Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Mijnreglement 1964[Regeling vervallen per 01-01-2003.]

Geldend van 01-07-2002 t/m 31-12-2002

Besluit van 21 december 1964, houdende uitvoering van artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73)

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 25 maart 1964, no. 564/254, W.J.A./Mijnwezen;

Gelet op artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73);

De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1964, no. 33);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 18 december 1964, no. S64/1230, W.J.A./Mijnwezen;

Hebben goedgevonden en verstaan de volgende regeling vast te stellen:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2003]

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

mijnwerk: een geheel van werken, inrichtingen en terreinen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) bedoeld, met uitzondering van boorwerken;

ondergrondse werken: de tot mijnwerken behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen, alsmede de beneden de oppervlakte gelegen toegangen tot die werken en inrichtingen;

bovengrondse werken: de tot mijnwerken behorende overige werken en inrichtingen, alsmede de tot mijnwerken behorende terreinen;

schacht: een hellende of verticale verbinding van de oppervlakte met de tot een mijnwerk behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen;

opbraak: een verticale verbinding in de ondergrondse werken, die niet aan de oppervlakte uitmondt en die kan dienen voor vervoer;

tussenschacht: een opbraak, waarin ingevolge dit reglement personenvervoer geoorloofd is;

boorwerk: een geheel van werken, bestemd tot de machinale vervaardiging, de instandhouding en het gebruik van een of meer gaten in de aardbodem ten behoeve van het winnen of, door middel van het naar de oppervlakte voeren van grondmonsters, opsporen van delfstoffen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 bedoeld, alsmede de bij die werken behorende inrichtingen en terreinen;

mijnbouwinstallatie:
  • a. een op of boven de bodem van een oppervlaktewater geplaatste inrichting voor het door middel van een diepboring instellen van een mijnbouwkundig onderzoek of het winnen van delfstoffen;

  • b. een samenstel van op of boven de bodem van een oppervlaktewater geplaatste inrichtingen, waarvan er tenminste één aan de onder a gegeven omschrijving voldoet;

bemande mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie, waarop een of meer personen aanwezig plegen te zijn voor het verrichten van uitsluitend of in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het verrichten van incidentele onderhoudswerkzaamheden of bewakingsdiensten;

vervoer: het vervoeren van materieel, van materialen en van personen;

personenvervoer: het op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

vervoer van personen: het anders dan op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

verkeer: voetgangersverkeer; effectieve temperatuur: de klimaatgrootheid, welke met behulp van het nomogram, opgenomen in de bij dit reglement behorende bijlage, wordt bepaald uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur, natte luchttemperatuur en snelheid van de luchtstroom;

temperatuurindex: de grootheid, welke uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur (tl) en natte luchttemperatuur (tln), beide uitgedrukt in graden Celsius, wordt bepaald met behulp van de formule:

temperatuurindex = (42 tl - 8 tln) : (34 + tl - tln);

mijnonderneming: een onderneming, waartoe een mijn- of een boorwerk behoort of die voor eigen rekening mijnbouwkundige onderzoekingen verricht of zodanige onderzoekingen doet verrichten;

arbeidsplaats: elke plaats die bestemd is als lokatie voor werkplekken, voor activiteiten en installaties die rechtstreeks of indirect verband houden met winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen, met inbegrip van eventuele verblijfsaccommodatie waartoe arbeiders in het kader van hun werk toegang hebben;

drinkwater: water dat bestemd is of mede bestemd is voor menselijke consumptie;

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2003]

Indien uit de bewoordingen van een bepaling niet kan worden opgemaakt of deze geldt voor bovengrondse werken, ondergrondse werken, boorwerken of mijnbouwkundige onderzoekingen, wordt dit bepaald door de opschriften van hoofdstuk, paragraaf en afdeling, waarin de bepaling is opgenomen. Bevatten ook deze opschriften geen uitdrukkelijke aanduiding, dan geldt de bepaling algemeen.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2003]

Indien een voorschrift in dit reglement een der termen: "veilig", "doelmatig" en "voldoende" inhoudt, kan Onze Minister terzake nadere regelen stellen.

Artikel 4 [Vervallen per 29-01-1997]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ontheffingen worden uitsluitend verleend op een daartoe strekkende aanvraag.

  • 2 Ontheffingen en vergunningen kunnen onder beperkingen of voorwaarden worden verleend.

  • 3 Een ontheffing of vergunning kan worden ingetrokken, indien:

    • a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de ontheffing of de vergunning niet zou zijn verleend als bij de beslissing de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    • b. de omstandigheden, op grond waarvan zij werd verleend, zich zodanig hebben gewijzigd, dat de ontheffing of de vergunning niet zou zijn verleend als op het tijdstip van de beslissing de gewijzigde omstandigheden aanwezig waren geweest;

    • c. zij met het oog op gevaar voor lichamelijke schade niet gehandhaafd kan blijven;

    • d. blijkt, dat aan een of meer voorwaarden, waaronder zij is verleend, niet wordt voldaan.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2003]

De in dit reglement voorziene beschikkingen, waarbij aanwijzingen worden gegeven voor bijzondere gevallen, bepalen, indien nodig, de termijn, waarbinnen de uitvoering moet zijn aangevangen, alsmede de termijn, waarbinnen zij moet zijn voltooid.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2003]

Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, worden aanvragen om ontheffing of vergunning dan wel tot het nemen van enige andere in dit reglement voorziene beslissing tot Onze Minister gericht, doch ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2003]

Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders tijdens alle werkzaamheden dient elke bemande arbeidsplaats te allen tijde onder toezicht te staan van een verantwoordelijke persoon die voldoende hoedanigheden en bekwaamheden bezit om deze functie te vervullen.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, zijn de bestuurders van een mijnonderneming verplicht zorg te dragen voor de naleving in hun onderneming van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen. Zij dienen op gezette tijden de maatregelen die zijn genomen inzake de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders, met inbegrip van het in artikel 14g bedoelde veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, te onderzoeken om ervoor te zorgen dat de daarop betrekking hebbende bepalingen van dit besluit worden nageleefd.

  • 2 Gelijke verplichting rust op personen in dienst van de onderneming, voor zover dezen door de bestuurders zijn belast met de zorg voor de naleving van die voorschriften en regelen.

  • 3 De bestuurders en de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende personen worden geacht aan hun in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde verplichting te hebben voldaan, wanneer zij de nodige instructies hebben gegeven, de nodige middelen hebben verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht hebben gehouden om de naleving van de voorschriften en regelen te verzekeren. De instructies moeten voor de betrokken arbeiders begrijpelijk zijn.

  • 4 Voor elke arbeidsplaats moeten schriftelijke instructies worden opgesteld ter bepaling van de in acht te nemen regels ter garantie van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders en het veilig gebruik van materieel. Deze instructies moeten aanwijzingen bevatten betreffende het gebruik van noodapparatuur en de wijze waarop moet worden opgetreden ingeval zich op of nabij de arbeidsplaats een noodsituatie voordoet. Een ieder is verplicht hem gegeven instructies als in dit en het derde lid bedoeld op te volgen.

  • 5 Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders moeten doelmatige voorzieningen in verband met voorlichting, opleiding, scholing en herscholing worden getroffen.

  • 6 Onverminderd de verplichting tot naleving van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen, die zich rechtstreeks tot hem richten, is een ieder verplicht tot elk handelen en elk nalaten, waardoor de naleving van de overige bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen kan worden verzekerd, voor zover dat handelen of nalaten redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.

Artikel 8a [Vervallen per 01-01-2003]

De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of krachtens de bepalingen van dit besluit inzake de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op het werk zijn gesteld worden niet ten laste gebracht van door de mijnonderneming of de in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming tewerkgestelde personen.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Arbeidsplaatsen moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, ingericht, bediend, gecontroleerd en onderhouden, dat zij aan de te verwachten omgevingskrachten weerstand kunnen bieden. Zij dienen een constructie en een stevigheid te hebben die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

  • 2 Arbeidsplaatsen moeten volgens ergonomische beginselen worden ontworpen en gebouwd, waarbij ermee rekening wordt gehouden dat de arbeiders de werkzaamheden op hun werkplek kunnen volgen.

  • 3 Arbeidsplaatsen moeten zodanig zijn ingericht, dat zij een afdoende bescherming tegen risico’s bieden. Zij moeten schoon worden gehouden en alle gevaarlijke stoffen moeten op zodanige wijze worden verwijderd of beveiligd dat zij de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders niet in gevaar kunnen brengen.

  • 4 Bij de inrichting van de arbeidsplaatsen moet in voorkomend geval met gehandicapte arbeiders rekening worden gehouden. Dit geldt met name voor deuren, verbindingswegen, trappen, doucheruimten, wasruimten, toiletten en werkplekken die rechtstreeks door gehandicapte arbeiders worden gebruikt.

Artikel 9b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De arbeiders of hun vertegenwoordigers worden ingelicht over de aard van de arbeid en de daaraan verbonden mogelijke risico’s en over de maatregelen die met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid op de arbeidsplaatsen worden getroffen ter voorkoming of beperking van deze risico's. De informatie moet voor de betrokken arbeiders begrijpelijk zijn.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorlichting richt zich onder meer op de beschermings- en preventiemaatregelen en -activiteiten, zowel voor de mijnonderneming in het algemeen als voor elk type werkplek en elke soort functie afzonderlijk, en op de maatregelen die krachtens de artikelen 176, 279 en 281, derde lid, zijn genomen.

Artikel 9c [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming wijzen een of meer arbeiders aan die zich met de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico’s op de mijn- of boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen zullen bezighouden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 2 De aangewezen arbeiders mogen geen nadeel ondervinden van hun activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's. Zij moeten, ten einde de uit dit reglement voortvloeiende verplichtingen te kunnen nakomen, over voldoende tijd beschikken.

  • 3 Indien de mogelijkheden op de mijn- of boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen onvoldoende zijn om deze beschermings- en preventieactiviteiten te organiseren, moet een beroep gedaan worden op deskundige personen of diensten van buiten de onderneming.

  • 4 Indien een beroep gedaan wordt op deskundigen als bedoeld in het derde lid, moeten de betrokken personen of diensten worden geïnformeerd over de factoren, waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij van invloed zijn op de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders, en toegang hebben tot alle in artikel 12, tweede lid, bedoelde informatie.

  • 5 In alle gevallen moeten:

    • a. de aangewezen arbeiders over de benodigde capaciteiten en middelen beschikken,

    • b. de in het derde lid bedoelde personen of diensten de nodige bekwaamheden hebben en over de nodige personele en professionele middelen beschikken en

    • c. de aangewezen arbeiders en de geraadpleegde personen of diensten voldoende in aantal zijn om de beschermings- en preventieactiviteiten op zich te nemen, afhankelijk van de grootte van de mijn- of boorwerken en de risico’s waaraan de arbeiders zijn blootgesteld, en afhankelijk van de verdeling van de risico’s over het gehele mijn- of boorwerk.

  • 6 De in dit artikel bedoelde bescherming tegen en preventie van risico’s voor de veiligheid en de gezondheid kan worden opgedragen aan de veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 144, en de bedrijfsgeneeskundige dienst, bedoeld in artikel 223. De diensten moeten voor zover nodig samenwerken.

  • 7 Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in het eerste en vijfde lid bepaalde.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming zijn verplicht aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen onverwijld schriftelijk opgave te doen van de naam en de functie van de personen, die zij hebben belast met de zorg voor de naleving van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen.

  • 2 De bestuurders dienen voorts, ten aanzien van elk tot hun onderneming behorend mijn- of boorwerk, jaarlijks in de maand januari aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk opgave te doen van de naam en de functie van de personen, die op 1 januari van het betrokken jaar een leidinggevende of toezichthoudende functie bij dat mijn- of boorwerk vervulden.

  • 3 De bestuurders zijn verplicht aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen onverwijld een exemplaar toe te zenden van de algemene schriftelijke instructies, die zij aan het personeel hunner onderneming hebben gegeven ter verzekering van de naleving van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen betreffende de veiligheid, de gezondheid en de arbeid.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij elke bemande arbeidsplaats moet een voldoende aantal arbeiders beschikbaar zijn die de voor de uitvoering van de hun opgedragen taken vereiste bekwaamheden, ervaring en opleiding dienen te bezitten. Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in de eerste volzin bepaalde.

  • 2 Werkzaamheden, van welker goede uitvoering de veiligheid of de gezondheid van de op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen tewerkgestelde personen in belangrijke mate afhankelijk is, mogen slechts worden opgedragen aan daarvoor lichamelijk en geestelijk geschikte, zomede betrouwbare personen.

  • 3 Blijkt een persoon, aan wie werkzaamheden als in het tweede lid bedoeld zijn opgedragen, aan een der aldaar genoemde eisen niet of niet langer te voldoen, dan moet hij onverwijld van die werkzaamheden worden ontheven.

  • 4 Degenen, die op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen een leidinggevende of toezichthoudende functie vervullen, moeten zich in de Nederlandse taal kunnen uitdrukken. Zij moeten de bepalingen van dit reglement kunnen lezen en begrijpen.

  • 5 Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het in het vierde lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De arbeiders moeten voldoende worden getraind in het uitvoeren van de handelingen die in noodgevallen moeten worden verricht.

  • 2 Arbeiders die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties moeten, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ook worden getraind in het uitvoeren van de handelingen die op een specifieke arbeidsplaats moeten worden verricht. De in de eerste volzin bedoelde handelingen moeten voor de desbetreffende arbeidsplaats nader worden omschreven in het in artikel 14f bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument.

  • 3 Arbeiders die werkzaam zijn op mijnbouwinstallaties moeten worden getraind in de toepassing van overlevingstechnieken.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming zijn verplicht aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen onverwijld opgave te doen van andere ondernemingen, die op of in een tot die mijnonderneming behorend mijnwerk, op een tot die mijnonderneming behorend boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen, die door of in opdracht van die mijnonderneming worden uitgevoerd, werkzaamheden verrichten en van de aard dezer werkzaamheden.

  • 2 De bestuurders zijn verplicht vóór de aanvang van werkzaamheden als in het eerste lid bedoeld de bestuurders van de andere ondernemingen in kennis te stellen:

    • a. van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen betreffende de veiligheid, de gezondheid en de arbeid, die met het oog op de te verrichten werkzaamheden van belang kunnen zijn;

    • b. van alle bijzonderheden, die in verband met de uitvoering der te verrichten werkzaamheden uit een oogpunt van veiligheid en gezondheid van belang zijn.

  • 3 De in artikel 8, eerste en tweede lid, bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van personen, die op tot een mijnonderneming behorende bovengrondse werken of boorwerken of bij mijnbouwkundige onderzoekingen, door of in opdracht van een mijnonderneming verricht, als bestuurder van of in dienst van een andere onderneming in het bedrijf van deze andere onderneming werkzaam zijn.

  • 4 In de gevallen, waarin het derde lid toepassing vindt, zijn het eerste onderscheidenlijk tweede lid, zomede het derde lid van artikel 8 van overeenkomstige toepassing op de bestuurders van de betrokken andere onderneming en op personen in dienst van die onderneming, voor zover zij door die bestuurders zijn belast met de zorg voor de naleving van de bij en krachtens dit reglement gegeven voorschriften en regelen.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2003]

Werkzaamheden op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen mogen, in geval zij aan een andere onderneming worden opgedragen, uitsluitend opgedragen worden aan ondernemingen, waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht, dat zij de opgedragen arbeid naar behoren zullen verrichten.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij een onderneming, waartoe een of meer mijn- of boorwerken behoren of die mijnbouwkundige onderzoekingen verricht, moeten op doelmatige plaatsen de volgende bescheiden aanwezig zijn:

    • a. een mijnboek, waarin de bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren aantekening houden van hun bezoeken, alsmede van de opmerkingen, waartoe het bij die bezoeken geconstateerde aanleiding heeft gegeven;

    • b. een personenregister, waarin omtrent degenen, die op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij een mijnbouwkundige onderzoeking te werk zijn gesteld, worden vermeld:

      • 1°. naam, voorletters, nationaliteit, nummer van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en geboortedatum;

      • 2°. functie, datum van aankomst op en datum van vertrek van het mijnwerk, het boorwerk of de mijnbouwkundige onderzoeking;

      • 3°. bezit van bewijs van geneeskundig onderzoek alsmede de vervaldatum hiervan;

      • 4°. bezit van bij of krachtens dit reglement gevorderde opleidings- en trainingsbewijzen alsmede de vervaldata hiervan;

      • 5°. datum en tijdstip van de laatste wijziging van het register.

