Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen

Geldend op 30-07-2009


  • Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet
  • Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

    Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 23 augustus 1968, no. 668/639 W.J.A., de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord;

    Gelet op de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 26, 29, 30, tweede lid, 31, 32 en 35 van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);

    De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1968, no. 88);

    Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 3 september 1969, no. 669/585 W.J.A.;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

  • Artikel 1

    • 1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

      • collo: verpakking met radioactieve inhoud, gereed voor verzending;

      • handeling: vervoeren, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen, of voorhanden hebben bij opslag in verband met vervoer van een:

        • 1º. splijtstof,

        • 2º. erts,

        • 3º. kunstmatige bron of

        • 4º. natuurlijke bron, voorzover deze is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen,

        uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;

      • lid van de bevolking: een persoon uit de bevolking binnen of buiten een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn werktijd of een persoon die een radiologische verrichting ondergaat;

      • locatie: inrichting, als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, of als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer of plaats, waar een handeling of een werkzaamheid wordt verricht;

      • ondernemer: degene onder wiens verantwoordelijkheid een handeling of werkzaamheid wordt verricht;

      • richtlijn 94/55/EG: richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 319);

      • richtlijn 96/49/EG: richtlijn nr. 96/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235);

      • VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen;

      • VLG: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen;

      • VSG: Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen;

      • werkzaamheid: vervoeren, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen, of voorhanden hebben bij opslag in verband met vervoer van een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;

      • wet: Kernenergiewet.

    • 2.Een wijziging van richtlijn 94/55/EG of richtlijn 96/49/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

    • 3.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «activiteit», «besmetting», «blootstelling», «effectieve dosis», «equivalente dosis», «gezondheidsschade», «radiologische verrichting» en «schade» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming.

    • 4.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «bron», «kunstmatige bron», «open bron» en «natuurlijke bron» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming, voorzover dat betrekking heeft op radioactieve stoffen.

    • 5.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «gehalte», «natuurlijk uranium», «verrijkingsgraad» en «verrijkt uranium» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

  • Artikel 1a

    Dit besluit is niet van toepassing op:

    • a. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die een integraal onderdeel vormen van het vervoermiddel;

    • b. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die binnen een inrichting of een locatie of tussen twee locaties binnen een inrichting van de ondernemer worden vervoerd, indien het vervoer onderworpen is aan regelgeving die op de inrichting van toepassing is en het vervoer niet via de openbare weg plaatsvindt;

    • c. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen, die in het menselijk lichaam of in levende dieren aanwezig zijn;

    • d. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen in bij ministeriële regeling aangewezen producten bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen;

    • e. natuurlijke bronnen waarmee werkzaamheden worden verricht, indien de activiteitsconcentratie daarvan lager is dan of gelijk is aan tien keer de waarden, vermeld in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij de VSG.

  • Artikel 1b

    Het bij of krachtens de artikelen 1, derde lid, 3, 4, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid, 5, 7, tweede en vierde tot en met zevende lid, 8, 9, tweede en vierde lid, 10, eerste en derde lid, 11, eerste, tweede en zevende lid, 14, eerste, derde en vierde lid, 15, eerste en vijfde lid, 16, 17, 20, eerste en tweede lid, 48 tot en met 51, 76 tot en met 80, 83 tot en met 101, 112 tot en met 114, 116 tot en met 119, 122, eerste lid en 124 van het Besluit stralingsbescherming bepaalde, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald over toestellen, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. in artikel 3, zesde lid, in plaats van «bijlage 1, tabel 1 en tabel 2», wordt gelezen: tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij de VSG;

    • b. met uitzondering van de artikelen 7 en 9, tweede lid, in plaats van« deskundige» telkens wordt gelezen: veiligheidsadviseur als bedoeld in de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen;

    • c. de overeenkomstige toepassing van artikel 10, eerste lid, onder d, en 11, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geen betrekking heeft op bronnen;

    • d. dat bij de overeenkomstige toepassing van artikel 113, eerste lid, onderdeel e als volgt wordt gelezen:

    • e. het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen betreft, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • e. de artikelen 114 en 119 alleen van overeenkomstige toepassing zijn voor het geval een categorie B ongeval wordt opgeschaald tot een categorie A ongeval;

    • f. bij de overeenkomstige toepassing van artikel 124 in plaats van «die van dit besluit afwijken» wordt gelezen: die van de van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen van het Besluit stralingsbescherming afwijken.

