Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Wet van 25 november 1965, houdende maatregelen ten aanzien van pensioenen, toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ten aanzien van pensioenen toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196, in verband met de interimregeling voor uit hoofde van invaliditeit gepensioneerde ambtenaren en in verband met de maatregelen tot aanpassing van de overheidspensioenen aan de algemene wijzigingen van het bezoldigingspeil, alsmede nieuwe regelen vast te stellen ten aanzien van de invloed op een pensioen krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196, van een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of een pensioen dan wel uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste Afdeling. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a. pensioen: een pensioen, toegekend of geacht mede te zijn toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea;

  • b. pensioenreglement: het pensioenreglement, bedoeld in artikel 15 van de onder a genoemde wet;

  • c. eigen pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 8 van het pensioenreglement;

  • d. weduwenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement;

  • e. wezenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 11 van het pensioenreglement.

Tweede Afdeling. Toekenning van invaliditeitstoeslagen

Artikel 2 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 3 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 4 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 5 [Vervallen per 25-04-1997]

Derde Afdeling. Vervallen

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 6a [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]

Vierde Afdeling. Samenloop van pensioen met een bodempensioen

Eerste hoofdstuk

Artikel 9

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 1, onder a, met inbegrip van de daarop verleende toeslagen;

  • b. ander pensioen: een pensioen, als bedoeld in artikel 16, tweede lid jo. vierde lid, van het pensioenreglement.

  • c. algemeen ouderdomspensioen: een bruto ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voorzover deze niet behoren tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;

  • d. algemeen weduwenpensioen en algemeen wezenpensioen: een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering onderscheidenlijk een wezenpensioen, als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet zoals die wet laatstelijk luidde.

  • e. «algemene nabestaandenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

Artikel 9a

Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een rechthebbende die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.

Artikel 10

Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling geldt het volgende.

  • a. Een pensioen wordt geacht te zijn berekend naar 8/5 maal de pensioendiensttijd, die voor de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen, tot een maximum van veertig jaren.

  • b. Indien in een pensioen een invaliditeitstoeslag, als bedoeld in de Tweede Afdeling is begrepen, wordt het pensioen geacht te zijn berekend naar 8/5 maal een met de som van pensioen en invaliditeitstoeslag overeenkomende pensioendiensttijd, tot een maximum van veertig jaren. De voorgaande volzin vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van weduwen- en wezenpensioenen, waarop krachtens artikel 6, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, een toeslag is verleend.

  • c. Een vol algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet.

  • d. De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarover vrijwillige premiebetaling krachtens hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet heeft plaatsgevonden.

  • e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd gelegen tussen de tijdstippen waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt.

  • f. Diensttijd, waarnaar een pensioen geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk in dienstverhouding is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de dienstverhouding waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is of zou worden bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zoveel mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.

  • g. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het ouderdomspensioen, de uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet in termijnen te worden uitbetaald.

Tweede hoofdstuk. Samenloop van pensioen met algemeen ouderdomspensioen

Artikel 11

  • 1 Indien een tijdvak, waarop het algemeen ouderdomspensioen moet worden geacht betrekking te hebben, geheel of gedeeltelijk samenvalt met een tijdvak, gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een pensioen wordt geacht te zijn berekend, wordt voor iedere maand gedurende welke aanspraak bestaat op algemeen ouderdomspensioen en op pensioen, de uitbetaling van het pensioen beperkt.

  • 2 De beperking wordt gesteld op een bedrag gelijk aan het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een pensioen wordt geacht te zijn berekend, met dien verstande, dat:

    • a. indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot aanspraak heeft op een eigen pensioen, wordt uitgegaan van het algemeen ouderdomspensioen voor een ongehuwde, dan wel van het algemeen ouderdomspensioen voor een gehuwde als dit laatste pensioen minder bedraagt;

    • b. indien het algemeen ouderdomspensioen is toegekend aan een ongehuwde die een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie op grond van de Kinderbijslagwet kinderbijslag is ontvangen, wordt uitgegaan van een algemeen ouderdomspensioen van een ongehuwde pensioengerechtigde;

    • c. de overlijdensuitkering die op grond van de Algemene Ouderdomswet is uitbetaald, buiten beschouwing wordt gelaten.