    • c. bescheiden, waarin omtrent de onder b bedoelde personen is vermeld:

      • 1°. voor zover zij in de ondergrondse werken werkzaam zijn:

        op welke plaats of plaatsen zij zijn tewerkgesteld en welke soort werkzaamheden zij verrichten;

      • 2°. voor zover zij niet in de ondergrondse werken werkzaam zijn:

        bij welke afdeling of dienst of bij welk bureau zij zijn tewerkgesteld en welke werkzaamheden zij verrichten, tenzij een en ander reeds uit de omschrijving van de ingevolge b, onder 2°, vermelde functie blijkt.

  • 2 Onze Minister kan met betrekking tot door hem aangewezen personen of groepen van personen, die op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen zijn tewerkgesteld, doch niet in dienst van de betrokken mijnonderneming zijn, van het in het eerste lid onder b en c bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 14a [Vervallen per 01-01-2003]

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming zijn verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders inzake alle met het werk verbonden aspecten.

Artikel 14b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De nodige maatregelen dienen te worden getroffen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders, met inbegrip van de maatregelen ter preventie van beroepsrisico's, voor informatie en opleiding alsmede voor de organisatie en de benodigde middelen. Deze maatregelen moeten worden aangepast, ten einde rekening te houden met gewijzigde omstandigheden en streven naar verbetering van bestaande situaties.

  • 2 Rekening houdend met de betrokken werkzaamheden:

    • a. dienen de risico’s voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders geëvalueerd te worden, met inbegrip van de keuze van de werkuitrusting, de chemische stoffen of preparaten en de inrichting van de arbeidsplaatsen; op grond van deze evaluatie en voor zover nodig moeten de preventieactiviteiten en de gebruikte werk- en produktiemethoden:

      • 1°. een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders verzekeren;

      • 2°. geïntegreerd worden in het geheel van de activiteiten van de mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming en betrekking hebben op alle niveaus;

    • b. dient, wanneer een arbeider met de uitvoering van een taak belast wordt, de bekwaamheid van de betrokken arbeider op het gebied van veiligheid en gezondheidsbescherming in aanmerking genomen te worden;

    • c. dient ervoor gezorgd te worden dat over de planning en invoering van nieuwe technologieën overleg wordt gepleegd met de arbeiders of hun vertegenwoordigers, wat betreft de gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders van de keuzen inzake uitrusting, de arbeidsomstandigheden en de invloed van de omgevingsfactoren op het werk;

    • d. dienen de nodige maatregelen genomen te worden opdat alleen arbeiders die passende instructies hebben gekregen tot de zones met ernstige en specifieke gevaren toegang hebben.

Artikel 14ba [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd artikel 14b dienen de bestuurders van de betrokken ondernemingen waarin een of meer arbeiders beneden 18 jaar werkzaam zijn, maatregelen te treffen ter verzekering van hun veiligheid en gezondheid op grond van een beoordeling van de risico’s waaraan de bedoelde arbeiders bij hun arbeid blootgesteld worden. Deze beoordeling dient plaats te vinden voor de arbeiders met hun arbeid beginnen en wanneer de arbeidsomstandigheden zich ingrijpend wijzigen.

  • 2 De beoordeling van de risico’s heeft vooral betrekking op:

    • a. de uitrusting en de inrichting van arbeidsomgeving en arbeidsplaats;

    • b. de aard, de intensiteit en de duur van de blootstelling aan fysische, biologische en chemische agentia;

    • c. de ordening, de keuze en het gebruik van werkuitrusting, met name agentia, machines, apparatuur en toestellen, en de bediening daarvan;

    • d. het geheel van werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting en de organisatie daarvan; en

    • e. het opleidingsniveau van de in het eerste lid bedoelde arbeiders en de aan hen te geven voorlichting.

  • 3 De in de voorgaande leden bedoelde beoordeling van risico’s heeft met name betrekking op arbeid die voor de in het eerste lid bedoelde arbeiders specifieke risico’s met zich meebrengt, te weten:

    • a. arbeid die schadelijke blootstelling meebrengt aan de in punt I van de bijlage, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van richtlijn nr. 94/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PbEG L 216) genoemde fysische, biologische en chemische agentia; en

    • b. de in punt II van de onder a bedoelde bijlage genoemde procédés en werkzaamheden.

  • 4 Een wijziging van de bijlage, genoemd in het derde lid, gaat voor de toepassing van het Mijnreglement 1964 gelden met ingang van de dag waarop aan het betrokken wijzigingsbesluit van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 14c [Vervallen per 01-01-2003]

Bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 14b, eerste lid, bedoelde maatregelen worden de volgende algemene preventieprincipes in acht genomen:

  • a. het voorkomen van risico's;

  • b. het evalueren van risico’s die niet kunnen worden voorkomen;

  • c. de bestrijding van de risico’s bij de bron;

  • d. de aanpassing van het werk aan de mens, met name wat betreft de inrichting van de arbeidsplaats en de keuze van werkuitrusting en werk- en produktiemethoden, met name om monotone arbeid en tempogebonden arbeid draaglijker te maken en de nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid te beperken;

  • e. het rekening houden met de ontwikkeling van de techniek;

  • f. de vervanging van wat gevaarlijk is door dat wat niet gevaarlijk of minder gevaarlijk is;

  • g. de planning van de preventie met het oog op een samenhangend geheel dat de volgende aspecten in de preventie integreert: techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en invloed van de omgevingsfactoren op het werk;

  • h. het geven van voorrang aan maatregelen inzake collectieve bescherming boven maatregelen inzake individuele bescherming;

  • i. het verstrekken van passende instructies aan de arbeiders.

Artikel 14d [Vervallen per 01-01-2003]

Ter verzekering van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders worden de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

  • a. de arbeidsplaatsen zodanig worden ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden dat arbeiders hun werk kunnen verrichten zonder gevaar voor hun veiligheid of gezondheid of de veiligheid of gezondheid van andere arbeiders;

  • b. wanneer bemande arbeidsplaatsen in gebruik zijn, toezicht wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon;

  • c. werkzaamheden waaraan een bijzonder risico is verbonden uitsluitend aan vakbekwaam personeel worden opgedragen en overeenkomstig de verstrekte instructies worden uitgevoerd;

  • d. alle veiligheidsinstructies voor alle betrokken arbeiders begrijpelijk zijn;

  • e. passende eerste-hulpvoorzieningen ter beschikking worden gesteld;

  • f. met regelmatige tussenpozen de nodige veiligheidsoefeningen worden gehouden.

Artikel 14e [Vervallen per 01-01-2003]

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten:

  • a. beschikken over een evaluatie van de risico’s voor de veiligheid en de gezondheid op het werk met inbegrip van de risico’s voor de groepen arbeiders met bijzondere risico's;

  • b. de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen vaststellen, en dit schriftelijk vastleggen;

  • c. een lijst bijhouden van arbeidsongevallen die voor een arbeider hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan één werkdag.

Artikel 14f [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming dienen voor de bij ministeriële regeling te omschrijven boorwerken, installaties en werkzaamheden een veiligheids- en gezondheidsdocument op te stellen en bij te houden, dat de materie, geregeld bij of krachtens de artikelen 9b, 14b, 14ba, 14c en 14e, bestrijkt.

  • 2 Uit een veiligheids- en gezondheidsdocument moet met name blijken dat:

    • a. de risico’s voor de arbeiders op de arbeidsplaats zijn bepaald en geëvalueerd;

    • b. afdoende maatregelen zullen worden genomen om te voldoen aan het bij en krachtens de in het eerste lid van dit artikel genoemde artikelen bepaalde;

    • c. het ontwerp, gebruik en onderhoud, de bouw en verwijdering van de arbeidsplaatsen en de uitrusting veilig zijn.

  • 3 Een veiligheids- en gezondheidsdocument moet vóór de aanvang van het werk worden opgesteld en worden herzien wanneer een arbeidsplaats belangrijke wijzigingen, uitbreidingen of verbouwingen heeft ondergaan.

  • 4 Een veiligheids- en gezondheidsdocument wordt zonodig bijgewerkt door vermelding van de maatregelen die zijn getroffen om herhaling te voorkomen van ernstige bedrijfsongevallen of bedrijfsongevallen met dodelijke afloop, dan wel van situaties die een ernstig gevaar vormen.

Artikel 14g [Vervallen per 01-01-2003]

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem opstellen. Dit systeem omvat het geheel van beleid, organisatie, planning, uitvoering, monitoring, evaluatie, doorlichting en verbetering dat wordt gehanteerd voor de beheersing van de veiligheid en de gezondheid.

Artikel 14h [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 14f dient uit een veiligheids- en gezondheidsdocument te blijken dat alle nodige maatregelen zijn genomen om de veiligheid en gezondheid van de arbeiders zowel in normale situaties als in noodsituaties te beschermen.

  • 2 Hiertoe moet het document het volgende bevatten:

    • a. een opgave van de aan de arbeidsplaats verbonden specifieke risicobronnen, met inbegrip van elke activiteit op die plaats, die ongevallen kunnen teweegbrengen met ernstige gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van de betrokken arbeiders;

    • b. een evaluatie van de risico’s van de onder a bedoelde specifieke bronnen;

    • c. het bewijs dat afdoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen om onder a bedoelde ongevallen te vermijden, de uitbreiding van ongevallen te beperken en de arbeidsplaats in noodsituaties op een doelmatige en beheerste wijze te kunnen evacueren;

    • d. het bewijs dat er een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem als bedoeld in artikel 14g gehanteerd wordt dat adequaat is om de voorschriften die betrekking hebben op de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de arbeiders, bij of krachtens dit reglement bepaald, zowel in gewone situaties als in noodsituaties na te leven.

  • 3 Bij de planning en de tenuitvoerlegging van alle in artikel 14d, onder a, bedoelde fasen dienen de in het desbetreffende veiligheids- en gezondheidsdocument vermelde procedures en uitvoeringsbepalingen in acht te worden genomen.

  • 4 De verschillende ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor de verschillende arbeidsplaatsen werken in voorkomend geval samen bij het opstellen van de veiligheids- en gezondheidsdocumenten als bedoeld in artikel 14f en het voorbereiden van de maatregelen die nodig zijn om de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders te garanderen.

Artikel 14i [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer er arbeiders van verschillende ondernemingen op een zelfde arbeidsplaats aanwezig zijn, moeten de bestuurders van die ondernemingen, onverminderd de andere bepalingen van dit reglement, samenwerken bij de uitvoering van de maatregelen inzake veiligheid, hygiëne en gezondheid en elkaar wederzijds alsmede hun arbeiders of hun vertegenwoordigers van de beroepsrisico’s op de hoogte stellen.

  • 2 De bestuurders van de betrokken mijnonderneming moeten de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid van de arbeiders coördineren. Zij preciseren in het in artikel 14f bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van deze coördinatie.

Artikel 14j [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten:

    • a. alle arbeiders die blootgesteld zijn of kunnen worden aan een ernstig of onmiddellijk gevaar zo spoedig mogelijk in kennis stellen van dat gevaar en van de getroffen of te treffen beschermingsmaatregelen;

    • b. maatregelen nemen en de arbeiders instructies geven ten einde hun toe te staan, in geval van een niet te vermijden, ernstig en onmiddellijk gevaar, hun activiteit stop te zetten of zich in veiligheid te stellen door de arbeidsplaats onmiddellijk te verlaten;

    • c. zich er, behalve in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen van onthouden de arbeiders te verzoeken hun werk te hervatten in een werksituatie waarin nog een ernstig en onmiddellijk gevaar bestaat.

  • 2 De arbeider die, in geval van een niet te vermijden, ernstig en onmiddellijk gevaar zijn werkplek of een gevaarlijke zone verlaat, mag daar geen nadeel van ondervinden en moet worden beschermd tegen alle ongerechtvaardigde nadelige gevolgen daarvan.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde bestuurders zorgen ervoor dat elke arbeider, wanneer een ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen dreigt en het onmogelijk is contact op te nemen met de bevoegde hiërarchieke chef, rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige doeltreffende maatregelen kan nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen. Hun optreden mag dan voor hem geen enkel nadeel met zich brengen, tenzij hij ondoordacht heeft gehandeld of zich schuldig heeft gemaakt aan grove nalatigheid.

Artikel 14k [Vervallen per 01-01-2003]

Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in de artikelen 14a tot en met 14j bepaalde.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2003]

De bescheiden, voorzien in het bij of krachtens dit reglement bepaalde, moeten op voldoend duidelijke wijze worden opgesteld, doelmatig worden ingericht, doelmatig worden bijgehouden en, behoudens voor wat de in artikel 14 bedoelde betreft, op door Onze Minister goedgekeurde plaatsen aanwezig zijn. Zij moeten, voor zover bij of krachtens dit reglement niet anders is bepaald, gedurende tenminste één jaar ter beschikking blijven.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een uittreksel uit dit reglement en de ter uitvoering daarvan gegeven nadere regelen, waarin zijn opgenomen de bepalingen, welke naar het oordeel van Onze Minister voor bepaalde op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen tewerkgestelde personen of groepen van personen in het bijzonder van belang zijn, moet bij indiensttreding, tewerkstelling of indeling bij een dergelijke groep aan die personen worden uitgereikt, tenzij blijkt dat zij reeds in het bezit van zodanig uittreksel zijn.

  • 2 Indien zodanig uittreksel wordt uitgereikt aan werknemers, die de Nederlandse taal niet beheersen, dient het in een voor hen begrijpelijke taal te zijn gesteld.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De toegang tot mijn- en boorwerken is aan onbevoegden verboden.

  • 2 Bij elke toegang tot mijn- of boorwerken moet duidelijk zijn aangegeven, dat de toegang ingevolge het eerste lid van het onderhavige artikel is verboden.

  • 3 Het is aan personen, die niet voldoende bekend zijn met plaats, werken of inrichtingen, verboden zich zonder bevoegd geleide op de bovengrondse werken, in de ondergrondse werken of op boorwerken op te houden.

Artikel 18a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, is toestemming vereist voor de uitvoering van gevaarlijke werkzaamheden en voor de uitvoering van gewoonlijk ongevaarlijke werkzaamheden die in combinatie met andere activiteiten ernstige risico’s met zich mee kunnen brengen.

  • 2 De toestemming moet door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming worden gegeven voor de aanvang van de werkzaamheden en daarbij dient te worden aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan en welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen voor, tijdens en na de werkzaamheden.

  • 3 Onze Minister kan regelen stellen ter zake van het in het eerste en tweede lid bepaalde.

Hoofdstuk IA. Raadpleging van en deelneming door de arbeiders [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 18b [Vervallen per 01-01-2003]

De bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming raadplegen over vraagstukken die betrekking hebben op de veiligheid en de gezondheid op het werk de betrokken arbeiders of hun vertegenwoordigers en geven hun het recht tot evenwichtige deelneming aan de behandeling daarvan en tot het doen van voorstellen daaromtrent.

Artikel 18c [Vervallen per 01-01-2003]

De arbeiders, of hun vertegenwoordigers, met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders hebben toegang tot alle nodige informatie betreffende, en worden vooraf tijdig geraadpleegd over:

  • a. alle maatregelen die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de veiligheid en de gezondheid;

  • b. de aanwijzing van personen als bedoeld in de artikelen 9c, eerste lid, 176, eerste lid, onder c, 279, eerste lid, onder d, en 281, vierde lid, en van activiteiten als bedoeld in artikel 9c, eerste lid.