  • Artikel 1c

    Geen vergunning krachtens dit besluit wordt verleend indien:

    • a. niet aan de krachtens artikel 1b in samenhang met de artikelen 4, 5, 6 en 48 van het Besluit stralingsbescherming geldende voorwaarden betreffende rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimieten is voldaan;

    • b. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt, als gevolg van de handeling of werkzaamheid waarvoor de vergunning is aangevraagd en ten gevolge van andere handelingen en werkzaamheden binnen en buiten deze locatie, een van de volgende doses wordt overschreden:

      • 1º. een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:

      • 2º. een equivalente dosis van 50 mSv in een kalenderjaar voor de huid gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm2;

    • c. de handeling of werkzaamheid waarvoor de vergunning is aangevraagd, behoort tot een categorie die overeenkomstig de krachtens artikel 1b in samenhang met de in artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, maar het specifieke karakter van deze handeling of werkzaamheid op grond van artikel 4, eerste lid, van dat besluit niet gerechtvaardigd is.

  • Artikel 1d [Treedt in werking per 01-01-2011]

    Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van de in artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen bedoelde splijtstoffen en ertsen en de in artikel 20ca van het Besluit stralingsbescherming bedoelde radioactieve stoffen.

  • Hoofdstuk II. Het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer

  • Afdeling 1. Algemene bepalingen

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen
  • Artikel 2
    • 1.Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen of ertsen, indien binnen de locatie:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen of ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending, of

      • b. de activiteitsconcentratie van die stoffen of ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 2.Voor de toepassing van het eerste lid worden bestraalde splijtstoffen beoordeeld naar onbestraalde toestand.

    • 3.Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

    • 4.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.

  • Artikel 3
    • 1.De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer is gericht tot Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en wordt ingediend bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat.

    • 2.De aanvraag om een vergunning als in het eerste lid bedoeld dient de volgende gegevens te bevatten:

      • a. naam en adres van de aanvrager;

      • b. naam en adres van de afzender;

      • c. naam en adres van degene, voor wie de splijtstoffen bestemd zijn;

      • d. het traject of de trajecten, waarlangs het vervoer zal plaatsvinden;

      • e. een omschrijving van het vervoermiddel of de vervoermiddelen, waarmede het vervoer zal worden verricht;

      • f. de vermoedelijke datum van het vervoer of de duur, waarvoor vergunning wordt gevraagd;

      • g. de hoeveelheid te vervoeren splijtstoffen;

      • h. in gevallen van colli met het type B(M) of indien de bepalingen voor verpakkingen met splijtstoffen in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij de VSG van toepassing zijn:

        • 1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met toepassing van het derde lid aangewezen land,

        • 2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van bijlage 1 bij de VSG;

      • i. in het geval dat radioactieve stoffen op grond van een speciale regeling als bedoeld in 1.7.4 worden vervoerd: de gegevens, bedoeld in 6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;

      • j. in gevallen, waarin een met toepassing van het derde lid aangewezen land als eerste bij de verzending is betrokken: de door de bevoegde autoriteit van dat land afgegeven certificaten van goedkeuring van verzending, bedoeld in 5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b) van bijlage 1 bij de VSG;

      • k. naam en adres van degene, die de verzekering of andere financiële zekerheid, bedoeld in artikel 4, zal verstrekken;

      • l. in voorkomend geval een nauwkeurige aanduiding van de plaats of de plaatsen, waar opslag van de betrokken splijtstoffen in verband met het vervoer zal plaatsvinden;

      • m. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, geldende regeling alsgerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking;

      • n. een opgave van alle handelingen en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de locatie die meldingsplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit stralingsbescherming of het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

    • 3.Een aanwijzing van landen als bedoeld in het tweede lid, onder h en j, geschiedt bij een door plaatsing in de Staatscourant bekend te maken besluit van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, genomen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

      Uitsluitend aangewezen kunnen worden landen die naar het oordeel van Onze voornoemde Ministers toepassing geven aan de ter zake door de Internationale Atoomorganisatie gedane aanbevelingen.

    • 4.Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de aanvraag om een vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.

  • Artikel 4
    • 1.Aan een vergunning voor het vervoeren van plutonium of verrijkt uranium bevattende splijtstoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomende voor schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden, dat het vervoer over, of het voorhanden hebben binnen Nederlands grondgebied slechts mag geschieden, indien degene, die voor schade als bedoeld in een bijzondere wettelijke regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen, aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid, welke niet meer behoeft te bedragen dan € 195 125 492,92.