  • 3 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde beperking te hanteren bedragen.

Artikel 12

  • 1 Indien het bedrag, dat tot grondslag heeft gestrekt voor de berekening van het eigen pensioen, dan wel, indien het pensioen is afgeleid van een eigen pensioen, het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de berekening van dat eigen pensioen, vermeerderd met een percentage gelijk aan het percentage van de op dat pensioen bij of krachtens deze wet toegekende aanpassingstoeslag, lager is dan 7/66 maal het normbedrag bedoeld in het tweede lid, wordt het met toepassing van artikel 11 berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller het eerstbedoelde vermeerderde bedrag is en de noemer 7/66 maal het normbedrag. De uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het bedrag van de beperking van het pensioen.

  • 2 Het normbedrag is het bedrag, bedoeld in artikel J 12 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995, welk bedrag met ingang van 1 januari 1996 bij ministeriële regeling wordt aangepast overeenkomstig de aanpassing van de pensioenen voor overheidswerknemers in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP die werkzaam zijn geweest in de sector Rijk.

Artikel 13 [Vervallen per 01-07-1986]

Artikel 14

  • 1 Indien aanspraak bestaat of wordt geacht te bestaan op meer dan een pensioen en de tijdvakken, gedurende welke wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar die pensioenen worden geacht te zijn berekend, geheel of gedeeltelijk samenvallen, overschrijdt het totaal van de volgens de voorgaande artikelen voor elk pensioen berekende beperking - voor zover deze geacht kan worden betrekking te hebben op evenbedoelde samenvallende tijdvakken - niet het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op meerbedoelde samenvallende tijdvakken.

  • 2 Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt de voor ieder pensioen volgens de voorgaande artikelen berekende beperking, voor zover betrekking hebbende op samenvallende tijdvakken, als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elke onverminderde beperking zich verhoudt tot de som van die beperkingen.

  • 3 Indien het gezamenlijk bedrag van de beperking ook na toepassing van het vorige lid een bedrag gelijk aan 80 percent van het volle algemeen ouderdomspensioen overschrijdt wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk van de beperkingen in de verhouding waarin het bedrag van elk van die beperkingen staat tot de som dier beperkingen.

  • 4 Indien aanspraak bestaat of geacht wordt te bestaan op een pensioen en tevens aanspraak op een ander pensioen bestaat of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van de regeling, waarop dat andere pensioen berust, geacht wordt te bestaan, vindt het bepaalde in de vorige leden overeenkomstige toepassing met dien verstande dat indien het betreft pensioenen, toegekend krachtens de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marinereserve 1923 of de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de tijd, welke krachtens de artikelen 15 van genoemde wetten met vier pro mille van de pensioengrondslag is vergolden.

  • 5 Op aanvraag van degene die aantoont dat aanspraak bestaat op een of meer pensioenen of andere pensioenen toekomende aan de echtgenoot wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, zulks met ingang van de dag waarop bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch niet eerder dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de desbetreffende aanvraag werd ingediend. De aanvraag moet worden gericht tot de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.

Artikel 15

  • 1 Op schriftelijk verzoek van degene, die aantoont, dat uit hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen mede een vermindering plaats vindt van een andere pensioenuitkering, wordt, voor zover de tijdvakken, gedurende welke wordt geacht te zijn vervuld de diensttijd, waarnaar het pensioen en de andere pensioenuitkering worden geacht te zijn berekend, samenvallen, het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het bedrag van de beperking van het pensioen, zulks met ingang van de dag waarop bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch niet vroeger dan een jaar voor de eerste dag van de maand, waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.