  • c. de toepassing van de artikelen 9b, tweede lid, 12, tweede lid, 14e en 278;

  • d. het aantal en de opleiding van de onder b bedoelde personen en het materiaal waarover zij kunnen beschikken;

  • e. de van de beschermings- en preventieactiviteiten van de Inspecteur-Generaal der Mijnen afkomstige informatie;

  • f. het eventuele beroep dat overeenkomstig artikel 9c, derde lid, wordt gedaan op deskundige personen of diensten van buiten de onderneming.

  • g. de opzet en organisatie van de in artikel 8, vijfde lid, bedoelde voorzieningen.

Artikel 18d [Vervallen per 01-01-2003]

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeidersvertegenwoordigers hebben het recht de in artikel 18b bedoelde bestuurders te verzoeken passende maatregelen te nemen en hun in die zin voorstellen te doen, om alle risico’s voor de arbeiders te ondervangen of de bronnen van gevaar uit te schakelen.

Artikel 18e [Vervallen per 01-01-2003]

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeiders en vertegenwoordigers mogen geen nadeel ondervinden van hun in de artikelen 18c en 18 d bedoelde activiteiten.

Artikel 18f [Vervallen per 01-01-2003]

De in artikel 18b bedoelde bestuurders dienen de arbeidersvertegenwoordigers met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders gedurende voldoende tijd met behoud van loon vrij te stellen van werk en de nodige middelen ter beschikking te stellen om het deze vertegenwoordigers mogelijk te maken de uit dit reglement voortvloeiende rechten en taken uit te oefenen respectievelijk te vervullen.

Artikel 18g [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De arbeiders of hun vertegenwoordigers hebben het recht om zich tot de Inspecteur-Generaal der Mijnen te wenden, indien zij menen dat de door de in artikel 18b bedoelde bestuurders genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.

  • 2 Tijdens bezoeken en inspecties door toezichthoudende ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen moeten de arbeidersvertegenwoordigers in de gelegenheid worden gesteld hun opmerkingen aan hen voor te leggen.

Hoofdstuk II. Aanleg en inrichting van mijn- en boorwerken. Bescherming van delfstoffen [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2003]

Mijn- en boorwerken moeten zodanig zijn ingericht, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel 19a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moet iedere bemande arbeidsplaats worden uitgerust met:

    • a. een audiovisueel systeem waarmee een alarmmelding zo nodig kan worden doorgestuurd naar elk bemand deel van de arbeidsplaats;

    • b. een luidsprekersysteem dat duidelijk kan worden gehoord in alle delen van de installatie waar zich vaak arbeiders ophouden.

  • 2 Op mijnbouwinstallaties moeten de in het eerste lid bedoelde systemen in geval van nood operationeel kunnen blijven. Het akoestisch systeem moet worden aangevuld met communicatiesystemen die niet afhankelijk zijn van kwetsbare stroomvoorzieningsinstallaties.

  • 3 Op passende plaatsen moet alarm kunnen worden gegeven.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De aan een ontginning voorafgaande werkzaamheden, alsook de ontginning zelve mogen niet anders geschieden dan overeenkomstig een aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen toegezonden doelmatig, schriftelijk werkplan.

  • 2 Een werkplan kan zich niet uitstrekken over meer dan één kalenderjaar; het moet tenminste 30 dagen vóór het begin der betrokken werkzaamheden of ontginning en overigens vóór 1 december van het aan het betrokken kalenderjaar voorafgaande jaar in het bezit zijn van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 3 Een werkplan moet op verlangen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen door tekeningen te zijnen genoegen worden toegelicht.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ingrijpende wijzigingen worden in een werkplan niet aangebracht, dan nadat hiervan schriftelijk mededeling is gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Indien onvoorziene omstandigheden een voorafgaande schriftelijke mededeling als in het eerste lid bedoeld niet toelaten, moet de Inspecteur-Generaal der Mijnen van de wijziging ten spoedigste telefonisch of anderszins mondeling in kennis worden gesteld, welke kennisgeving onverwijld schriftelijk moet worden bevestigd.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer de uitvoering van een werkplan gevaar voor de veiligheid kan opleveren, moet dit op verlangen en ten genoegen van Onze Minister worden gewijzigd.

§ 2. Bovengrondse werken en boorwerken [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Plaatsen, waar arbeid wordt of moet worden verricht of waar arbeiders, al dan niet in verband met hun arbeid, aanwezig plegen te zijn, moeten bereikt kunnen worden en verlaten kunnen worden via vluchtwegen en nooduitgangen die via de kortste weg leiden naar de open lucht, een veiligheidszone, een veilig verzamelpunt of een veilig evacuatiestation.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde plaatsen alsmede de wegen en doorgangen tot het bereiken en verlaten van die plaatsen moeten voldoende ruim zijn en worden vrij gehouden van al hetgeen de arbeid of de doorgang kan belemmeren of aanleiding kan geven tot ongevallen.

  • 3 Bij gevaar moeten alle werkplekken snel en optimaal veilig door de arbeiders kunnen worden ontruimd.

  • 4 Het aantal, de locatie en de afmetingen van de vluchtwegen en de nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen, alsmede van het maximum aantal personen dat zich op deze plaatsen kan ophouden.

  • 5 De woon- en verblijfsruimten moeten ten minste twee afzonderlijke nooduitgangen hebben, die zover mogelijk van elkaar zijn gelegen en uitkomen in een veiligheidszone, een veilig verzamelpunt of een veilig evacuatiestation.

  • 6 Bij het uitvallen van de verlichting moeten de vluchtwegen en nooduitgangen die verlichting behoeven met een voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust.

  • 7 Voor zover daartoe aanleiding bestaat, moeten voorzieningen zijn getroffen tegen glijden, struikelen of vallen.

Artikel 23a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wegen met inbegrip van trappen, vaste ladders en laadplatforms, moeten zodanig berekend, gedimensioneerd en gelegen zijn dat zij gemakkelijk, veilig en overeenkomstig hun bestemming kunnen worden gebruikt en de arbeiders die in de buurt van die wegen werken, geen enkel risico lopen.

  • 2 Bij het bepalen van de afmetingen van voor verkeer van personen of goederen bestemde wegen, moet uitgegaan worden van het mogelijke aantal gebruikers en het soort werkzaamheden.

  • 3 Wanneer op wegen transportmiddelen worden gebruikt, moet een veilige afstand overblijven voor voetgangers.

  • 4 De voor voertuigen bestemde wegen moeten op voldoende afstand van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen liggen.

  • 5 Het tracé van de verkeers- en toegangswegen dient duidelijk te zijn afgebakend om de bescherming van de arbeiders te kunnen garanderen.

Artikel 23b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Plaats, aantal en afmetingen van deuren en poorten en de materialen waarvan zij zijn vervaardigd, moeten worden bepaald door de aard en het gebruik van de betrokken lokalen of ruimten.

  • 2 Deuren van nooduitgangen moeten naar buiten kunnen worden geopend of, wanneer dit niet mogelijk is, schuifdeuren zijn.

  • 3 Deuren op het traject van vluchtwegen moeten gemarkeerd zijn. Zij mogen niet op slot zijn of op zodanige wijze gesloten zijn dat zij niet gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood zou moeten gebruiken.

  • 4 Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien. Op de transparante deuren moet op ooghoogte een signalering zijn aangebracht.

  • 5 Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakken van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en als het gevaar bestaat dat werknemers gewond raken als een deur of een poort breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd.

  • 6 Schuifdeuren moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet uit hun rails kunnen lopen of onverwacht kunnen omvallen.

  • 7 Deuren en poorten die naar boven toe opengaan, moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet onverwacht kunnen terugvallen.

  • 8 In de onmiddellijke nabijheid van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd moeten zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, deuren voor voetgangers bevinden die duidelijk zichtbaar zijn gesignaleerd en voortdurend vrij moeten blijven.

  • 9 Automatische deuren en poorten moeten zodanig functioneren dat zij voor de arbeiders geen risico’s opleveren. Zij moeten zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen en moeten ook met de hand kunnen worden geopend, tenzij ze bij een energiestoring automatisch opengaan.

  • 10 Wanneer kettingen of soortgelijke voorzieningen worden gebruikt om te verhinderen dat een bepaalde ruimte wordt betreden, moeten de kettingen of soortgelijke voorzieningen goed zichtbaar zijn en op doelmatige wijze worden voorzien van verbods- of waarschuwingsborden.

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Werklokalen, wacht- en schaftlokalen, was-, bad- en kleedlokalen, kantoren en andere ruimten, waarin personen plegen aanwezig te zijn, moeten verlaten kunnen worden door twee uitgangen, die zich zo mogelijk aan tegenover elkaar liggende zijden van de ruimte moeten bevinden.

  • 2 In gebouwen, waarin geen door de inrichting, de bouwwijze of de ligging van het gebouw dan wel door de aard of de wijze van bewerking, verwerking of bewaring van de daarin aanwezige stoffen verhoogd gevaar voor brand, snelle bedwelming, vergiftiging of huidverbranding bestaat, kan in afwijking van het in het eerste lid bepaalde met één uitgang worden volstaan voor een ruimte als in dat lid bedoeld:

    • a. waarin in de regel niet meer dan 25 personen aanwezig zijn en waarvan de vloer hetzij minder dan 2,50 meter boven, hetzij minder dan 1,50 meter beneden de begane grond buiten het gebouw, waarvan de ruimte deel uitmaakt, is gelegen, mits de uitgang een buitenuitgang is;

    • b. waarin in de regel niet meer dan 10 personen aanwezig zijn, mits de uitgang leidt naar tenminste twee afzonderlijke wegen, waarlangs de begane grond buiten het gebouw kan worden bereikt;

    • c. welke deel uitmaakt van een gebouw, waarin in de regel niet meer dan 25 personen aanwezig zijn, wanneer in de ruimte een tweede uitgang niet kan worden aangebracht, mits een doelmatige gelegenheid tot ontkoming aanwezig is, of - wanneer ook deze niet kan worden tot stand gebracht - over een doelmatige mogelijkheid tot redding wordt beschikt.

  • 3 De in het eerste lid en in het tweede lid, onder a en c, bedoelde uitgangen moeten elk langs een afzonderlijke weg naar de begane grond buiten het gebouw leiden.

  • 4 Met betrekking tot gebouwen van brandwerende constructie, waarin geen licht brandbare, aan zelfontbranding onderhevige of ontplofbare stoffen worden bewerkt, verwerkt of bewaard, mag van het in het derde lid bepaalde worden afgeweken, mits van eenzelfde weg in de regel niet meer dan 100 personen gebruik behoeven te maken.

  • 5 De in het eerste lid bedoelde ruimten en de daarbij behorende uitgangen en wegen moeten zodanig zijn ingericht en zich in zodanige staat bevinden, dat de in de ruimte aanwezige personen te allen tijde voldoende snel en op veilige wijze kunnen ontkomen.

  • 6 Onze Minister kan van het in het eerste en het derde lid bepaalde ontheffing verlenen.

  • 7 Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet ten aanzien van mijnbouwinstallaties.

Artikel 24a [Vervallen per 01-01-2003]

Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing die geopend, geregeld of beveiligd kunnen worden, moeten op zodanige wijze geconstrueerd zijn dat deze handelingen op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. In geopende stand mogen zij geen gevaar opleveren voor de arbeiders. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing moeten zonder gevaar kunnen worden schoongemaakt.

Artikel 24b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De oppervlakte, de hoogte en het luchtvolume van de werkruimten moeten toereikend zijn om de arbeiders in staat te stellen hun werk zonder gevaar voor veiligheid en gezondheid uit te voeren.

  • 2 De afmetingen van het vrije oppervlak van de werkplek moeten zodanig zijn dat de arbeider bij zijn taakuitoefening over voldoende bewegingsvrijheid beschikt en zijn werk op veilige wijze kan uitvoeren.

Afdeling 2. Bijzondere bepalingen voor boorwerken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2003]

Op een boorwerk dient op een doelmatige plaats een doelmatig boorregister aanwezig te zijn.

Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2003]

Een boorinstallatie, met alles wat daartoe behoort, moet in veilige en deugdelijke staat verkeren en geschikt zijn voor het doel, waarvoor zij wordt aangewend.

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een diepboring mag niet anders geschieden dan overeenkomstig een aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen toegezonden doelmatig, schriftelijk boorprogramma. Dit programma moet vergezeld gaan van een opgave van naam, voornamen, beroep en woonplaats van de leider der werkzaamheden. In geval deze in het buitenland woonachtig is, dient zijn verblijfplaats in Nederland te worden opgegeven.

  • 2 Het boorprogramma moet tenminste vier weken vóór de aanvang der betrokken werkzaamheden in het bezit zijn van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 3 De artikelen 20, derde lid, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2003]

Diepboringen mogen niet worden aangevangen en door Onze Minister aan te wijzen onderdelen van boorwerken mogen niet worden tot stand gebracht of in stand gehouden binnen door hem te bepalen afstanden van:

  • a. opstallen, welke geen deel uitmaken van een boorwerk en waarin zich een stookplaats of een andere inrichting tot het maken van open vuur bevindt;

  • b. openbare wegen;

  • c. spoorwegen;

  • d. licht brandbare gewassen.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij een diepboring moeten doelmatige maatregelen worden genomen om de verstoring van de aangetroffen geologische formaties zoveel mogelijk te beperken.

  • 2 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen, indien de voortgang van een diepboring of de winning van delfstoffen zulks noodzakelijk maakt of daardoor kan worden bespoedigd.

Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2003]

Bij een diepboring moeten doelmatige maatregelen worden genomen:

  • a. ter voorkoming van een onnodig verloren gaan van delfstoffen;

  • b. ter vermijding van het binnendringen van vloeistoffen of gassen in geologische formaties, waardoor de winning van delfstoffen zou kunnen worden geschaad.

Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ten aanzien van door Onze Minister aan te wijzen diepboringen moet na het inbouwen en cementeren van elke serie der verbuizing omtrent de deugdelijkheid daarvan door middel van doelmatige persproeven zekerheid zijn verkregen, alvorens de diepboring wordt voortgezet of in produktie gebracht.

  • 2 Bij een diepboring als in het eerste lid bedoeld moet na het inbouwen van de eerste serie der verbuizing worden zorg gedragen voor een veilige afsluiting.

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2003]

Indien bij een diepboring een andere delfstof wordt aangetroffen dan die welke doel van de diepboring is, moeten de boorwerkzaamheden op zodanige wijze worden verricht, dat in het belang van de bescherming van delfstoffen voldoende gegevens omtrent het betrokken delfstofvoorkomen worden verkregen.

Artikel 32a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een bij een diepboring behorend boorgat mag niet ten behoeve van het winnen van delfstoffen in gebruik worden genomen dan nadat het daartoe deugdelijk is ingericht en afgewerkt, zomede van doeltreffende beveiligingen ter afsluiting is voorzien.

  • 2 Onze Minister kan ten aanzien van door hem aangewezen boorgaten nadere regelen stellen met betrekking tot de inrichting, afwerking en beveiligingen als in het eerste lid bedoeld.

Artikel 32b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Werkzaamheden in een bestaand boorgat, dan wel aan de inrichting, afwerking of beveiligingen als in artikel 32a, eerste lid, bedoeld, zoals nodig in verband met reparatie of onderhoud, moeten op doeltreffende wijze geschieden.

  • 2 Tenzij de onmiddellijke uitvoering in het belang van de veiligheid van de op de betrokken mijnbouwinstallatie of het betrokken boorwerk werkzame personen noodzakelijk is, mogen bepaalde door Onze Minister aan te wijzen werkzaamheden als in het eerste lid bedoeld, ten aanzien van door hem daarbij aangegeven boorgaten, niet anders geschieden dan overeenkomstig een aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen toegezonden doelmatig schriftelijk werkprogramma.