    • 2.Het vervoeren van plutonium of verrijkt uranium bevattende splijtstoffen over, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer binnen Nederlands grondgebied, waarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod niet geldt, mogen slechts geschieden, indien degene, die voor schade als bedoeld in een bijzondere wettelijke regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen, aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die bijzondere wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid, welke niet meer behoeft te bedragen dan € 195 125 492,92.

    • 3.Het eerste en tweede lid gelden niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben van de daargenoemde stoffen van een verrijkingsgraad of in hoeveelheden, waarop de daarbedoelde wettelijke regeling niet van toepassing is.

  • Artikel 4a

    Aan een vergunning voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen worden voorschriften verbonden als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag inzake fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), indien het betreft:

    • a. onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het gehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%;

    • b. onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram;

    • c. onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235, maar tot minder dan 20%, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram;

    • d. onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 10 kilogram;

    • e. onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram;

    • f. bestraalde splijtstoffen.

  • Artikel 4b

    Met betrekking tot het vervoer van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

  • § 2. Radioactieve stoffen
  • Artikel 4c
    • 1.De ondernemer die een radioactieve stof vervoert, meldt dit vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer ten minste drie weken tevoren aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat en aan een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instantie.

    • 2.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer van een kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,

      • b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen, of

      • c. artikel 5 van toepassing is.

    • 3.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer van een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending,

      • b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen, of

      • c. artikel 5 van toepassing is.

    • 4.Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

    • 5.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden, die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.

  • Artikel 4d
    • 1.Een melding, als bedoeld in artikel 4c, eerste lid, bevat in ieder geval:

      • a. de naam en het adres van degene die de melding doet, alsmede van de afzender en de ontvanger van de betrokken radioactieve stof;

      • b. de wijze van vervoer en opslag in verband met dat vervoer, waarop de melding betrekking heeft;

      • c. de hoeveelheid radioactieve stoffen waarop de melding betrekking heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool, massagetal en energietoestand van de betrokken radionucliden, van de maximale activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische toestand en de vorm, waarin deze zich bevinden;

      • d. de vermoedelijke data waarop het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer plaatsvinden;

      • e. indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, dat krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking.

    • 2.Indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, dat niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van dat vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer. De melding bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van het betrokken vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer.

    • 3.De ondernemer meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, waarop zij betrekking hebben, plaatsvindt aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en een door hem aan te wijzen instantie.

    • 4.De ondernemer verstrekt Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op hun verzoek nadere gegevens.

  • Artikel 5
    • 1.Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning radioactieve stoffen te vervoeren of voorhanden te hebben geldt voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van stoffen in colli van het type B(M) als bedoeld in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij de VSG, tenzij het model van het collo voldoet aan de eisen met betrekking tot type B(M) zonder voortdurende druknivellering, gesteld in 6.4.9.1 en 6.4.7.5 van bijlage 1 bij de VSG, en

      • a. de activiteit van de radioactieve stoffen niet meer bedraagt dan aangegeven in 5.1.5.2.2 van bijlage 1 bij de VSG, dan wel

      • b. zulks in een door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, afgegeven certificaat van goedkeuring of erkenning van het model van het te vervoeren collo is bepaald.

    • 2.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt eveneens voor radioactieve stoffen, die worden vervoerd:

      • a. op grond van een speciale regeling als bedoeld in 1.7.4 van bijlage 1 bij de VSG, of

      • b. in colli van type B(M), waarvan de activiteit hoger is dan 3 x 103 A1, 3 x 103 A2 of 1000 TBq, waarbij de laagste van deze waarden bepalend is.

  • Artikel 6
    • 1.De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen en voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer is gericht tot Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt ingediend bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat.

    • 2.De aanvraag om een vergunning als in het eerste lid bedoeld dient de volgende gegevens te bevatten:

      • a. de gegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a tot en met g en l tot en met n, en vierde lid, met dien verstande dat telkens in plaats van «splijtstoffen» wordt gelezen: «radioactieve stoffen» en in plaats van «handeling»: «handeling of werkzaamheid»;

      • b. in een geval als bedoeld in artikel 5, eerste lid:

        • 1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, aangewezen land,

        • 2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van bijlage 1 bij de VSG;

      • c. in een geval als bedoeld in artikel 5, tweede lid: de gegevens, bedoeld in 6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;

      • d. in gevallen, waarin een met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, aangewezen land als eerste bij de verzending is betrokken: de door de bevoegde autoriteiten van dat land afgegeven certificaten van goedkeuring van de verzending, bedoeld in 5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b) van bijlage 1 bij de VSG.

