Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit uitvoering artikel 15, tweede lid, Vorderingswet 1962

Geldend van 31-10-2007 t/m heden

Besluit van 18 mei 1966, tot uitvoering van artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Ministers van Justitie en van Financiën van 25 mei 1964, no. 665/540 W.J.A.;

Overwegende, dat aanvullende regelen moeten worden gesteld omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens de Vorderingswet 1962 (Stb. 587) van het eigendomsrecht op een roerende zaak, zomede regelen omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens die wet van een recht tot gebruik van een zaak;

Gelet op artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962;

De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1964, no. 96);

Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris en Onze voornoemde Ministers van 12 mei 1966, no. 666/289 W.J.A.;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1 In geval van vordering van het eigendomsrecht op een roerende zaak bedraagt het totaal der uit te keren schadeloosstellingen: de waarde van de zaak, zonodig vermeerderd met een vergoeding van bijkomende schade, welke door rechthebbenden op schadeloosstelling is geleden als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de uitvoering van de vorderingsbeschikking.

  • 2 In geval van vordering van een recht tot gebruik van een zaak bedraagt het totaal der uit te keren schadeloosstellingen: de waarde van het gevorderde recht, zonodig vermeerderd met een vergoeding van bijkomende schade als in het eerste lid bedoeld.

  • 3 Ten aanzien van de verdeling van het in het tweede lid bedoelde totaalbedrag over de rechthebbenden op schadeloosstelling zijn de artikelen 40-49 van de Onteigeningswet, voor zover mogelijk, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2

  • 1 Bij het vaststellen van de in artikel 1 bedoelde waarde van de zaak of van het gevorderde recht alsmede bij het vaststellen van het bedrag der in dat artikel bedoelde bijkomende schade wordt rekening gehouden met prijsvoorschriften, die van overheidswege zijn gegeven betreffende zaken waarop de vordering betrekking heeft.

  • 2 Bij zodanige vaststelling wordt geen rekening gehouden met andere voordelen dan prijsstijging, die het gevolg zijn geweest van buitengewone omstandigheden, welke tot toepassing van artikel 3 van de Vorderingswet 1962 (Stb. 587) aanleiding hebben gegeven, in het algemeen of van vordering van soortgelijke zaken als waarop de die schade veroorzakende vordering betrekking heeft, in het bijzonder.

Artikel 3

  • 1 In geval van vordering van het eigendomsrecht op een roerende zaak wordt de waarde van de zaak, indien deze tot de handels- of bedrijfsvoorraad van een rechthebbende op schadeloosstelling behoort, vastgesteld op het gemiddelde van de inkoopsprijzen - of, indien de zaak door hem zelf is voortgebracht, van de kostprijzen - die voor hem hebben gegolden in de onmiddellijk aan de vordering voorafgegane tijdsruimte van twee weken. Bij het voor zodanige rechthebbende vaststellen van de schadeloosstelling wordt met de door hem gederfde winst als bijkomende schade rekening gehouden.

  • 2 In andere gevallen wordt de waarde van de zaak vastgesteld op het gemiddelde van de gangbare prijzen, waartegen soortgelijke zaken in de onmiddellijk aan de vordering voorafgegane tijdsruimte van twee weken ter plaatse of in het gebied, waar de zaak zich bij de vordering bevond, voor levering hier te lande zijn verkocht of, indien in die tijdsruimte aldaar geen zodanige verkoop heeft plaatsgehad, zijn te koop aangeboden, in daartoe leidende gevallen verminderd met een redelijk bedrag voor waardevermindering wegens technische of economische veroudering van de zaak.

  • 3 Bij het vaststellen van de waarde van de zaak wordt rekening gehouden met verschillen tussen hetgeen in de vorderingsbeschikking aangaande het verschaffen van de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde eigendomsrecht bepaald is en de leveringsvoorwaarden, die bij verkoop van een zaak als waarop de vordering betrekking heeft voor degene die bedoelde mogelijkheid moet verschaffen gebruikelijk zijn.

Artikel 4

  • 1 In geval van vordering van een recht tot gebruik van een onroerende zaak wordt de waarde van het gevorderde recht vastgesteld op de huurwaarde van de zaak naar de maatstaven van de artikelen 7 en 8 van de Wet op de personele belasting 1950 (Stb. 598) of de pachtwaarde van de zaak naar de maatstaven van de ter uitvoering van artikel 327 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gestelde regelen.

  • 2 In een geval, als in het eerste lid bedoeld, wordt een schadeloosstelling verminderd met de kosten van het onderhoud van de zaak, hetwelk ingevolge het Burgerlijk Wetboek ten laste komt van degene, die op die schadeloosstelling recht heeft, indien en voor zover bij gebreke van zodanig onderhoud door hem dit plaatsheeft door degene, te wiens behoeve de vordering is geschied.