  • 3 Het werkprogramma moet zo tijdig mogelijk, doch in ieder geval niet later dan vier weken vóór de aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit zijn van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 4 De artikelen 20, derde lid, 21, 22 en 27, eerste lid, tweede en derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van het verloop van een diepboring en van werkzaamheden, aangewezen krachtens artikel 32b, tweede lid, ten aanzien van een daarbij aangegeven boorgat moet dagelijks een kort verslag worden opgemaakt, hetwelk onverwijld en op doelmatige wijze ter kennis van de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient te worden gebracht. Het verslag moet voldoende gegevens bevatten ten einde het verloop van de boring of de werkzaamheden te kunnen volgen.

  • 2 Voorts moet van het verloop als in het eerste lid bedoeld maandelijks een rapport worden opgemaakt, hetwelk binnen 7 dagen na afloop van de betrokken maand in afschrift aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient te worden toegezonden. Het rapport moet voldoende gegevens bevatten ten einde het verloop van de boring of de werkzaamheden te kunnen volgen.

Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van staking, beëindiging of hervatting van een diepboring moet binnen 7 dagen mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Na beëindiging van een diepboring moeten aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen zo spoedig mogelijk een nauwkeurig boorprofiel, alsmede voldoende uit de diepboring verkregen andere gegevens, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid en de bescherming van delfstoffen, worden toegezonden.

Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2003]

Doelmatige maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen, dat de winning van delfstoffen, waarvan de aanwezigheid is aangetoond of wordt vermoed, wordt belemmerd of geschaad.

Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2003]

De afvoer van gassen, vloeistoffen en vaste stoffen moet op doelmatige wijze geschieden.

Afdeling 3. Bijzondere bepalingen voor mijnbouwinstallaties [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 36a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater te plaatsen moet tenminste twee weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen, onder opgave van:

    • a. de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie zal worden geplaatst, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

    • b. de aard en de afmetingen van de mijnbouwinstallatie;

    • c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.

  • 2 Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater te plaatsen moet bovendien tenminste twee weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen, onder opgave van de in het eerste lid bedoelde gegevens, schriftelijk mededeling worden gedaan:

    • a. indien de installatie zal worden geplaatst op of boven de bodem van de territoriale zee of van een ander oppervlaktewater, ten aanzien waarvan Onze Minister van Defensie het oppertoezicht over de betonning en bebakening uitoefent, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie en de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting;

    • b. indien de installatie zal worden geplaatst op of boven de bodem van een ander oppervlaktewater dan onder a bedoeld, aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.

  • 3 Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan.

  • 4 Zodra een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater is geplaatst, moet met gebruikmaking van doelmatige apparatuur, door het verrichten van voldoende metingen of andere waarnemingen, een voldoend nauwkeurige plaatsbepaling van de installatie worden verricht. Het resultaat hiervan moet onverwijld schriftelijk worden medegedeeld aan degenen, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan. De mededeling aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie onderscheidenlijk aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat dient vergezeld te gaan van voldoende op de verrichte waarnemingen betrekking hebbende gegevens.

  • 5 Het in artikel 134, eerste lid, ten aanzien van gegevens, die voor het vervaardigen van kaarten hebben gediend, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op gegevens, welke verkregen zijn door waarnemingen als in het vierde lid bedoeld.

Artikel 36b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij het plaatsen van een mijnbouwinstallatie op of boven de bodem van een oppervlaktewater moeten voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar, met inbegrip van gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders.

  • 2 De voorbereiding van de plaatsing van mijnbouwinstallaties moet zodanig worden uitgevoerd dat de veiligheid en de stabiliteit ervan gewaarborgd zijn.

Artikel 36c [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een mijnbouwinstallatie moet ten opzichte van de te verwachten windsterkte, golven en stroming van het water, alsook zo nodig met het oog op het aanleggen van vaartuigen of het landen van hefschroefvliegtuigen of andere luchtvaartuigen veilig zijn geplaatst, verankerd of op andere doelmatige wijze op haar plaats worden gehouden.

Artikel 36d [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een mijnbouwinstallatie moet voldoende sterk zijn om bij de maximaal toelaatbare belasting de op grond van windsterkte, golfslag en stroming van het water te verwachten krachten te weerstaan.

  • 2 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming, waarbij een of meer mijnbouwinstallaties in gebruik zijn, dienen ten aanzien van elk van die installaties te beschikken over een door een ter zake deskundige en door Onze Minister als zodanig erkende instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.

  • 3 Door Onze Minister aangewezen mijnbouwinstallaties moeten:

    • a. regelmatig, volgens een doelmatig schema over een door Onze Minister aan te geven aantal jaren, zomede overeenkomstig een jaarlijks inspectieplan, achtereenvolgens op de staat van onderhoud en de sterkte van de onderscheiden onderdelen der installatie aan een doelmatige inspectie worden onderworpen;

    • b. telkens na verloop van het aantal jaren als onder a bedoeld, binnen een door Onze Minister aan te geven termijn, aan een voldoende en doelmatig algeheel onderzoek betreffende de staat van onderhoud en de sterkte der installatie worden onderworpen; Onze Minister kan bepalen, dat het onderzoek moet worden verricht door een ter zake deskundige instelling of onderneming.

  • 4 Van een schema en een plan als in het derde lid, onder a, bedoeld dient tijdig een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden overgelegd. Indien Onze Minister van oordeel is dat een inspectieplan niet aan redelijk te stellen eisen voldoet, moet dit op zijn verlangen en tot zijn genoegen worden gewijzigd.

  • 5 Van een inspectie of onderzoek als in het derde lid bedoeld moet zo spoedig mogelijk na de voltooiing daarvan een doelmatig rapport worden opgesteld, van welk rapport onverwijld een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient te worden toegezonden.

  • 6 Nadat een onderzoek als in het derde lid, onder b, bedoeld is voltooid, dienen de betrokken bestuurders te beschikken over een nieuwe, onverwijld na die voltooiing door een in het tweede lid bedoelde instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.

  • 7 Een verklaring als in het tweede of zesde lid bedoeld moet in afschrift aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden overgelegd.

Artikel 36da [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien een mijnbouwinstallatie ten gevolge van een kracht als in artikel 36d, eerste lid, bedoeld, dan wel door aanvaring of anderszins beschadigd is of naar redelijk vermoeden beschadigd kan zijn moet zo spoedig mogelijk een doelmatig onderzoek worden ingesteld ter vaststelling van de beschadiging of vermoedelijke beschadiging; Onze Minister kan bepalen, dat het onderzoek moet worden verricht door een ter zake deskundige instelling of onderneming.

  • 2 Van het instellen van een onderzoek als in het eerste lid bedoeld dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 3 Van het resultaat van een onderzoek als in het eerste lid bedoeld dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 36db [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien een mijnbouwinstallatie of een daartoe behorende inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, ten gevolge van beschadiging of anderszins niet meer voldoet aan het bij of krachtens artikel 36d, eerste lid, bepaalde moet zij, tenzij de installatie of inrichting in haar geheel wordt verwijderd, na het zo nodig treffen van voorlopige voorzieningen, zo spoedig mogelijk op doelmatige wijze worden hersteld onderscheidenlijk moeten ten aanzien daarvan doelmatige voorzieningen worden getroffen, een en ander zodanig dat zij weder aan het bij en krachtens genoemd lid bepaalde voldoet.

  • 2 Werkzaamheden krachtens het eerste lid mogen niet anders geschieden dan overeenkomstig een aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen toegezonden doelmatig schriftelijk werkprogramma.

  • 3 Zodanig programma moet vergezeld gaan van een opgave van naam, voornamen, beroep en woon- of verblijfplaats van de leider der werkzaamheden.

  • 4 Het werkprogramma moet zo tijdig mogelijk, doch als regel niet later dan 24 uur vóór de aanvang der betrokken werkzaamheden, in het bezit zijn van de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 5 De artikelen 20, derde lid, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36dc [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Zodra werkzaamheden krachtens artikel 36db, eerste lid, zijn voltooid moet de betrokken mijnbouwinstallatie of inrichting door een ter zake deskundige instelling of onderneming aan een in artikel 36d, derde lid, onder b, bedoeld onderzoek worden onderworpen.

  • 2 Artikel 36d, vijfde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36e [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming, waarbij een of meer op of boven de bodem van de territoriale zee, een zeegat, een open zeeboezem of het IJsselmeer geplaatste mijnbouwinstallaties in gebruik zijn, dienen zich met het oog op de toepassing van het tweede en derde lid te verzekeren van de bijstand van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut of een andere op meteorologisch en oceanografisch gebied deskundige instelling, die door Onze Minister als zodanig is erkend.

  • 2 Bij het op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in het eerste lid bedoeld plaatsen en bij het vandaar verwijderen van een mijnbouwinstallatie, alsmede met betrekking tot aldaar geplaatste bemande mijnbouwinstallaties dienen met het oog op de veiligheid van personen, die bij dat plaatsen of verwijderen werkzaam zijn, alsmede van de personen, die op de mijnbouwinstallatie werkzaam zijn of zullen zijn, bij het in het eerste lid bedoelde instituut of de daar bedoelde instelling voldoende meteorologische en oceanografische inlichtingen te worden ingewonnen.

  • 3 Met het oog op de veiligheid moeten op, aan of in de onmiddellijke nabijheid van een op of boven de bodem van de territoriale zee geplaatste bemande mijnbouwinstallatie op doelmatige plaatsen voldoende en doelmatige meteorologische en oceanografische waarnemingen worden verricht met gebruikmaking van door Onze Minister goedgekeurde apparatuur. Bij het verzoek om goedkeuring moet een terzake door het in het eerste lid bedoelde instituut of de daar bedoelde instelling uitgebracht advies worden overgelegd.

  • 4 De in het derde lid bedoelde waarnemingen moeten worden verricht en de daar bedoelde apparatuur moet worden onderhouden door of onder toezicht van een terzake deskundig persoon.

  • 5 De gegevens, welke bij de in het derde lid bedoelde waarnemingen worden verkregen, moeten worden aangetekend in een register. Aan het in het eerste lid bedoelde instituut moet van die gegevens op doelmatige wijze mededeling worden gedaan en het register of een gewaarmerkt afschrift daarvan ter inzage worden afgegeven, een en ander op door het instituut te bepalen tijdstippen. Indien de bijstand wordt verleend door een andere instelling als in het eerste lid bedoeld, geldt bovendien een overeenkomstige verplichting ten behoeve van die instelling. Zodanige instelling stelt bedoelde tijdstippen niet vast dan na overleg met het instituut.

  • 6 Onze Minister kan van het in de voorgaande leden bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36f [Vervallen per 01-01-2003]

Een mijnbouwinstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, ingericht en worden onderhouden, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel 36g [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De dekken van een mijnbouwinstallatie moeten door een doelmatige verschansing of een doelmatig relingwerk zijn omgeven.

  • 2 Langs trappen en loopgangen moet een doelmatige bescherming zijn aangebracht.

Artikel 36h [Vervallen per 01-01-2003]

De dekken van een mijnbouwinstallatie moeten zodanig zijn ingericht, dat overkomend water voldoende kan afvloeien.

Artikel 36i [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een mijnbouwinstallatie moeten verblijven en vrije dekruimten, waar personen, al dan niet in verband met hun arbeid, plegen aanwezig te zijn, zomede de doorgangen en andere verbindingen tot het bereiken en verlaten van die plaatsen, te allen tijde, met vermijding van doorgangen door ruimten, waarin machines, ketels, tanks, drukvaten en dergelijke zijn opgesteld, behoorlijk bereikbaar zijn.

  • 2 Verblijven op een mijnbouwinstallatie, waar personen buiten hun arbeidstijden plegen aanwezig te zijn, mogen niet in rechtstreekse verbinding staan met besloten ruimten, waarin machines, ketels, tanks, drukvaten en dergelijke zijn opgesteld.

  • 3 Tussen de in het tweede lid bedoelde verblijven en de inschepingsplaats, waar reddingsmiddelen en ander materieel voor het uitvoeren van reddingswerk worden gereed gehouden, moeten voldoende doelmatige verbindingen aanwezig zijn, door middel waarvan de betrokken personen onverwijld op veilige wijze die plaats kunnen bereiken.

  • 4 Een machinekamer op een mijnbouwinstallatie moet tenminste twee tegenover elkaar gelegen uitgangen met voldoende trap- of ladderverbindingen vanaf de vloer van die machinekamer hebben.

  • 5 Onze Minister kan van het in het eerste en vierde lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36j [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Hefschroefvliegtuigen of andere luchtvaartuigen mogen slechts op een mijnbouwinstallatie landen of daarvan opstijgen, indien daarvoor een doelmatig ingericht dek beschikbaar is, met gebruikmaking waarvan dit veilig kan geschieden.

  • 2 Op een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld dan wel van een andere door Onze Minister aangewezen oppervlaktewater geplaatste bemande mijnbouwinstallatie moet een dek als in het eerste lid bedoeld aanwezig zijn.

  • 3 Het is verboden om zonder een verklaring als bedoeld in artikel 36ja, eerste lid, van een zodanig dek gebruik te maken.

  • 4 Onze Minister kan van het in het tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36ja [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming, waarbij een of meer mijnbouwinstallaties in gebruik zijn, waarop een dek als bedoeld in artikel 36j, eerste lid, aanwezig is, dienen ten aanzien van elk van die installaties te beschikken over een door de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat afgegeven verklaring, inhoudende dat het dek op die installatie aan het bij en krachtens artikel 36j, eerste lid, bepaalde voldoet. De geldigheid van de verklaring verloopt 14 maanden na de dag waarop de verklaring is afgegeven.

  • 2 Een dek als bedoeld in artikel 36j, eerste lid, moet eenmaal per jaar op de staat van onderhoud en het veilig gebruik aan een doelmatige inspectie worden onderworpen. Deze inspectie wordt uitgevoerd door een ter zake deskundige en door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat als zodanig erkende instelling of onderneming. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij nadere regelen vaststellen aan welke voorwaarden een instelling of onderneming moet voldoen om erkenning als bedoeld in de vorige volzin te verkrijgen.

  • 3 De door een erkende instelling of onderneming als bedoeld in het tweede lid uit te voeren inspectie moet geschieden overeenkomstig een tevoren aan de Directeur-Generaal Rijksluchtvaartdienst overgelegd inspectieplan. Indien de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van oordeel is, dat een inspectieplan niet aan redelijk te stellen eisen voldoet, moet dit op zijn verlangen en tot zijn genoegen worden gewijzigd.

  • 4 Van een inspectie als in het tweede lid bedoeld moet zo spoedig mogelijk na de voltooiing daarvan een doelmatig rapport worden opgesteld, van welk rapport onverwijld een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen en aan de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat dient te worden toegezonden. De erkende instelling of onderneming, bedoeld in het tweede lid, adviseert de Directeur-Generaal Rijksluchtvaartdienst voor de afgifte van de in het eerste lid bedoelde verklaring.

  • 5 Nadat een inspectie als in het tweede lid bedoeld is voltooid, geeft de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat aan de betrokken bestuurders onverwijld een nieuwe verklaring af, inhoudende dat het dek aan het bij en krachtens artikel 36j, eerste lid, bepaalde voldoet.

  • 6 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij nadere regelen bepalen, dat voor de afgifte van de eerste verklaring voor een bepaalde mijnbouwinstallatie in die regelen aan te geven gegevens aan de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat moeten worden verstrekt.

  • 7 Een verklaring als in het eerste of vijfde lid bedoeld moet in afschrift aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden overgelegd.

Artikel 36jb [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op een mijnbouwinstallatie, waarop een dek als bedoeld in artikel 36j, eerste lid, aanwezig is, moet een doelmatig ingericht register over de verrichtingen met hefschroefvliegtuigen aanwezig zijn en worden bijgehouden.