  • Artikel 6a

    Met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen over de spoorweg, over land, anders dan over de spoorweg, of over de binnenwateren en de met dit vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden is de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

  • Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen
  • Artikel 7
    • 1.Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade zodanige voorschriften verbonden, dat:

      • a. blootstelling en besmetting, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;

      • b. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, deze zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt;

      • c. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, het aantal aan ioniserende stralen blootgestelde personen, met vermijding van een ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting per persoon, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt.

    • 2.Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:

      • a. het voorschrift, dat het vervoer dient te geschieden onder daarbij aan te wijzen geleide, dan wel de opslag onder daarbij aan te wijzen toezicht;

      • b. het voorschrift, dat het vervoer dient plaats te vinden langs een daarbij aan te geven route;

      • c. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden op grond van andere voorschriften, zodanige maatregelen dienen te worden genomen, dat schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;

      • d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan nadere eisen, gesteld door een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen instantie.

  • Artikel 8
    • 1.Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kunnen Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG dat toelaat.

    • 2.Bij het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod niet geldt, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen.

    • 3.Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, ontheffing verlenen van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen. Een zodanige ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

    • 4.De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan alleen worden uitgeoefend in de gevallen en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG.

  • § 2. Radioactieve stoffen
  • Artikel 9
    • 1.Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

    • 2.Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a en b.

  • Artikel 10
    • 1.Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kunnen Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG dat toelaat.

    • 2.Bij het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Daarbij moet worden voldaan aan nadere eisen, gesteld door een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen instantie.

    • 3.Ten aanzien van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • Afdeling 3. Vervoer over land, anders dan over de spoorweg

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen
  • Artikel 11

    Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over land, anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in plaats van «VSG» telkens wordt gelezen «VLG», in plaats van «artikel 5, eerste lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen «artikel 5, eerste of derde lid, onder a, van richtlijn 94/55/EG» en in plaats van «artikel 6, negende tot en met twaalfde, en veertiende lid, van richtlijn 96/49/EG» wordt gelezen: «artikel 6, negende tot en met elfde lid, van richtlijn 94/55/EG».

  • § 2. Radioactieve stoffen
  • Artikel 12
  • Afdeling 4. Vervoer te water

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen
  • Artikel 13

    Het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren van splijtstoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.

  • Artikel 14
    • 1.Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

      • a. telkens in plaats van "VSG" wordt gelezen: de International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in hoofdstuk VII, deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;

      • b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beslissende in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:

        • 1°. hetzij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,

        • 2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar het model is ontworpen;

      • d. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;

      • e. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.

    • 2.Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat telkens in plaats van "VSG" wordt gelezen: VBG.

  • § 2. Radioactieve stoffen
  • Artikel 15

    Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.

  • Artikel 16
    • 1.Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

      • a. in artikel 10, eerste lid, in plaats van "VSG" wordt gelezen: de International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in hoofdstuk VII, deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 158) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;

      • b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beslissende in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:

        • 1°. hetzij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,

        • 2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar het model is ontworpen;

      • d. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;

      • e. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.

    • 2.Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen over de binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in artikel 10, eerste lid, in plaats van "VSG" wordt gelezen: VBG.

  • Afdeling 5. Vervoer in een luchtvaartuig

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen
  • Artikel 17

    Het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren van splijtstoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.

  • Artikel 18
    • 1.Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen in een luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

    • 2.Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:

      • a. het voorschrift dat bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air), in acht dienen te worden genomen, met dien verstande dat voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beslissende in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • b. voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c en d.

  • Artikel 19
    • 1.Bij het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a , van de wet vervatte verbod niet geldt, bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:

      • a. voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beslissende in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • b. voor het vervoer als bedoeld in artikel 17 in een Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;

      • c. voor vervoer als bedoeld in artikel 17 in een niet-Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.

    • 2.Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • § 2. Radioactieve stoffen
  • Artikel 20

    Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.

  • Artikel 21

    Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

  • Artikel 22
    • 1.Bij het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:

      • a. voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beslissende in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • b. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;

      • c. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een niet-Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.

    • 2.Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • Hoofdstuk III. Het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen en doen brengen

  • § 1. Splijtstoffen en ertsen

  • Artikel 23
    • 1.Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen en ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending; of

      • b. de activiteitsconcentratie van die stoffen en ertsen lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 2.Voor de toepassing van het eerste lid worden bestraalde splijtstoffen beoordeeld naar onbestraalde toestand.

