Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Burgerlijk Wetboek Boek 1

Geldend op 28-12-2011


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 271

    • 1.Indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de rechtbank een ouder, wiens ontzetting verzocht is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke bevoegdheid komt haar toe ten opzichte van een ouder, wiens ontheffing verzocht is, in de gevallen bedoeld in artikel 268, tweede lid, van dit boek.

    • 2.Indien de andere ouder mede het gezag uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen uitgeoefend.

    • 3.Acht de rechtbank in dit laatste geval de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om de kinderen aan diens invloed te onttrekken, dan kan zij ook de andere ouder schorsen.

    • 4.Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan belast de rechtbank een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg met de voorlopige voogdij over het kind. Zij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind worden toegekend.

    • 5.De in dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.