  • 2 Indien de verrichtingen met hefschroefvliegtuigen worden geleid vanaf een andere mijnbouwinstallatie dan die waarop het in het eerste lid bedoelde dek aanwezig is, mag, in afwijking van het eerste lid, het register aanwezig zijn en worden bijgehouden op de mijnbouwinstallatie waar vanaf de verrichtingen worden geleid.

Artikel 36k [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld geplaatste mijnbouwinstallatie moet van zonsondergang tot zonsopkomst van de volgende lichten zijn voorzien:

    • a. een of meer witte lichten van zodanige sterkte, dat de veiligheid zoveel mogelijk is gewaarborgd, en welke zodanig zijn ingericht en gaplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, tenminste één licht zichtbaar is; deze lichten moeten synchroon branden en dienen een karakter te hebben, dat overeenkomt met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden, verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde;

    • b. indien de mijnbouwinstallatie een grootste horizontale afmeting heeft van meer dan 15 meter, op de uiteinden van de installatie vaste, rondom zichtbare, witte lichten van zodanige sterkte, dat de omtrek van die installatie op zodanige afstand kan worden waargenomen, dat het gevaar voor aanvaring zoveel mogelijk wordt voorkomen, tenzij de onder a bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst;

    • c. indien de mijnbouwinstallatie een hoogte heeft van meer dan 30 meter boven gemiddeld hoog water, op het hoogste punt van de installatie een vast, rood licht van een sterkte van tenminste 10 candelas, dat zichtbaar is vanuit ieder punt boven de horizon, en indien de installatie hoger is dan 45 meter, bovendien halverwege tussen genoemd licht en het wateroppervlak een zodanig aantal vaste, rode lichten van dezelfde sterkte, dat vanuit ieder punt boven de horizon tenminste één daarvan zichtbaar is.

  • 2 Een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder b, bedoeld geplaatste mijnbouwinstallatie moet van zonsondergang tot zonsopkomst zijn voorzien van door Onze Minister aan te geven lichten.

  • 3 Onze Minister kan nadere regelen stellen ten aanzien van de inrichting, sterkte en plaatsing van de lichten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zomede ten aanzien van de inrichting van de lichten, bedoeld in het eerste lid onder c.

  • 4 De in het eerste en tweede lid bedoelde lichten moeten zodanig zijn ingericht, worden gevoed en worden onderhouden, dat hun ononderbroken werking is gewaarborgd.

  • 5 Onze Minister kan van het in het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36l [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een op of boven de bodem van de territoriale zee geplaatste mijnbouwinstallatie en een door Onze Minister aangewezen, andere mijnbouwinstallatie moeten zijn voorzien:

    • a. van een of meer apparaten, waarmede geluidssignalen kunnen worden gegeven van zodanige sterkte, dat de veiligheid zoveel mogelijk is gewaarborgd, en welke zodanig zijn ingericht en geplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, het geluidssignaal hoorbaar is;

    • b. van een radarreflector, indien Onze Minister zulks verlangt.

  • 2 Indien de meteorologische zichtbaarheid minder is dan 3,7 kilometer, moet met de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a, een geluidssignaal worden gegeven, waarvan het karakter overeenkomt met dat van de Morse-letter U, met een periode van 30 seconden, verdeeld als volgt: signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 2½ seconde, stilte 24 seconden.

  • 3 Onze Minister kan ten aanzien van door hem aangewezen andere mijnbouwinstallaties als in het eerste lid bedoeld bepalen, dat:

    • a. met de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a, in plaats van een geluidssignaal als in het tweede lid bedoeld een door hem aangegeven geluidssignaal moet worden gegeven;

    • b. een geluidssignaal slechts behoeft te worden gegeven, indien de meteorologische zichtbaarheid minder bedraagt dan een door hem aangegeven afstand.

  • 4 Onze Minister kan nadere regelen stellen ten aanzien van de inrichting, sterkte en plaatsing van de apparaten, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 5 De in het eerste lid, onder a, bedoelde apparaten moeten zodanig worden gevoed en onderhouden, dat hun ononderbroken werking is gewaarborgd.

  • 6 Onze Minister kan van het in het eerste lid, onder a, bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36m [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten voor elke bij die onderneming in gebruik zijnde mijnbouwinstallatie in het bezit zijn van een verklaring, waaruit blijkt, dat ten tijde, dat zij werd afgegeven, was voldaan aan de bij en krachtens artikel 36k, zomede artikel 36l, indien dit artikel op de installatie van toepassing is, gegeven voorschriften. In een zodanige verklaring kan worden bepaald, dat zij slechts geldig is tot een daarin aangegeven tijdstip.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt afgegeven:

    • a. voor op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld geplaatste mijnbouwinstallaties door de Directeur van de technische dienst van ’s Rijks Kustverlichting;

    • b. voor andere mijnbouwinstallaties door de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.

  • 3 Ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde verklaring dienen aan degene, die bevoegd is de verklaring af te geven, de door deze te bepalen gegevens te worden verstrekt. Tevens dient aan hem, indien hij zulks verlangt, de desbetreffende apparatuur of een kenmerkend monster daarvan voor onderzoek op een door hem te bepalen plaats ter beschikking te worden gesteld.

  • 4 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36n [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op het boven het wateroppervlak uitstekende deel van een mijnbouwinstallatie, welke op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld is geplaatst, moeten op doelmatige plaatsen door Onze Minister vastgestelde doelmatige herkenningstekens op voldoend duidelijke wijze zijn aangebracht. Tenminste een van deze herkenningstekens moet, ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, zichtbaar zijn, zowel bij dag als bij nacht.

  • 2 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 36o [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld geplaatste bemande mijnbouwinstallatie moet zijn voorzien van doelmatige communicatiemiddelen, waarmede onder alle omstandigheden verbinding met de vaste wal en met vaartuigen of luchtvaartuigen, welke ten dienste van het mijnbouwkundig onderzoek door middel van een boorwerk of het winnen van delfstoffen in gebruik zijn, mogelijk is.

  • 2 Op een op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld geplaatste mijnbouwinstallatie, niet zijnde een bemande mijnbouwinstallatie, mogen geen personen aanwezig zijn, tenzij zij kunnen beschikken over een doelmatig communicatiemiddel.

  • 3 De op een mijnbouwinstallatie ten behoeve van mijnbouwkundig onderzoek door middel van een boorwerk of het winnen van delfstoffen aanwezige communicatiemiddelen moeten door voldoende deskundig personeel worden bediend en op doelmatige wijze worden gebruikt. Dit personeel moet op doelmatige wijze een radiodagboek bijhouden.

Artikel 36p [Vervallen per 01-01-2003]

Het plaatsen van materieel of materialen op een mijnbouwinstallatie moet zodanig geschieden, dat de ten gevolge daarvan optredende krachten en spanningen zonder bezwaar in de constructie van de installatie kunnen worden opgenomen.

Artikel 36q [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Doelmatige maatregelen moeten worden genomen om:

    • a. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten te beschermen tegen warmte en rook, en, zoveel mogelijk, tegen de gevolgen van explosies;

    • b. de vluchtroutes van en naar de evacuatiestations en verzamelpunten te allen tijde bruikbaar te laten blijven;

    • c. de evacuatiestations en de veilige verzamelpunten gemakkelijk bereikbaar te laten zijn vanuit de verblijfsaccommodatie en de werkruimten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde maatregelen moeten zodanig zijn dat ze de arbeiders lang genoeg bescherming bieden om, indien nodig, in alle veiligheid een evacuatie- en reddingsoperatie te kunnen organiseren en uitvoeren.

  • 3 Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moet een van de in het eerste lid bedoelde beschermde plaatsen zijn voorzien van afstandsbedieningssystemen voor noodgevallen zoals bedoeld in artikel 152a en van een communicatiesysteem waarmee een verbinding met de vaste wal en met hulpdiensten kan worden onderhouden.

§ 3. Ondergrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden binnen 50 meter afstand van het dekterrein steenkool uit de lagen te verwijderen, of steengangen, galerijen of andere werken aan te leggen.

  • 2 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

  • 3 Een aanvraag om ontheffing moet, behoudens in geval van onvoorziene omstandigheden, worden ingediend tenminste acht weken voordat met de werkzaamheden in het betrokken veldgedeelte een aanvang wordt gemaakt.

Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tegen de grenzen van ieder mijnveld moet een grensmuur van tenminste 10 meter dikte onaangetast blijven; indien in een mijnveld meerdere mijnwerken aanwezig zijn, moet tussen de ondergrondse werken daarvan een muur van tenminste 20 meter dikte onaangetast blijven.

  • 2 Onze Minister kan voor bijzondere gevallen een grensmuur of muur van grotere dikte dan in het eerste lid genoemd voorschrijven.

  • 3 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

  • 4 Een aanvraag om ontheffing moet, behoudens in geval van onvoorziene omstandigheden, worden ingediend tenminste acht weken voordat met de werkzaamheden in het betrokken deel van de grensmuur of muur een aanvang wordt gemaakt.

Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2003]

De ondergrondse werken moeten veilig worden aangelegd en uitgevoerd. Zij moeten zolang zij in gebruik zijn in voldoend veilige toestand worden gehouden.

Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor alle ondergrondse winningsplaatsen moeten tijdig vóór de inbedrijfstelling bestekken worden opgesteld.

  • 2 Aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen moeten overeenkomstig door Onze Minister te stellen nadere regelen gegevens worden verstrekt betreffende de methoden van winning, ondersteuning en opvulling.

  • 3 Van het aantrekken van een pijler of simpel, dan wel van het weer in bedrijf nemen van een pijler of simpel, die tenminste acht weken buiten bedrijf is geweest, moet tijdig tevoren aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk mededeling worden gedaan. Indien dit niet mogelijk is, moet hem ten spoedigste telefonisch of anderzins mondeling mededeling worden gedaan, welke mededeling onverwijld schriftelijk moet worden bevestigd.

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2003]

De winningsplaatsen moeten zó ver van elkaar verwijderd blijven, dat gevaar voor in een winningsplaats aanwezige personen tengevolge van werkzaamheden in een andere winningplaats voldoende wordt vermeden.

Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2003]

In de ondergrondse werken moeten zodanige voorzieningen worden getroffen, dat de waterafvoer voldoende is verzekerd en dat de voetpaden en de rails niet onder water staan.

Hoofdstuk III. Verkeer en vervoer [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bovengrondse werken en boorwerken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voldoende maatregelen moeten worden genomen en doelmatige instructies moeten worden uitgevaardigd ter verzekering van een veilig verkeer en vervoer.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het op en van mijnbouwinstallaties brengen van materieel, van materialen en van personen.

  • 3 Voor het spoorweg- en wegvervoer moet een reglement worden vastgesteld, dat moet worden goedgekeurd door Onze Minister. De in het eerste lid bedoelde instructies moeten, voor zover zij op dat vervoer betrekking hebben en van blijvende aard zijn, in dat reglement worden opgenomen.

Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Spoor-, rail- en kabelbanen, lier- en andere transportinrichtingen, met alles wat daartoe behoort, en het rollend materieel moeten zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd.

  • 2 Doelmatige maatregelen moeten worden genomen tegen de gevaren, welke hun gebruik kan opleveren.

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2003]

De besturing en de bediening van het rollend materieel moeten door voldoend deskundig personeel geschieden.

Artikel 46 [Vervallen per 01-08-1971]

Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2003]

Van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, moet onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

§ 2. Ondergrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 48 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De ondergrondse werken moeten door tenminste twee schachten met de oppervlakte zijn verbonden.

  • 2 Tenminste twee schachten moeten zijn ingericht voor het personenvervoer, met dien verstande dat de intrekkende schacht moet zijn ingericht voor het vervoer van personen uit haar laagste transportverdieping en alle hoger gelegen verdiepingen. Zodanige doelmatige voorzieningen moeten worden getroffen, dat alle in de ondergrondse werken aanwezige personen in geval van stoornis van het vervoer in één schacht steeds door een andere veilig de oppervlakte kunnen bereiken.

  • 3 De schachten moeten over de gehele diepte een voldoende doorsnede hebben.

  • 4 Alvorens wordt overgegaan tot de aanleg van nieuwe schachten, moet de onderlinge afstand dezer schachten, zomede de afstand tot bestaande schachten, worden goedgekeurd door Onze Minister.

  • 5 Behalve de in het eerste lid bedoelde schachten, moet een andere door Onze Minister goedgekeurde verbinding aanwezig zijn, die het mogelijk maakt in noodgevallen de ondergrondse werken te verlaten.

  • 6 Onze Minister kan van het in het eerste, het tweede en het vijfde lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een schacht moet, voor zover de aard van de doorsneden gesteentelagen dat nodig maakt, door voldoende bekleding en voldoende voorzorgsmaatregelen bij de ontginning zijn beveiligd.

  • 2 Een schacht, de schachtbekleding en alle tot een schacht behorende inrichtingen moeten in voldoende staat van onderhoud verkeren.

Artikel 50 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Schachten, tussenschachten en andere opbraken moeten van de bodem tot de uitmonding zijn voorzien van vaste, stevige ladders.

  • 2 De ladders moeten op doelmatige wijze zijn geplaatst.

  • 3 Het is verboden materiaal of materieel over de ladders mede te voeren, tenzij dit voor herstellings- of meetwerkzaamheden in de betrokken schacht of in de betrokken tussenschacht of andere opbraak nodig is.

  • 4 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De toegangen tot de afdelingen van schachten en van tussenschachten en andere opbraken moeten voldoende beveiligd zijn.

  • 2 De afdeling van schachten en van tussenschachten en andere opbraken, waarin zich de in artikel 50 bedoelde ladders bevinden, moet een voldoende doorsnede hebben, doelmatig zijn ingericht en van de overige afdelingen op voldoende wijze zijn gescheiden.

  • 3 In schachten en in tussenschachten en andere opbraken en in hun omgeving mogen losse voorwerpen niet worden geplaatst dan in geval van noodzaak en alsdan uitsluitend op veilige wijze.

Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2003]

De wijze van delven, de bekleding, de indeling en de beveiliging van schachten, alsmede voorgenomen belangrijke wijzigingen van die bekleding, indeling of beveiliging moeten, nadat de plannen daartoe zijn vastgesteld, zo tijdig schriftelijk ter kennis van de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden gebracht, dat deze zich daarvan vóór de aanvang der werkzaamheden een inzicht kan vormen.

Artikel 53 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van elke schacht moet op een schaal, die niet kleiner dan 1 : 100 mag zijn, een langsdoorsnede worden vervaardigd, waarop zijn aangegeven de aard van:

    • a. de doorsneden gesteentelagen;

    • b. de schachtbekleding;

    • c. de voorwerpen, die vast in de schacht zijn geplaatst;

    • d. de hoogteligging ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil van het maaiveld, van de grens van dekterrein en steenkolenterrein, van de doorsneden kolenlagen en kolenriffels en van de verdiepingen.

  • 2 Wanneer de Inspecteur-Generaal der Mijnen zulks nodig acht, moet de langsdoorsnede door dwarsdoorsneden worden verduidelijkt.

  • 3 Ingrijpende wijzigingen van de schachtbekleding en van de in het eerste lid onder c bedoelde voorwerpen moeten telkens, met opgave van de datum der wijziging, ten spoedigste op deze tekeningen worden aangegeven.

  • 4 Van elke schacht moeten langsdoorsneden worden vervaardigd, waarop in twee onderling loodrecht op elkaar staande richtingen de afwijkingen van de schacht uit de verticale richting staan aangegeven. Onze Minister kan bepalen, dat langsdoorsneden moeten worden verduidelijkt door doelmatige gegevens betreffende vervormingen van de schachtbekleding.

  • 5 Aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen moet desverlangd een exemplaar van de in het eerste en het vierde lid bedoelde tekeningen worden toegezonden, welke tekeningen zo nodig jaarlijks moeten worden bijgewerkt.

Artikel 54 [Vervallen per 01-01-2003]

Het is aan personen beneden 21 jaar verboden arbeid te verrichten als hersteller in schachten of in tussenschachten of andere opbraken.