  • 3 Indien het gevorderde gebruiksrecht een beperkte inhoud heeft, wordt de waarde van het gevorderde recht naar evenredigheid verminderd.

Artikel 5

In geval van vordering van een recht tot gebruik van een roerende zaak wordt de waarde van het gevorderde recht vastgesteld:

  • a. indien de zaak bij de vordering verhuurd was, dan wel indien zij door een rechthebbende op schadeloosstelling pleegt te worden verhuurd: op de netto huurprijs, waartegen de zaak verhuurd was onderscheidenlijk door die rechthebbende pleegt te worden verhuurd, berekend over de duur van het recht tot gebruik;

  • b. indien de zaak niet wordt verhuurd, doch soortgelijke zaken ter plaatse of in het gebied, waar de zaak zich bij de vordering bevond, wel plegen te worden verhuurd: op het gemiddelde van de gangbare netto huurprijzen, waartegen soortgelijke zaken in de onmiddellijk aan de vordering voorafgegane tijdsruimte van twee weken aldaar voor gebruik hier te lande zijn verhuurd of, indien in die tijdsruimte aldaar geen zodanige verhuur heeft plaatsgehad, zijn te huur aangeboden, berekend over de duur van het recht tot gebruik;

  • c. in andere gevallen: op een bedrag, bestaande uit

    • 1. een bedrag, over de duur van het recht tot gebruik berekend naar 6% 's jaars van de waarde der zaak, bedoeld in artikel 3, tweede lid, en

    • 2. een vergoeding voor de waardevermindering van de zaak, die bij normaal gebruik tijdens die duur ontstaat.

Artikel 6

  • 1 Een met toepassing van artikel 4 of 5 vastgestelde schadeloosstelling wordt vermeerderd met een vergoeding voor een als gevolg van het gebruik van de zaak ontstane meer dan normale waardevermindering daarvan.

  • 2 In dat geval wordt de schadeloosstelling doorbetaald over de tijd, welke redelijkerwijs nodig is voor het herstel van bedoelde waardevermindering, voor zover dit plaatsvindt en dientengevolge het gebruik van de zaak wordt belemmerd.

Artikel 7

Op een met toepassing van artikel 4 of 5 vastgestelde schadeloosstelling wordt in mindering gebracht de waardevermeerdering van de zaak, welke is ontstaan als gevolg van het gebruik daarvan en ten goede komt aan degene, die op die schadeloosstelling recht heeft.

Artikel 8

Indien een rechthebbende op schadeloosstelling een mogelijkheid, die hij redelijkerwijs heeft gehad om de schade te beperken, niet heeft benut, wordt de schadeloosstelling verminderd met het bedrag, tot hetwelk beperking van de schade mogelijk ware geweest.

Artikel 9

  • 1 Onze Minister die een recht tot gebruik van een zaak ten behoeve van de Staat heeft gevorderd verleent aan degene, die deswege op schadeloosstelling recht heeft, op diens verzoek per kalenderkwartaal een voorschot.

  • 2 Onze Minister die een recht tot gebruik van een zaak ten behoeve van een ander dan de Staat heeft gevorderd verleent, indien deze ander niet bereid is aan een rechthebbende op schadeloosstelling een voorschot te verlenen, aan deze laatste op diens verzoek per kalenderkwartaal een voorschot.

  • 3 Bij het vaststellen van het bedrag van het voorschot wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het bedrag, dat naar verwachting met toepassing van de voorgaande artikelen na afloop van het gebruik zou moeten worden uitbetaald.

  • 4 Het voorschot wordt aan de rechthebbende terstond tegen kwitantie uitbetaald. Kan de uitbetaling niet terstond geschieden, dan wordt aan de rechthebbende een door of namens Onze betrokken Minister ondertekend bewijs afgegeven, vermeldende:

    • a. Onze Minister die het recht tot gebruik heeft gevorderd;

    • b. degene te wiens behoeve dat recht is gevorderd;

    • c. een omschrijving van de inhoud van het gevorderde recht;

    • d. naam, voornamen, woonplaats en hoedanigheid als zodanig van de op schadeloosstelling rechthebbende;

    • e. het bedrag van het voorschot;

    • f. degene die het voorschot zal uitbetalen.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

Onze Ministers van Economische Zaken, van Justitie en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

Soestdijk, 18 mei 1966

JULIANA.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

J. A. BAKKER.

De Minister van Justitie,

SAMKALDEN.

De Minister van Financiën,

A. VONDELING.

Uitgegeven de eenentwintigste juni 1966.

De Minister van Justitie,

SAMKALDEN.