    • 3.Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

    • 4.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.

  • Artikel 24
    • 1.De aanvraag om een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen is gericht tot Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt ingediend bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat.

    • 2.De aanvraag om een vergunning als in het eerste lid bedoeld dient de volgende gegevens te bevatten:

      • a. naam en adres van de aanvrager;

      • b. de soort handeling, waarop de aanvraag betrekking heeft;

      • c. naam en adres van degene, voor wie de splijtstoffen bestemd zijn;

      • d. de hoeveelheid, de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad van de splijtstoffen;

      • e. het land van herkomst van de splijtstoffen;

      • f. het land van bestemming van de splijtstoffen;

      • g. de vermoedelijke datum, waarop de splijtstoffen binnen Nederlands grondgebied zullen worden gebracht, of de duur, waarvoor vergunning wordt gevraagd;

      • h. de plaats, waar de splijtstoffen binnen, onderscheidenlijk buiten Nederlands grondgebied zullen worden gebracht;

      • i. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, geldende regeling als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking.

    • 3.Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de aanvraag om een vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.

  • Artikel 25
    • 1.Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van splijtstoffen kunnen ter voorkoming van schade de volgende voorschriften worden verbonden:

      • a. het voorschrift, dat de splijtstoffen uitsluitend binnen Nederlands grondgebied mogen worden gebracht, indien zij bestemd zijn voor een persoon die bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan Nederland;

      • b. het voorschrift, dat de splijtstoffen uitsluitend binnen, onderscheidenlijk buiten Nederlands grondgebied mogen worden gebracht op de plaats die in het voorschrift is vermeld;

      • c. het voorschrift, dat de vergunning of een gewaarmerkt afschrift daarvan desverlangd aan een op grond van artikel 58, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar ter inzage moet worden gegeven.

    • 2.Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied doen brengen van splijtstoffen kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

      • a. het voorschrift, dat de houder van de vergunning uitsluitend splijtstoffen binnen Nederlands grondgebied mag doen brengen, indien zij bestemd zijn voor een persoon, die bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan Nederland;

      • b. het voorschrift, dat de houder van de vergunning de splijtstoffen uitsluitend binnen, onderscheidenlijk buiten Nederlands grondgebied mag doen brengen op een plaats die in het voorschrift is vermeld;

      • c. het voorschrift, dat de houder van de vergunning de vergunning of een gewaarmerkt afschrift daarvan ter beschikking moet stellen aan degene, die de splijtstoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt;

      • d. het voorschrift, dat de houder van de vergunning er voor dient zorg te dragen, dat aan de voor het betrokken vervoer geldende voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.

    • 3.Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen worden voorschriften verbonden als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag inzake fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), indien het betreft:

      • a. onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het gehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%;

      • b. onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram;

      • c. onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235, maar tot minder dan 20%, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram;

      • d. onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 10 kilogram;

      • e. onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram;

      • f. bestraalde splijtstoffen.

  • Artikel 26
    • 1.Degene, die splijtstoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt, draagt, indien voor het binnen Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van die splijtstoffen een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet is vereist, ervoor zorg dat de vergunning of een gewaarmerkt afschrift daarvan tijdens het vervoer bij de splijtstoffen aanwezig is.

    • 2.Degene, die splijtstoffen of ertsen binnen of buiten Nederlands grondgebied doet brengen in een geval waarin ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, draagt ervoor zorg dat aan de voor het betrokken vervoer geldende voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.

  • § 2. Radioactieve stoffen

  • Artikel 27
    • 1.Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid radioactieve stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen geldt voor:

      • a. geneesmiddelen en

      • b. gebruiksartikelen,

      waaraan bij de productie en fabricage opzettelijk radioactieve stoffen zijn toegevoegd.

    • 2.Het in het eerste lid, onder b, bedoelde verbod geldt niet voor een kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending, of

      • b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 3.Het in het eerste lid, onder b, bedoelde verbod geldt niet voor een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending, of

      • b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 4.Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

    • 5.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.

  • Artikel 28
    • 1.De aanvraag om een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 27, eerste lid, is gericht tot Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt ingediend bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat.