  • 2 Ten aanzien van de vaststelling van het tijdvak, gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, terzake waarvan een andere pensioenuitkering is toegekend, is het bepaalde in artikel 10 onder f van overeenkomstige toepassing. Indien een pensioenuitkering niet of niet uitsluitend is berekend naar diensttijd, wordt deze geacht te zijn berekend naar een diensttijd, die zich verhoudt tot veertig jaren, zoals het bedrag van die pensioenuitkering zich verhoudt tot het bedrag van die uitkering, indien het zou zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.

  • 3 Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval aanspraak bestaat of wordt geacht te bestaan op meer dan een pensioen, het bedrag van de in dat lid bedoelde vermindering op de overeenkomstig de voorgaande artikelen berekende beperkingen dier pensioenen in mindering gebracht naar verhouding van de bedragen dier beperkingen.

  • 4 Indien de beperking van het pensioen reeds is verminderd krachtens het bepaalde in artikel 12, vindt het eerste lid slechts toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen, dat de som van evenbedoelde beperking en de vermindering, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden het bedrag van de beperking, indien artikel 12 geen toepassing zou hebben gevonden. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in het derde lid.

  • 5 Indien de som van het bedrag, waarmee de uitbetaling van een pensioen ingevolge deze wet zou dienen te worden beperkt en het bedrag van de vermindering van een andere pensioenuitkering een bedrag gelijk aan 80 percent van het volle algemeen ouderdomspensioen zou overschrijden, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het bedrag van de beperking en wel in de verhouding waarin de diensttijd, waarnaar het pensioen wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.

  • 6 Het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen een vermindering plaatsvindt van een andere pensioenuitkering toekomend aan de echtgenoot van degene voor wie aanspraak bestaat of geacht wordt te bestaan op pensioen.

Derde hoofdstuk. Samenloop van weduwe- of wezenpensioen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

Artikel 16

Het wezenpensioen, waarop twee of meer volle wezen aanspraak hebben, wordt, indien het wezenpensioen als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat wezenpensioen gedeeld door hun aantal.

Artikel 17

  • 1 Bij gelijktijdige aanspraak op een weduwepensioen, onderscheidenlijk een wezenpensioen en een algemene nabestaandenuitkering, onderscheidenlijk een algemene wezenuitkering wordt, voor zover de tijdvakken, waarop het pensioen en de algemene uitkering geacht worden betrekking te hebben, samenvallen, de betaling van het weduwepensioen, onderscheidenlijk het wezenpensioen iedere maand beperkt naar reden van 2 percent van de algemene nabestaandenuitkering, onderscheidenlijk de algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.

  • 3 Het bepaalde in artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde beperking te hanteren bedragen.

Artikel 18

Indien aanspraak bestaat op een weduwenpensioen of een wezenpensioen en tevens aanspraak bestaat op een ander pensioen of op een andere pensioenuitkering vindt het bepaalde in de artikelen 14 en 15 overeenkomstige toepassing.

Artikel 19

Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering, als bedoeld in artikel 19, onder 2e der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2e der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919, daaronder begrepen de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers, is beperkt wegens samenloop met een algemene nabestaandenuitkering wordt het bedrag van die beperking in mindering gebracht op het bedrag van de beperking van het weduwenpensioen.

Artikel 19a

  • 1 Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen, recht op een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85 per jaar.

  • 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering begrepen.

Artikel 19b

  • 1 Indien ter zake van het overlijden van een gepensioneerde recht op een weduwepensioen ontstaat, heeft de weduwe, recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen indien en voor zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, die wordt verminderd wegens inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet.

  • 2 De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en het bedrag van de nabestaandenuitkering, zoals deze na toepassing van de vermindering, bedoeld in artikel 18 van de Algemene nabestaandenwet is vastgesteld. De toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt telkens nader vastgesteld:

  • 3 Het recht op toeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat in met ingang van de maand waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor dat recht.

  • 4 Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt:

  • 5 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering begrepen.

