pensioen vervalt dan wel recht op een hoger pensioen anders dan krachtens artikel 105 ontstaat, vervalt de overgangstoeslag of wordt deze op zodanig lager bedrag vastgesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging luidde reeds op laatstbedoelde dag aanwezig was geweest.

  • 3 Het pensioen en de daarbij behorende overgangstoeslag worden als een eenheid beschouwd, waarop de op het pensioen betrekking hebbende wettelijke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering van artikel 105 en van hoofdstuk 17.

Artikel 127

  • 1 Op verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2e, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2e, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919 dan wel een zodanige uitkering krachtens de liquiditeitswet ongevallenwetten, daaronder begrepen de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet Ongevallenrentetrekkers, is beperkt uit hoofde van haar recht op algemeen weduwenpensioen als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt het bedrag van die beperking in mindering gebracht op het inbouwbedrag bedoeld in artikel 97.

  • 2 Indien op de dag waarop het verzoek, bedoeld in het vorige lid, bij Onze Minister is ingekomen, meer dan een jaar is verstreken nadat de omstandigheid, bedoeld in het vorige lid, is opgetreden, gaat de in dat lid bedoelde vermindering niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend.

Bepalingen van administratieve aard

Artikel 128. Betaling AOW/AWW-premie (behoort bij hoofdstuk 18)

De rechthebbende op een pensioen, die krachtens artikel 6 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963 op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet een vergoeding geniet ter zake van de premie die van dat pensioen wordt geheven ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, met uitzondering van degene op wie artikel 108 toepassing vindt, heeft recht op een vergoeding ter zake van die premie. Deze vergoeding beloopt een zodanig gedeelte van bedoelde premie als wordt aangegeven door een breuk, waarvan de teller is 7,1 en de noemer 10,2 is.

Artikel 129. Beroep en herziening

In afwijking van artikel 122 is herziening van een in dat artikel bedoelde beslissing, die genomen is met toepassing van de in de artikelen 35 en 80 genoemde wetten niet meer mogelijk nadat vijf jaren zijn verstreken sinds het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.

Vijfde afdeling. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen

Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen

Artikel 130

  • 1 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

    • a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder;

    • b. provincie: gemeente;

    • c. provinciale staten: de raad;

    • d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.

  • 2 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

    • a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de voorzitter;

    • b. provincie: waterschap;

    • c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap;

    • d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap.

  • 3 Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde.

  • 4 In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de hoofdstukken 22 tot en met 29 niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:

    • a. gewezen lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft;

    • b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen;

    • c. wedde: wedde inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;

    • d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten wedde exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die wedde is afgeleid.

Artikel 130a

Deze afdeling is niet van toepassing op een gedeputeerde die is benoemd met toepassing van artikel 44b van de Provinciewet.

Artikel 130b

  • 1 Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing op de Rijksvertegenwoordiger, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

    • a. lid van gedeputeerde staten: Rijksvertegenwoordiger;

    • b. provincie: Rijk;

    • c. provinciale staten: Onze Minister;

    • d. gedeputeerde staten: Onze Minister.

  • 2 Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van artikel 132, zesde lid, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.

  • 4 In afwijking van artikel 152, tweede lid, kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen.

Hoofdstuk 21. De uitkering

Het recht op uitkering

Artikel 131

  • 1 Aan een lid van gedeputeerde staten wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen.

  • 2 Het eerste lid vindt geen toepassing:

    • a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt, tenzij hij als zodanig een betrekking in een mindere omvang is gaan uitoefenen;

    • b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  • 3 Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 132, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur.

Duur van de uitkering

Artikel 132

  • 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij lid van gedeputeerde staten is geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, waarin zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

  • 2 Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 3 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

  • 4 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde staten is geweest.

  • 5 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 136, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

  • 6 In bijzondere gevallen kunnen provinciale staten bepalen dat de uitkering wordt voortgezet voor een met inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Artikel 132a

  • 1 De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 131, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2 De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 3 Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

    • a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

    • b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;

    • c. de reistijd naar en van het werk;

    • d. het geboden loon;

    • e. het werkloosheidsrisico.

  • 4 Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

    • a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de wedde, bedoeld in artikel 133;

    • b. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 132b

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2 Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als gedeputeerde per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 132c

  • 1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 132a of 132b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Bedrag van de uitkering

Artikel 133

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten wedde.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten wedde verstaan de wedde, waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad.

  • 3 Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging aanbrengen wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten wedde voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 133a