Artikel 55 [Vervallen per 01-01-2003]

Schachten, tussenschachten en andere opbraken moeten regelmatig op doelmatige wijze worden geïnspecteerd.

Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voldoende maatregelen moeten worden genomen en doelmatige instructies moeten worden uitgevaardigd ter verzekering van een veilig vervoer in schachten en in tussenschachten en andere opbraken.

  • 2 Voor bedoeld vervoer moet een reglement worden vastgesteld, dat moet worden goedgekeurd door Onze Minister. De in het eerste lid bedoelde instructies moeten, voor zover zij van blijvende aard zijn, in dat reglement worden opgenomen.

Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Tijdens personenvervoer mag met dezelfde ophaalinstallatie geen materiaal of materieel worden vervoerd.

  • 2 Tijdens het vervoer van personen mag op dezelfde kooi-etage geen materiaal of materieel worden vervoerd.

  • 3 Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voor het vervoeren van klein gereedschap, voor zover zulks op doelmatige wijze geschiedt.

Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is de arbeiders verboden anders dan op de door of vanwege de bestuurders van de mijnonderneming voorgeschreven wijze en langs de door of vanwege dezen voorgeschreven weg in de ondergrondse werken af te dalen of deze te verlaten. Zij moeten zich bij het afdalen in of verlaten van die werken ordelijk gedragen.

  • 2 Het is verboden, anders dan in geval van nood, de ondergrondse werken langs de ladders te verlaten.

  • 3 Onze Minister kan van het in het tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2003]

De bestuurders van een mijnonderneming kunnen bepalen, dat de ophaalinstallaties in schachten en tussenschachten - buiten het geval van nood - slechts gedurende de door hen vastgestelde tijden voor personenvervoer en voor vervoer van personen beschikbaar zijn. De bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren zijn evenwel bevoegd te allen tijde van bedoelde ophaalinstallaties gebruik te maken.

Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden een ophaalinstallatie in een schacht in gebruik te nemen zonder vergunning van Onze Minister.

  • 2 Het is verboden een ophaalinstallatie voor personenvervoer in een tussenschacht in gebruik te nemen zonder vergunning van Onze Minister.

Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2003]

Onverminderd de voorwaarden, waaronder een vergunning als in artikel 60 bedoeld is verleend, gelden bij personenvervoer in schachten en tussenschachten met betrekking tot elke ophaalinstallatie de volgende bepalingen:

  • a. de ophaalmachine moet zijn voorzien:

    • 1. als de snelheid 6 meter of meer per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsregelinrichting, snelheidsmeter, tachograaf, diepte-aanwijzer en meervoudig bedienbare reminstallatie;

    • 2. als de snelheid 2 of meer, doch minder dan 6 meter per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsregelinrichting of een op de snelheid doelmatig reagerende veiligheidsinrichting, zomede van een doelmatige snelheidsmeter, diepte-aanwijzer en meervoudig bedienbare reminstallatie;

    • 3. als de snelheid minder dan 2 meter per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsmeter, diepte-aanwijzer en reminstallatie;

  • b. de kooien moeten zodanig zijn ingericht, dat de zich daarin bevindende personen tijdens het vervoer doelmatig zijn beveiligd tegen aanraking met in de schacht of tussenschacht aanwezige, alsmede tegen vallende of wegvliegende voorwerpen;

  • c. doelmatige automatisch werkende inrichtingen moeten aanwezig zijn, die een te hoog ophalen of te diep zakken van de kooien voorkomen;

  • d. boven de hoogste en beneden de laagste bedrijfsstand van de kooien moet voldoende vrije ruimte zijn om een doelmatige werking van de onder c bedoelde inrichtingen te waarborgen;

  • e. de ophaalmachine, de kooien, de kabels, de seintoestellen en alle andere delen der ophaalinstallatie moeten op door Onze Minister te bepalen tijdstippen op doelmatige wijze door in het bijzonder daarmede belaste personen op deugdelijkheid worden onderzocht;

  • f. de verbindingsstukken, waarmede de kooi aan de kabel is bevestigd, moeten op door Onze Minister te bepalen tijdstippen worden vervangen door andere verbindingsstukken, waarvan hem de deugdelijkheid op voldoende wijze is aangetoond.

Artikel 62 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het totale gewicht der personen, die met een kooi worden vervoerd, mag niet meer bedragen dan 60% van de bij het vervoer van goederen gebruikelijke last; het gewicht van een persoon wordt daarbij gesteld op 75 kg.

  • 2 Personen, die met een kooi worden vervoerd, moeten ieder een plaatsruimte van tenminste 0,2 m2 te hunner beschikking hebben, wanneer zij staande worden vervoerd; worden zij niet staande vervoerd, dan moet deze plaatsruimte tenminste 0,3 m2 bedragen.

Artikel 63 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bediening van een ophaalmachine moet op veilige wijze geschieden door met die taak belaste en daartoe voldoend geïnstrueerde personen.

  • 2 Het is aan personen beneden 21 jaar verboden een ophaalmachine te bedienen.

Artikel 64 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd de voorwaarden, waaronder een vergunning als in artikel 60 bedoeld is verleend, gelden met betrekking tot ophaalinstallaties in schachten en in tussenschachten en andere opbraken de volgende bepalingen:

    • a. bij elke ophaalinstallatie moet een doelmatige seininrichting aanwezig zijn;

    • b. in schachten, in tussenschachten met tussenverdiepingen en in andere opbraken met tussenverdiepingen moet bij elke ophaalinstallatie een doelmatige alarmseininstallatie aanwezig zijn;

    • c. bij elke ophaalinstallatie moet ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden een doelmatige schachthamer of een ander doelmatig communicatiemiddel aanwezig zijn, bij het in werking stellen waarvan de normale seininrichting - echter niet de alarmseininrichting - buiten bedrijf moet worden gesteld;

    • d. wanneer de kooi zich ter hoogte van een verdieping bevindt, mag de ophaalmachine niet in werking worden gesteld, voordat bij de machine het sein daartoe is ontvangen, tenzij door een daartoe bevoegd persoon maatregelen zijn genomen om de veiligheid op andere wijze te verzekeren;

    • e. bij twijfel omtrent de bedoeling van een sein mag de ophaalmachine niet in werking worden gesteld en moet onmiddellijk herhaling van het sein worden gevraagd.

  • 2 In de schachten en tussenschachten moet, wanneer met de kooi meer dan een verdieping kan worden bereikt, naast de in het eerste lid bedoelde seininrichtingen en communicatiemiddelen nog een ander doelmatig communicatiemiddel aanwezig zijn, dat een directe verbinding mogelijk maakt tussen de plaatsen van waaruit kan worden geseind, alsmede tussen de losvloer en de ophaalmachinekamer.

Artikel 65 [Vervallen per 01-01-2003]

Elektrische seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat:

  • a. het sein, met uitzondering van seinen, gegeven met een communicatiemiddel als in artikel 64, eerste lid, onder c, bedoeld, ook op de plaats van afgifte kan worden waargenomen;

  • b. een gelijktijdig seinen met een en dezelfde seininrichting van verschillende verdiepingen af niet mogelijk is;

  • c. op de plaats van ontvangst van een sein geen twijfel kan bestaan omtrent de plaats van afgifte daarvan.

Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2003]

Onze Minister kan met betrekking tot en ten behoeve van de constructie, de uitvoering, het onderhoud en de controle van seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken nadere regelen stellen.

Artikel 67 [Vervallen per 01-01-2003]

Het is verboden seininrichtingen in schachten of tussenschachten in gebruik te nemen zonder vergunning van Onze Minister.

Artikel 68 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd het in de artikelen 64 en 65 bepaalde en onverminderd de voorwaarden, waaronder een vergunning als in artikel 67 bedoeld is verleend, gelden met betrekking tot ophaalinstallaties en seininrichtingen in schachten de volgende bepalingen:

    • a. doelmatige voorzieningen moeten worden getroffen met betrekking tot het begin en het einde van het personenvervoer;

    • b. bij personenvervoer mag de ophaalmachine slechts in beweging kunnen worden gesteld, wanneer alle schachtdeuren van de plaatsen, vanwaar personen worden vervoerd, gesloten zijn;

    • c. de seininrichtingen moeten elektrische seininrichtingen zijn;

    • d. de seinen, welke bij de ophaalmachine aankomen, moeten worden geregistreerd.

  • 2 Onze Minister kan voor schachten, waarin geen regelmatig vervoer plaatsvindt, van het in het eerste lid onder b, c en d bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 69 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De betekenis van de seinen moet in de ophaalmachinekamer, op de losvloer, aan het maaiveld en bij iedere laadplaats zijn aangegeven op duidelijke wijze en leesbaar vanaf de plaats, waar de seinen worden gegeven of ontvangen.

  • 2 Het sein 1 slag betekent uitsluitend: "halt", het sein 2 slagen: "op" en het sein 3 slagen: "neer".

  • 3 De betekenis der overige seinen behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 70 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De bediening van de seininrichting van schachten en tussenschachten moet op veilige wijze geschieden door daartoe bevoegde personen.

  • 2 Bevoegd zijn de seingever en, bij afwezigheid van deze, de toezichthoudende personen, alsmede andere personen, die na voldoende instructie door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming met het bedienen van de seininrichting zijn belast.

  • 3 Het is aan personen beneden 21 jaar verboden een seininrichting van schachten of tussenschachten te bedienen.

  • 4 De in het eerste en het tweede lid bedoelde personen moeten waken tegen onbevoegd gebruik van de seininrichting en zorgen voor handhaving van de hierop betrekking hebbende voorschriften.

Artikel 71 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer een of meer personen zich in de ondergrondse werken bevinden, moet bovengronds nabij de schacht steeds een seingever aanwezig zijn.

  • 2 Gedurende het personenvervoer in een schacht of tussenschacht moet aan de laadplaats, waarheen of vanwaar dit vervoer plaats vindt, een seingever aanwezig zijn.

  • 3 Gedurende het vervoer van personen in een schacht of tussenschacht moet, wanneer er zich bij de personen, die tegelijk in een kooi worden vervoerd, geen bevindt, die tot seinen bevoegd is, aan de laadplaats, waarheen of vanwaar het vervoer plaats vindt, een tot seinen bevoegd persoon aanwezig zijn.

  • 4 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 72 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op ieder mijnwerk moeten een schachtboek en een kabelboek aanwezig zijn.

  • 2 In het schachtboek moeten de uitkomsten van de ingevolge de artikelen 55 en 61 gehouden inspecties en onderzoekingen en voorts van alle door Onze Minister voorgeschreven inspecties worden ingeschreven en ondertekend.

  • 3 Het kabelboek moet voor iedere kabel bevatten de vermelding van:

    • a. de herkomst en de door de fabrikant opgegeven breukbelasting;

    • b. de dikte (bij bandkabels de breedte en de dikte);

    • c. het materiaal, het aantal strengen, het aantal draden in iedere streng buiten de hartdraden en de dikte der draden;

    • d. het gewicht per meter in kilogrammen;

    • e. de datum van het onderzoek der draagkracht vóór de ingebruikstelling;

    • f. de datum van oplegging, van verkorting en van onderzoek der draden;

    • g. de datum van buitenwerkingstelling;

    • h. de reden van buitenwerkingstelling;

    • i. alle bij het gebruik voorgekomen bijzondere gebeurtenissen.

Artikel 73 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Met het toezicht op het vervoer door de schachten, alsmede op het onderhoud van de schachten en van de daarin voor het vervoer aanwezige inrichtingen moeten een of meer opzichters zijn belast.

  • 2 Met het toezicht op het vervoer door tussenschachten en andere opbraken, alsmede op het onderhoud van tussenschachten en andere opbraken en van de daarin voor het vervoer aanwezige inrichtingen moeten een of meer leden van het toezichthoudend personeel zijn belast.

Artikel 74 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden bunkers, kokers of de voor vervoer bestemde afdelingen van schachten of van tussenschachten of andere opbraken te betreden.

  • 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor personen, die in de bunker, koker of afdeling werkzaamheden moeten verrichten, mits deze worden verricht op uitdrukkelijke last van de ter plaatse verantwoordelijke opzichter en onder toepassing van door deze aan te geven doelmatige voorzorgsmaatregelen.

  • 3 Gedurende werkzaamheden in bunkers of kokers dan wel in of onder voor vervoer bestemde afdelingen van schachten en van tussenschachten of andere opbraken, mag in de bunker, koker, schacht, tussenschacht of andere opbraak geen vervoer plaats hebben, tenzij doelmatige maatregelen zijn genomen om de arbeiders tegen in beweging zijnde of vallende voorwerpen te beveiligen.

Artikel 75 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van alle in schachten en tussenschachten bij het vervoer voorgekomen gebeurtenissen, waardoor het normale gebruik van de ophaalinstallatie wordt verhinderd, zomede van ernstige beschadigingen van de ophaalmachine, schachtbetimmeringen, seintoestellen, geleidingen, kabels, kooien en dergelijke, moet onverwijld worden kennis gegeven aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen. De beschadigde delen moeten bewaard blijven tot een bij of krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaar deze heeft vrijgegeven.

  • 2 Van belangrijke gebeurtenissen in andere opbraken dan tussenschachten, zoals het breken van kabels, instortingen, ernstige beschadigingen van ophaalinstallaties of schachtbetimmeringen, alsmede van andere beschadigingen, waardoor de opbraak voor tenminste 2 dagen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik is geraakt of vermoedelijk buiten gebruik zal blijven, moet onverwijld worden kennis gegeven aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op iedere verdieping, waar winning plaats vindt, moeten tenminste twee doelmatige verbindingen met de oppervlakte aanwezig zijn.

  • 2 In de ondergrondse werken moeten op een voldoend aantal doelmatig gekozen plaatsen doelmatige middelen tot communicatie met de oppervlakte aanwezig zijn.

  • 3 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De ondergrondse werken moeten zodanig zijn ingericht en de arbeid moet zodanig worden verricht, dat de arbeiders in de gelegenheid zijn de werkpunten ogenblikkelijk te verlaten en op veilige wijze de hoofdwegen te bereiken.

  • 2 De winningsplaatsen moeten elk twee afzonderlijke vluchtwegen hebben.

  • 3 Op hoekpunten van hoofdsteengangen, afdelingssteengangen en grondgalerijen moeten doelmatige wegwijzers zijn aangebracht.

  • 4 De nummers van de tussenschachten en andere opbraken moeten op de betrokken laad- en losvloeren op voldoend duidelijke wijze zijn vermeld.

  • 5 Onze Minister kan van het in het tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Alle gedeelten van de ondergrondse werken, welke niet voldoen aan de eisen voor het verkeer gesteld, moeten op doelmatige wijze zijn afgesloten; waar dit met het oog op het vervoer niet mogelijk is, moet aan de toegangen op in het oog vallende en duidelijke wijze worden bekend gemaakt, dat het verboden is de plaats te betreden.

  • 2 Het is verboden zonder uitdrukkelijke last van een verantwoordelijke toezichthoudende persoon voor het verkeer afgesloten gedeelten der ondergrondse werken of gedeelten, aan de toegang waarvan een bekendmaking als in het eerste lid bedoeld is aangebracht, te betreden.

  • 3 Het is verboden afsluitingen te openen of bekendmakingen of waarschuwingstekens te verwijderen.

Artikel 79 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Vervoerswegen en voetpaden moeten zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd.

  • 2 De doorsnede van de vervoerswegen moet zodanig zijn, dat het vervoer veilig kan geschieden.

  • 3 Vervoerswegen mogen niet voor verkeer worden gebruikt, tenzij voldoende ruimte voor een veilig verkeer aanwezig is, of - wanneer aan deze eis niet kan worden voldaan - de veiligheid van het verkeer door toepassing van doelmatige middelen op andere wijze is gewaarborgd.