Artikel 19c

  • 1 Indien ter zake van het overlijden van een gepensioneerde recht op een weduwepensioen als bedoeld in deze regeling ontstaat, heeft de weduwe die op 1 januari 1998 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt in afwijking van artikel 19b recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen. Dit recht bestaat indien en voor zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de weduwe vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd samenwoont.

  • 2 De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75 % van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en de krachtens artikel 67, derde of zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet verminderde nabestaandenuitkering. De toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering. De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de bedragen vanaf die datum en wordt vervolgens telkens nader vastgesteld aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de Algemene nabestaandenwet.

  • 3 Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid vervalt:

    • a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de weduwe trouwt of als partner wordt geregistreerd of aangemerkt;

    • c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 19d

Bij gelijktijdige aanspraak op meerdere pensioenen of uitkeringen waarop een naar aard en strekking soortgelijke toeslag wordt verleend als bedoeld in de artikelen 19b en 19c, wordt de in die artikelen bedoelde toeslag zodanig verminderd, dat het totaal van de toeslagen gelijk is aan de maximaal op grond van genoemde artikelen toe te kennen toeslag.

Vierde hoofdstuk. Uitvoeringsbepalingen

Artikel 20

Indien zowel beperking van de uitbetaling van een pensioen krachtens het bepaalde in deze afdeling als krachtens het bepaalde in artikel 17 van het pensioenreglement moet plaatsvinden, vindt eerst de laatstgenoemde beperking plaats.

Artikel 21

  • 1 Indien een betrokkene een algemeen ouderdomspensioen, een algemene nabestaandenuitkering of een algemene wezenuitkering gaat genieten, of indien in het bedrag daarvan een wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, dan wel het genot van een algemene nabestaandenuitkering of een algemene wezenuitkering eindigt, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 2 Indien de belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een vermindering van de beperking niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving wordt gedaan of waarin ambtshalve vermindering van de beperking plaatsvond.

  • 3 In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het vorige lid buiten toepassing laten.

Artikel 22

Indien een algemeen ouderdomspensioen, een algemene nabestaandenuitkering of een algemene wezenuitkering wordt toegekend of herzien over een tijdvak, waarover reeds een pensioen werd uitbetaald, kan de Sociale verzekeringsbank hetgeen dientengevolge te veel aan pensioen werd genoten, ten behoeve van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, inhouden op het algemeen ouderdomspensioen, het algemeen weduwenpensioen of het algemeen wezenpensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.

Artikel 23

De bepalingen van deze afdeling blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op algemeen ouderdomspensioen, of een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet geldig maken.

Vijfde afdeling. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 24

  • 1 Ten aanzien van degene, die op 30 juni 1964 recht had zowel op pensioen als op algemeen ouderdomspensioen, algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen en tengevolge van de bepalingen van deze wet minder aan pensioen inbegrepen de daarop vallende toeslagen zou ontvangen dan hem op 30 juni 1964 zou toekomen indien de voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende bepalingen van kracht waren gebleven, wordt de beperking met een zodanig bedrag verminderd, dat aan pensioen, inbegrepen de daarop vallende toeslagen, niet minder wordt ontvangen, dan op 30 juni 1964 het geval was.

  • 2 Ingeval het vorige lid is toegepast wordt voor volgende berekeningen van de beperking het pensioen geacht te zijn vermeerderd met het bedrag, waarmede de beperking ingevolge het vorige lid is verminderd.

  • 3 Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na 30 juni 1964 recht op een lager bedrag aan algemeen ouderdomspensioen, algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen onderscheidenlijk op of na 1 juli 1996 aan een algemene nabestaandenuitkering, of een algemene wezenuitkering ontstaat, wordt het in het vorige lid bedoelde bedrag zodanig lager gesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging leidde reeds op 30 juni 1964 aanwezig was geweest.