    • 2.De aanvraag om een vergunning als in het eerste lid bedoeld dient de volgende gegevens te bevatten:

      • a. de gegevens, bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a, b en e tot en met i, en derde lid, met dien verstande dat in plaats van «splijtstoffen» telkens wordt gelezen: «radioactieve stoffen» en in plaats van «handeling» wordt gelezen: «handeling of werkzaamheid»;

      • b. een opgave en verklaring als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c , met dien verstande, dat in plaats van "splijtstoffen", telkens wordt gelezen: "radioactieve stoffen";

      • c. de hoeveelheid radioactieve stoffen, waarop de aanvraag betrekking heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool, massagetal en energietoestand van de betrokken nucliden, van de maximale activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische toestand en de vorm, waarin deze zich bevinden;

      • d. een omschrijving van de geneesmiddelen of gebruiksartikelen, waarin de radioactieve stoffen zich bevinden.

  • Artikel 29 [Vervallen per 28-07-2004]
  • Artikel 30 [Vervallen per 28-07-2004]
  • Artikel 31
    • 1.Het binnen Nederlands grondgebied brengen en doen brengen van radioactieve stoffen mag uitsluitend geschieden, indien die stoffen bestemd zijn voor een persoon, die bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan Nederland.

    • 2.Degene, die radioactieve stoffen binnen Nederlands grondgebied doet brengen, is verplicht er voor zorg te dragen, dat aan de voor het betrokken vervoer geldende voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.

  • Artikel 32
    • 1.De ondernemer die:

      • a. een radioactieve stof binnen Nederlands grondgebied brengt of doet brengen vanuit een land buiten de Europese Unie of een radioactieve stof vanaf Nederlands grondgebied buiten het grondgebied van de Europese Unie brengt of doet brengen, of

      • b. een open bron vanaf Nederlands grondgebied naar het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie brengt of doet brengen,

      meldt dit tenminste drie weken voordat die handeling of werkzaamheid plaatsvindt, aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat en aan een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instantie.

    • 2.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een kunstmatige bron of een natuurlijke bron, voorzover deze is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending, of

      • b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 3.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een natuurlijke bron, voorzover deze niet is of wordt bewerkt met het oog op zijn radioactieve eigenschappen, indien:

      • a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken natuurlijke bron lager is dan de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde grenswaarde voor de activiteit van een vrijgestelde zending; of

      • b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron lager is dan tienmaal de in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij het VSG vermelde genoemde waarde voor de activiteitsconcentratie voor vrijgestelde stoffen.

    • 4.Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

    • 5.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet:

      • a. voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, of

      • b. indien artikel 27, eerste lid, van toepassing is.

  • Artikel 32a
    • 1.De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, bevat in ieder geval:

      • a. de naam en het adres van degene die de melding doet, van de afzender van de radioactieve stof of de open bron en van de ontvanger daarvan;

      • b. de soort handelingen en werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft;

      • c. het land van herkomst van de radioactieve stoffen of de open bron;

      • d. de hoeveelheid radioactieve stoffen of open bronnen, waarop de melding betrekking heeft, zo mogelijk onder vermelding van symbool, massagetal en energietoestand van de betrokken radionucliden, van de maximale activiteit van de stoffen en van de chemische en fysische toestand en de vorm, waarin deze zich bevinden;

      • e. de vermoedelijke data waarop de handelingen en werkzaamheden plaatsvinden;

      • f. indien een melding wordt gedaan voor een handeling of werkzaamheid die overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming, geldende regeling als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking.

    • 2.Indien een melding wordt gedaan voor een handeling of werkzaamheid die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling of werkzaamheid. De melding bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling of werkzaamheid en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling of werkzaamheid.

    • 3.Degene die de melding heeft gedaan, meldt wijzigingen van de in heteerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat de handelingen of werkzaamheden plaatsvinden, waarop ze betrekking hebben, aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en een door hem aan te wijzen instantie.

  • Hoofdstuk IV. Inrichtingen, waarin splijtstoffen worden opgeslagen in verband met het vervoer

  • Artikel 33

    Het in artikel 15, onder b , van de wet vervatte verbod geldt niet ten aanzien van een inrichting, waarin splijtstoffen uitsluitend worden opgeslagen in verband met het vervoer daarvan.

  • Hoofdstuk V. Slotbepalingen

  • Artikel 34

    • 1.Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

    • 2.Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

  • Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

    Soestdijk, 4 september 1969

    JULIANA.

    De Minister van Economische Zaken,

    L. DE BLOCK.

    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

    R. J. H. KRUISINGA.

    De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

    M. J. KEIJZER.

    Uitgegeven de negende oktober 1969.

    De Minister van Justitie,

    C. H. F. POLAK.