Artikel 80 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wissels en luchtdeuren in vervoerswegen, waar intensief vervoer plaats heeft, en op andere, door Onze Minister aangegeven, plaatsen moeten zodanig zijn ingericht, dat zij op afstand kunnen worden omgelegd onderscheidenlijk geopend. Het omleggen en het openen moeten zodanig kunnen geschieden, dat de bestuurder van een locomotief deze niet behoeft te verlaten.

  • 2 Op afstand bedienbare luchtdeuren mogen niet op andere wijze worden bediend en moeten zodanig zijn ingericht, dat, voordat de luchtdeur wordt geopend, de aandacht hierop wordt gevestigd.

Artikel 81 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij kruisingen en splitsingen van vervoerswegen, bij toegangen en uitgangen van emplacementen en zo nodig in vervoerswegen, waar intensief vervoer plaats vindt, moeten doelmatige veiligheidsmaatregelen worden genomen.

  • 2 Hindernissen in vervoerswegen, zomede werkpunten in de onmiddellijke nabijheid daarvan moeten op doelmatige wijze worden aangeduid.

  • 3 Bij kruisingen en splitsingen van vervoerswegen dan wel van vervoerswegen en voetpaden moeten voldoende maatregelen worden genomen om veilig vervoer en verkeer te waarborgen.

Artikel 82 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer een voetpad zo steil helt, dat het verkeer daarover moeilijk of gevaarlijk is, moeten doelmatige voorzieningen worden getroffen, zodat het verkeer veilig kan geschieden. Helt een voetpad meer dan 45°, dan moeten op doelmatige wijze veilige ladders en rustvloeren zijn aangebracht.

  • 2 Wanneer naast of op een voetpad als in het eerste lid bedoeld ook vervoer plaats vindt, moeten met het oog daarop ten aanzien van het verkeer doelmatige veiligheidsmaatregelen worden genomen.

Artikel 83 [Vervallen per 01-01-2003]

In pijlers moet een doelmatig voetpad aanwezig zijn.

Artikel 84 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden de voor vervoer bestemde afdeling van een hellende galerij of van een hellende steengang, waarin discontinuvervoer plaats heeft, te betreden.

  • 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor personen, die in de afdeling werkzaamheden moeten verrichten, indien voldoende maatregelen te hunner beveiliging zijn genomen.

  • 3 Onze Minister kan ten behoeve van het verkeer van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 85 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Spoor-, rail- en kabelbanen, lier- en andere transportinrichtingen, niet zijnde ophaalinrichtingen, met alles wat daartoe behoort, en het rollend materieel moeten zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd.

  • 2 Doelmatige maatregelen moeten worden genomen tegen de gevaren, welke hun gebruik kan opleveren.

Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het personenvervoer per trein mag uitsluitend geschieden met doelmatig, speciaal voor dat doel, ingerichte wagens.

  • 2 In vervoerswegen, waar een rijdraadnet aanwezig is en waar de rijdraad tijdens het vervoer onder spanning staat, moeten deze wagens overdekt zijn.

  • 3 Het vervoer van personen kan plaats hebben met goederentreinen; Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

Artikel 87 [Vervallen per 01-01-2003]

Personenvervoer en vervoer van personen zijn uitsluitend toegestaan, indien Onze Minister voor de transportinrichting of het transportmiddel, waarmede en, voor zover betreft personenvervoer, voor het traject, waarop dit vervoer zal plaats hebben, vergunning daartoe heeft verleend.

Artikel 88 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Locomotieven en andere voertuigen met eigen drijfkracht moeten voldoen aan door Onze Minister te stellen eisen inzake veiligheid en doelmatigheid.

  • 2 Het is verboden andere locomotieven en andere voertuigen met eigen drijfkracht te gebruiken dan die, welke door Onze Minister, op grond van het voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen, zijn goedgekeurd.

Artikel 89 [Vervallen per 01-01-2003]

Het vervoer met behulp van locomotieven en andere voertuigen met stroomafnemers is verboden, tenzij Onze Minister daartoe vergunning heeft verleend. Een vergunning wordt uitsluitend verleend voor een bepaald traject.

Artikel 90 [Vervallen per 01-01-2003]

Bij mechanisch vervoer mag de aandrijfinrichting niet worden ingeschakeld of de vervoersinrichting niet in beweging worden gesteld dan nadat voldoende maatregelen zijn getroffen, die gevaar voor personen als gevolg van dat inschakelen onderscheidenlijk in beweging stellen voorkomen.

Artikel 91 [Vervallen per 01-01-2003]

Het vervoer moet worden gestaakt, zodra aan de vervoersinrichting of de vervoersweg gebreken, die gevaar voor personen kunnen veroorzaken, worden bemerkt.

Artikel 92 [Vervallen per 01-01-2003]

De bediening van inrichtingen van vervoer moet op veilige wijze geschieden door deskundige en daartoe voldoend geïnstrueerde personen.

Artikel 93 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Doelmatige instructies moeten worden uitgevaardigd ter verzekering van een veilig vervoer.

  • 2 Met betrekking tot het railvervoer moet een reglement worden vastgesteld, dat moet worden goedgekeurd door Onze Minister. De in het eerste lid bedoelde instructies moeten, voor zover zij op dat vervoer betrekking hebben en van blijvende aard zijn, in dat reglement worden opgenomen.

Artikel 94 [Vervallen per 01-01-2003]

Onverminderd het in artikel 75 bepaalde, moet van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 95 [Vervallen per 01-01-2003]

Het vervoer van materieel met behulp van handkracht moet op veilige wijze geschieden.

Artikel 96 [Vervallen per 01-01-2003]

Het gebruik van trekdieren in de ondergrondse werken is toegestaan; Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

Hoofdstuk IV. Verlichting [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Bovengrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 97 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ter plaatse waar arbeid wordt verricht moet een verlichting aanwezig zijn, welke voor deze arbeid voldoende en doelmatig is. Er moet, voor zover mogelijk, voldoende daglicht kunnen binnenkomen en er dienen, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden, de nodige voorzieningen voor een adequate kunstverlichting aanwezig te zijn om de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders te beschermen. De verlichtingsinstallaties in werkruimten en verbindingswegen moeten zodanig zijn aangebracht dat de verlichting geen ongevallenrisico’s voor de arbeiders oplevert.

  • 2 Portalen, gangen, trappen en andere toegangswegen, was-, bad- en kleedgelegenheden, magazijnen, bergplaatsen en terreinen moeten op tijden, dat arbeiders, die niet uitsluitend belast zijn met bewaking, daarvan gebruik moeten maken, voor dat gebruik voldoende en doelmatig zijn verlicht.

  • 3 In wacht- en schaftlokalen, alsmede in loonhallen moet een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn.

  • 4 Privaten en urinoirs moeten zodanig zijn verlicht, dat zij behoorlijk zijn te gebruiken en dat goed kan worden waargenomen of zij in zindelijke staat verkeren.

  • 5 Arbeidsplaatsen waar arbeiders bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico’s zijn blootgesteld, moeten met een doelmatige en voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust.

  • 6 Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt niet ten aanzien van mijnbouwinstallaties.

Artikel 97a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Verlichtingsinstallaties moeten zodanig ontworpen zijn dat operationele bedieningsruimten, vluchtwegen, inschepingszones en gevaarlijke zones verlicht blijven.

  • 2 Wanneer arbeidsplaatsen slechts bij gelegenheid bemand zijn, geldt hetgeen in het eerste lid is voorgeschreven slechts voor de duur van de aanwezigheid van de arbeiders.

Afdeling 2. Bijzondere bepaling voor bovengrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2003]

Op de losvloer aan de schachtmond moet, voor zover de toegang tot de plaats niet is afgesloten, een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn.

Afdeling 3. Bijzondere bepaling voor mijnbouwinstallaties [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 98a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, was-, bad- en kleedgelegenheden, magazijnen, bergplaatsen, inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een mijnbouwinstallatie moeten op tijden, dat personen daarvan gebruik moeten maken, voor dat gebruik voldoende en doelmatig zijn verlicht.

  • 2 Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, zomede inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een bemande mijnbouwinstallatie moeten voortdurend voldoende en doelmatig zijn verlicht.

  • 3 In recreatie-, schaft- en slaapverblijven op een mijnbouwinstallatie moet een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn.

§ 2. Ondergrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 99 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De zich in de nabijheid van een schacht bevindende hoofdschakelruimten voor hoge spanning, machinekamers, locomotiefloodsen en magazijnen, de los- en laadplaatsen van schachten en tussenschachten, de steengangen en hellingen, voor zover daarin intensief verkeer en vervoer plaats heeft, en de mechanische pijlers moeten voldoende en doelmatig zijn verlicht.

  • 2 Andere tot de ondergrondse werken behorende ruimten of plaatsen moeten, voor zover zij door Onze Minister daartoe zijn aangewezen, voldoende en doelmatig zijn verlicht.

  • 3 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 100 [Vervallen per 01-01-2003]

Locomotieven en andere, door Onze Minister aangewezen, voertuigen moeten van een doelmatige verlichting zijn voorzien.

Artikel 101 [Vervallen per 01-01-2003]

Als lampen ten behoeve van individuele verlichting mogen alleen worden gebruikt lampen, welke voldoen aan door Onze Minister daarvoor te stellen eisen inzake veiligheid en doelmatigheid.

Artikel 102 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden zonder lamp als in artikel 101 bedoeld in de ondergrondse werken af te dalen of aldaar te verblijven.

  • 2 Onze Minister kan voor bepaalde mijnwerken of gedeelten van zodanige werken van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 103 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op ieder mijnwerk moet een aantal lampen als in artikel 101 bedoeld aanwezig zijn, dat tenminste gelijk is aan het totale aantal voor ondergronds ingeschreven personen.

  • 2 Een voldoende aantal zodanige lampen moet bovendien op doelmatig gelegen plaatsen steeds voor onmiddellijk gebruik als reservelampen gereed worden gehouden.

Artikel 104 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op de bovengrondse werken moeten doelmatig ingerichte lokalen voor het bewaren en onderhouden van de draagbare lampen aanwezig zijn.

  • 2 Met de leiding van de werkzaamheden in de lokalen moet een voldoend bekwaam en betrouwbaar persoon zijn belast.

  • 3 Met het uitgeven en in ontvangst nemen van en de controle op de lampen moet tenminste één speciaal daartoe aangewezen voldoend bekwaam persoon zijn belast, met dien verstande dat bij zelfbediening voldoende maatregelen moeten zijn genomen om een ordelijk uit de rekken nemen en daarin terugplaatsen van de lampen te verzekeren.

  • 4 Voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat alleen deugdelijke lampen voor gebruik beschikbaar zijn.

  • 5 De lampen moeten door de gebruikers in persoon worden afgehaald, zodanig dat steeds kan worden nagegaan aan wie een bepaalde lamp ter beschikking is gesteld. De lampen moeten door de gebruikers in persoon worden ingeleverd. Dezen moeten zich bij het in ontvangst nemen van een lamp ervan overtuigen, of de lamp in onbeschadigde toestand verkeert en goed gesloten is; beschadigde of niet goed gesloten lampen moeten terstond worden ingeleverd.

Artikel 105 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Lampen mogen alleen bovengronds en slechts door bevoegde personen worden geopend.

  • 2 In de ondergrondse werken aanwezige open of defect geraakte lampen moeten zo spoedig mogelijk op veilige wijze daaruit worden verwijderd.

  • 3 Het is verboden gereedschappen tot het openen van lampen in de ondergrondse werken mede te voeren of bij zich te hebben.

Hoofdstuk V. Werktuigen, gereedschappen, leidingen en toestellen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 106 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij de keuze, de installatie, de ingebruikneming, de werking en het onderhoud van werktuigen, werktuigdelen, drijfwerken, gereedschappen, leidingen, ketels, reservoirs en andere toestellen moet rekening gehouden worden met de veiligheid en gezondheid van de arbeiders.

  • 2 Wanneer de apparatuur zich bevindt in een zone waar brand- of explosiegevaar als gevolg van de ontbranding van gassen, dampen of vluchtige vloeistoffen bestaat of kan bestaan, moet zij aangepast zijn aan gebruik in een dergelijke zone. Indien nodig moet zij worden voorzien van afdoende beschermingsmiddelen en systemen ter beveiliging bij defecten.

  • 3 De mechanische apparatuur en installaties moeten de nodige sterkte bezitten, vrij zijn van zichtbare gebreken en geschikt zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd.

  • 4 Er moet een doelmatig plan worden opgesteld voor het systematisch inspecteren, het onderhouden en, in voorkomend geval, het beproeven van de apparatuur en installaties. Onderhoud, inspectie en beproeving van enig onderdeel van de apparatuur en installaties moet door een daartoe aangewezen deskundig persoon worden uitgevoerd. Er moeten doelmatige inspectie- en beproevingsrapporten worden opgesteld en naar behoren worden bijgehouden.

Artikel 107 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Werktuigen en drijfwerken moeten zodanig zijn ingericht, opgesteld en beschut en zodanig worden gebruikt, dat het gevaar, hetwelk zij kunnen opleveren, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2 Werktuigen, waarvan de onderdelen door snijden, knellen of pletten, door hun grote snelheid of op andere wijze gevaar kunnen opleveren, of bij het gebruik waarvan gevaar bestaat voor het afvliegen van vonken, splinters, schilfers of dergelijke kleine delen, moeten zijn voorzien van zodanige toestellen of beschuttingen, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo nodig moeten doelmatige hulp- en beschuttingsmiddelen beschikbaar zijn, welke bij het verrichten van werkzaamheden, waarvoor deze middelen bestemd zijn, op doelmatige wijze moeten worden gebruikt.

  • 3 De gevaar veroorzakende delen van een werkstuk, dat ter bewerking door een werktuig in beweging wordt gehouden, moeten zo nodig en zo mogelijk doelmatig zijn beschut.

  • 4 Ter verzekering van het veilig tornen en op gang brengen en het onverwijld en met zekerheid stilzetten van werktuigen en drijfwerken en ter voorkoming van overschrijding van veilige snelheden daarvan, moeten zo nodig doelmatige inrichtingen zijn aangebracht en worden gebruikt, waarschuwingstekens of -seinen worden gegeven en alle verder nodige maatregelen worden genomen om gevaar zoveel mogelijk te voorkomen.

  • 5 Indien het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van een in beweging zijnd deel van een werktuig of drijfwerk gevaar kan opleveren, moeten zij bij stilstand daarvan worden verricht. In geval de aard van het bedrijf dit niet toelaat, mogen de werkzaamheden slechts worden verricht met gebruikmaking van zodanige hulpmiddelen en onder toepassing van zodanige veiligheidsmaatregelen, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 108 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een hijs- of hefwerktuig moet zodanig zijn ingericht, opgesteld, beveiligd en zo nodig verankerd of vastgezet, dat het gevaar van een onverwacht in beweging komen, kantelen, beschadigen en dergelijke zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2 Een hijs- of hefwerktuig moet zijn voorzien van een doelmatige inrichting, waardoor het dalen van de last te allen tijde kan worden stopgezet, zo nodig de snelheid van het dalen kan worden geregeld en onverhoeds dalen van de last wordt belet.

  • 3 Een met een hijs- of hefwerktuig te verplaatsen last mag niet zwaarder zijn dan een veilig gebruik van dat werktuig toelaat. Met betrekking tot de werkbelasting moet rekening worden gehouden met de omstandigheden, waaronder een hijs- of hefwerktuig wordt gebruikt; zij moet op een doelmatige plaats onuitwisbaar en duidelijk leesbaar zijn aangegeven.

Artikel 109 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd het elders in dit reglement met betrekking tot ophaalinstallaties bepaalde, moet een door een krachtwerktuig gedreven hijs- of hefwerktuig, voordat het in gebruik wordt genomen, aan een deskundig onderzoek worden onderworpen. Zodanig onderzoek moet regelmatig worden herhaald.

  • 2 De bij elk onderzoek verkregen gegevens moeten op doelmatige wijze schriftelijk worden vastgelegd en bewaard.