Artikel 25

Indien het bedrag, dat over enig tijdvak aan belanghebbende is betaald bij wijze van voorschot op het bedrag waarop krachtens deze wet over dat tijdvak recht bestaat, laatstgenoemd bedrag overtreft, wordt het meerdere niet teruggevorderd.

Artikel 26

Toeslagen op pensioenen, toegekend bij wijze van voorschot op door het voormalige gouvernement van Nederlands-Nieuw-Guinea voorgenomen regelingen vervallen.

Artikel 26a

  • 1 Indien terzake van het genot van een eigen pensioen, toegekend met toepassing van artikel 8, eerste lid, sub IV of V van het pensioenreglement, een weduwenpensioen of een wezenonderstand premie wordt geheven krachtens de Algemene Ouderdomswet en de de [tekstcorrectie :“de de” moet zijn ”de”] Algemene nabestaandenwet, wordt aan de rechthebbende daarvoor een vergoeding verleend.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor de periode 1 januari 1986 tot 1 januari 1990 vastgesteld op het bedrag van de premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt geheven over de som van het eigen pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand en de vergoeding.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde vergoeding bedraagt vanaf 1 januari 1990, 13,636% van het bruto pensioen. Bij elke wijziging van het inhoudingspercentage dient het vergoedingspercentage steeds te worden aangepast door middel van vermenigvuldiging met een breuk waarvan de teller het nieuwe inhoudingspercentage is en de noemer 15,55 is.

  • 4 Indien terzake van het genot van een eigen pensioen, niet toegekend met toepassing van artikel 8, eerste lid, sub IV of V van het pensioenreglement, premie wordt geheven krachtens de Algemene Ouderdomswet en de de [tekstcorrectie :“de de” moet zijn ”de”] Algemene nabestaandenwet is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld op 69,6% van de bedoelde premie.

  • 5 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen, aan wie vrijstelling van premie-betaling ingevolge de Algemene Ouderdomswet of ingevolge de de [tekstcorrectie :“de de” moet zijn ”de”] Algemene nabestaandenwet is verleend.

Artikel 27

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van deze wet tot een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen, die met de strekking van deze wet overeenkomt.

Artikel 27a

  • 1 Indien degene die recht heeft op een pensioen, ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd het pensioen en de daarop verleende toeslagen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de rechthebbende zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

  • 2 Artikel 10 van de wet van 25 mei 1962 (Stb. 196) is niet van toepassing op een ingevolge het vorige lid genomen beslissing.

Artikel 28

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 29

  • 1 Door de leden van het Bijstandkorps dient tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald, 8,5 % van 87,5 % van de onverminderde maandelijke inkomsten, niet inbegrepen de kindertoelage, waarop zij als zodanig aanspraak hebben, aan 's Rijks Kas te worden bijgedragen, met dien verstande dat 2,5 % geldt als bijdrage voor het eigen pensioen en 6 % als bijdrage voor de weduwen- en wezenpensioenen.

  • 2 Ingeval inhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdrage op de maandelijkse inkomsten van het lid van het Bijstandkorps niet mogelijk is, vindt verhaal daarvan plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van het pensioenreglement, met dien verstande dat de bijdrage voor de weduwen- en wezenpensioenen tevens verhaalbaar is op het eigen pensioen.

Artikel 30

  • 1 Voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van het pensioenreglement wordt na 31 december 1962 geen rekening gehouden met een beperking van de uitbetaling van een pensioen krachtens het bepaalde in de vierde afdeling.

  • 2 Met ingang van 1 januari 1995 wordt geen toepassing gegeven aan artikel 17 van het pensioenreglement.

Artikel 31

[Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 32

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 33

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps.

Artikel 34

  • 1 Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt, behoudens het bepaalde in het volgende lid, terug tot 1 januari 1963.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk , 25 november 1965

JULIANA.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

SMALLENBROEK.

De Minister van Financiën,

A. VONDELING.

Uitgegeven de eenentwintigste december 1965.

De Minister van Justitie,

SAMKALDEN.