  • 3 Onze Minister kan tijdstippen bepalen, waarop het herhaalde onderzoek moet plaats vinden. Hij kan voorts bepalen, dat door hem aangewezen hijs- of hefwerktuigen van dit onderzoek zijn uitgezonderd.

Artikel 109a [Vervallen per 01-01-2003]

De bediening van een hijs- of hefwerktuig moet door voldoende deskundig personeel geschieden.

Artikel 110 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een lift, met alles wat daartoe behoort, moet op doelmatige wijze zijn beschut en zodanig zijn ingericht en beveiligd, dat het gevaar, dat personen vallen of bekneld geraken of geraakt worden door vallende voorwerpen, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2 Met betrekking tot:

    • a. het vervoeren van personen en goederen met een lift,

    • b. het maximaal in een liftkooi toelaatbare aantal personen en toelaatbaar gewicht aan goederen,

    • c. het plaatsen en vastzetten van een last op de vloer van een liftkooi en

    • d. het gebruik van goederenliften door personen, moeten zodanig doelmatige voorzieningen zijn getroffen, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 110a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In dit artikel wordt onder «lift» en «veiligheidscomponenten» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit liften.

  • 2 De artikelen 106 tot en met 110, 111, 112 en 116 zijn niet van toepassing op liften en veiligheidscomponenten waarop het Besluit liften van toepassing is voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van liften of veiligheidscomponenten of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit liften.

Artikel 111 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Kettingwerk, staaldraadkabels en touwen moeten voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. Zij moeten zodanig worden gebruikt, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2 Het inkorten en verlengen van kettingwerk, staaldraadkabels en touwen, zomede het bevestigen daarvan aan een hefwerktuig, last of ander voorwerp moeten op deugdelijke wijze geschieden.

Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Stookinrichtingen, stoomketels, vaten en dergelijke, waarin zich gassen, dampen of vloeistoffen bevinden of kunnen bevinden, moeten zodanig zijn ingericht, opgesteld en beschut en zodanig worden gebruikt, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2 Installaties, toestellen en leidingen, waarin zich vloeistoffen of gassen bevinden, moeten zodanig zijn ingericht, aangegelegd en beschut en zodanig worden gebruikt, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 112a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 2 De artikelen 106 en 112 zijn niet van toepassing op drukvaten voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van drukvaten of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit drukvaten van eenvoudige vorm.

Artikel 112b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In dit artikel wordt onder «drukapparatuur», «samenstellen» en «druksystemen» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit drukapparatuur.

  • 2 De artikelen 106 en 112 zijn niet van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen, voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze, de eigenschappen en de ingebruikneming van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit drukapparatuur.

Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2003]

Het bij de arbeid tijdelijk buiten werking stellen of terzijde leggen van werktuigen, gereedschappen of andere voorwerpen moet zodanig geschieden, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. In het bijzonder moeten zo nodig maatregelen worden genomen tegen een onverwacht weer op gang komen van door een krachtwerktuig aangedreven werktuigen.

Artikel 113a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In dit artikel wordt onder "machine" en "veiligheidscomponent" verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit machines.

  • 2 De artikelen 106 tot en met 110 en 112 zijn niet van toepassing op machines en veiligheidscomponenten voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van machines of veiligheidscomponenten of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit machines.

Artikel 113b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 2 De artikelen 106 tot en met 110, 112, 114 en 116 zijn niet van toepassing op explosieveilig materieel voor zover deze bepalingen eisen stellen met betrekking tot het ontwerp, de vervaardigingswijze of de eigenschappen van explosieveilig materieel of daarop aangebrachte vermeldingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit explosieveilig materieel.

Artikel 113c [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In dit artikel wordt onder «apparaat» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet op de telecommunicatievoorzieningen.

  • 2 De artikelen 106 tot en met 110, 112, 114 en 116 zijn niet van toepassing op apparaten voorzover deze bepalingen eisen stellen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit van apparaten.

Hoofdstuk VI. Elektrische installaties en elektrisch materieel [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Elektrische installaties en onderdelen daarvan moeten zodanig worden ingericht en aangelegd en elektrische machines, transformatoren, schakel- en verdeelinrichtingen, zomede elektrische toestellen en elektrische leidingen en bijbehoren van deze leidingen moeten zodanig worden geconstrueerd, samengesteld, beveiligd en beschermd, dat zoveel mogelijk wordt voorkomen, dat bij gebruik of bediening, alsmede bij herstellings-, onderhouds-, onderzoekings-, meet- of controlewerkzaamheden gevaar, met inbegrip van gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van arbeiders, optreedt.

  • 2 Bij het aanleggen, uitbreiden, wijzigen, herstellen, onderhouden, onderzoeken, meten en controleren van elektrische installaties of onderdelen daarvan moeten de nodige voorzieningen worden getroffen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat gevaar voor het ontstaan van brand of ontploffing of voor verwonding van personen optreedt, of dat een gevaarlijke stroomovergang op personen plaats heeft.

  • 3 Wanneer de apparatuur zich bevindt in een zone waar brand- of explosiegevaar als gevolg van de ontbranding van gassen, dampen of vluchtige vloeistoffen bestaat of kan bestaan, moet zij zijn aangepast aan het gebruik in een dergelijke zone. Indien nodig moet zij worden voorzien van afdoende beschermingsmiddelen en systemen ter beveiliging bij defecten.

  • 4 De elektrotechnische apparatuur en installaties moeten voldoende kracht en vermogen hebben voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd.

  • 5 Er moet een doelmatig plan worden opgesteld voor het systematisch inspecteren, het onderhouden en, in voorkomend geval, het beproeven van de apparatuur en installaties. Onderhoud, inspectie en beproeving van enig onderdeel van de apparatuur en installaties moet door een daartoe aangewezen deskundig persoon worden uitgevoerd. Er moeten doelmatige inspectie- en beproevingsrapporten worden opgesteld en naar behoren worden bijgehouden.

  • 6 Onze Minister kan ter bevordering van een goede uitvoering van het in de voorgaande leden bepaalde nadere regelen stellen.

Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2003]

Naar gelang van de aard en de mate van het ontploffingsgevaar kan Onze Minister de boven- en ondergrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen of delen van die werken en onderzoekingen indelen in gevarenklassen.

Artikel 116 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onze Minister kan in het belang van het voorkomen van het optreden van ontploffingsgevaar bepalen, dat in of op een mijnwerk, op een boorwerk of in of op een deel van zodanig werk aanwezige of bij een mijnbouwkundig onderzoek of bij een deel daarvan gebruikte elektrische machines, transformatoren, schakel- en verdeelinrichtingen, elektrische toestellen of elektrische leidingen en bijbehoren van deze leidingen, in verband met de indeling krachtens artikel 115 van dat werk, dat onderzoek of dat deel daarvan in een bepaalde gevarenklasse, moeten zijn voorzien van een geldig, in overeenstemming met hem vastgesteld, merkteken, ten bewijze van de afgifte van een certificaat van goedkeuring.

  • 2 Het certificaat van goedkeuring moet zijn afgegeven door een daartoe door Onze Minister aangewezen instelling of onderneming. Het certificaat moet inhouden, dat het betrokken materieel, blijkens een door de afgever verrichte keuring, ten tijde van de afgifte voldeed aan het bij en krachtens artikel 114 bepaalde.

  • 3 Bij een aanwijzing krachtens het tweede lid kunnen voorwaarden worden gesteld; zij kan te allen tijde worden ingetrokken of gewijzigd.

  • 4 Onze Minister kan merktekens en certificaten, die in het buitenland op elektrisch materieel zijn aangebracht onderscheidenlijk daarvoor zijn afgegeven, met de krachtens het eerste lid vastgestelde merktekens en de krachtens het tweede lid afgegeven certificaten gelijkstellen.

  • 5 In door Onze Minister aangewezen gevallen kan worden volstaan met keuring van een of meer het type materieel kenmerkende monsters. Ten aanzien van het monster is alsdan het in het tweede lid bepaalde van overeenkomstige toepassing. Het krachtens het eerste lid vastgestelde merkteken mag op elektrisch materieel, dat geheel overeenkomstig het monster, waarvoor een certificaat is afgegeven, is vervaardigd, zonder nadere keuring worden aangebracht.

  • 6 Onze Minister kan ter bevordering van een goede uitvoering van het in de voorgaande leden bepaalde nadere regelen stellen.

Artikel 117 [Vervallen per 01-01-2003]

Op verlangen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen moet een certificaat van goedkeuring voor elektrisch materieel aan deze worden overgelegd.

§ 2. Ondergrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 118 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor het in de ondergrondse werken aanleggen, uitbreiden of wijzigen van elektrische installaties, waarvan de nominale spanning een door Onze Minister te bepalen grens overschrijdt, is een vergunning van deze vereist.

  • 2 Bij de aanvraag om vergunning wordt een door Onze Minister te bepalen aantal exemplaren van een doelmatig schema overgelegd, volgens hetwelk de installatie zal worden aangelegd, uitgebreid of gewijzigd.

  • 3 Wanneer elektrische installaties in de ondergrondse werken worden aangelegd, uitgebreid of gewijzigd, zonder dat daarvoor een vergunning als in het eerste lid bedoeld is vereist, moet, indien Onze Minister zulks verlangt, een door hem bepaald aantal exemplaren van een voldoende uitgewerkt schema aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden overgelegd.

Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2003]

Uiterlijk op 1 maart van ieder kalenderjaar moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een door Onze Minister te bepalen aantal exemplaren worden overgelegd van een voldoende uitgewerkt schema van het geheel van die elektrische installaties in de tot ieder mijnwerk behorende ondergrondse werken, waarvan de nominale spanningen de krachtens artikel 118, eerste lid, bepaalde grens overschrijden. Het schema moet de toestand op enig tijdstip tussen 15 en 31 december van het voorafgaande kalenderjaar weergeven.

Artikel 120 [Vervallen per 01-01-2003]

Onze Minister kan, wanneer in de ondergrondse werken plaatselijk gevaar bestaat voor het vrijkomen van grote hoeveelheden mijngas of kolenstof, het gebruik van elektriciteit daar ter plaatse verbieden of beperken.

Hoofdstuk VII. Karteringen en metingen [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Karteringen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 121 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij een onderneming, waartoe een mijnwerk voor de ontginning van steenkolen behoort, moeten aanwezig zijn:

    • a. kaarten van de oppervlakte, al dan niet op doorzichtig materiaal getekend, waarop de ligging van het mijnveld met de daarbinnen gelegen gebouwen en andere opstallen, spoor-, land- en waterwegen, hoofdtransportleidingen en andere belangrijke objecten ten genoegen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen zijn aangegeven, benevens alle binnen het mijnveld gelegen vaste meetpunten, alsmede de bovengrondse boringen en de mijnwerkgrenzen;

    • b. een hoofdgrondplan, waarop van alle in ontginning zijnde of geweest zijnde lagen zijn aangegeven alle grondgalerijen en horizontaal steenwerk op de verschillende verdiepingen, de schachten, de tussenschachten en andere opbraken, veiligheidspijlers, grensmuren en muren met de coördinaten van de daarbij behorende grenspunten, en voorts alles wat verder met het oog op de veiligheid van belang kan worden geacht;

    • c. een laagplan, waarop van elke in ontginning zijnde of geweest zijnde laag zijn aangegeven de daarop betrekking hebbende werken, de boringen naar het dekterrein, de grens van het mijnwerk en de veiligheidspijlers, en waarop mede zijn aangegeven de ontginningswerken in het aangrenzende mijnwerk, die op dezelfde laag betrekking hebben, voor zover zij zijn gelegen binnen een afstand van 100 meter van de gemeenschappelijke grens van de betrokken mijnwerken;

    • d. een kaart van de oppervlakte van het carboon, waarop alle boringen naar het dekterrein op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven;

    • e. een hoofddoorsnede van het geheel der ondergrondse werken, genomen loodrecht op de gemiddelde richting der lagen en zo mogelijk door de as der hoofdschacht, alsmede een voldoende aantal hulpdoorsneden;

    • f. een verzameling van de profielen van alle ondergronds uitgevoerde geologische boringen.

  • 2 Op een hoofdgrondplan moet de ligging van de in het eerste lid onder e bedoelde doorsneden op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven.

  • 3 Op een hoofdgrondplan mag maximaal een door Onze Minister te bepalen aantal verdiepingen worden aangegeven.

    Hij kan voorschrijven, dat door hem aangewezen gegevens als in het eerste lid onder b bedoeld, niet op dit plan, maar op een of meer van de in dat lid onder c bedoelde plannen worden vermeld.

  • 4 Indien twee mijnvelden aan elkander grenzen, zijn de bestuurders van de betrokken mijnondernemingen verplicht elkander halfjaarlijks voldoend duidelijke gegevens te verstrekken inzake hun ontginningswerken binnen een afstand van 100 meter van de gemeenschappelijke grens.

  • 5 Indien Onze Minister zulks verlangt, moeten aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen doorsneden van opbraken en steengangen worden verstrekt.

Artikel 122 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij een onderneming, waartoe een boorwerk voor de ontginning van bitumina behoort, moeten aanwezig zijn:

    • a. kaarten van de oppervlakte als in artikel 121, eerste lid, onder a, bedoeld;

    • b. doelmatige profielen van elke diepboring.

  • 2 Het in het eerste lid onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing op een onderneming, waartoe een boorwerk voor de opsporing van bitumina behoort.

Artikel 123 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij een onderneming, waartoe een boorwerk voor de ontginning van steenzout of de winning van zout uit zouthoudend bodemwater behoort, moeten aanwezig zijn:

    • a. kaarten van de oppervlakte als in artikel 121, eerste lid, onder a, bedoeld, waarop de winplaatsen voor water zijn aangegeven;

    • b. doelmatige profielen van elke diepboring.

  • 2 Het in het eerste lid onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing op een onderneming, waartoe een boorwerk voor de opsporing van steenzout of zouthoudend bodemwater behoort.

Artikel 124 [Vervallen per 01-01-2003]

Bij een onderneming, waartoe een mijnwerk voor de ontginning van bruinkolen behoort, moeten aanwezig zijn:

  • a. kaarten van de oppervlakte als in artikel 121, eerste lid, onder a, bedoeld;

  • b. een laagplan, aangevende de begrenzing van de plaats gehad hebbende en de stand van de aan de gang zijnde ontginningswerken, welk plan moet zijn aangevuld met doorsneden, waarvan de ligging is vastgesteld in overleg met de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 125 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Kaarten, plannen en doorsneden moeten op materiaal van duurzame kwaliteit worden vervaardigd. De schaal en de ter verduidelijking op die bescheiden aan te brengen gegevens worden door Onze Minister in overleg met de bestuurders van de betrokken mijnonderneming vastgesteld.

  • 2 Op de in de artikelen 121-124 bedoelde kaarten en plannen moeten, voor zover zij hiervoor in aanmerking komen, evenwijdig met de zijden, coördinatenlijnen worden aangebracht, waarvan de onderlinge afstand een afstand van 100 meter of een veelvoud van 100 meter voorstelt.

Artikel 126 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op de plannen moet aan alle galerijen op één verdieping en aan de ontginningswerken, gelegen boven en behorende tot deze verdieping, een kleur worden gegeven, welke duidelijk verschilt van de kleuren van de aangrenzende verdiepingen.

  • 2 Op de in artikel 121 bedoelde kaarten en plannen moet, voor zover zij betrekking hebben op de ondergrondse werken, de hoogteligging dezer werken ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil duidelijk en voldoende nauwkeurig worden aangegeven. De ligging van het oppervlak van het carboon moet zo nauwkeurig mogelijk worden aangegeven.

  • 3 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 127 [Vervallen per 01-01-2003]

De ontgonnen gedeelten moeten ten genoegen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen op de plannen worden aangegeven, waarbij de data van de metingen moeten worden vermeld.

Artikel 128 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onze Minister bepaalt welke van de in de artikelen 121-124 bedoelde kaarten, plannen, doorsneden en profielen in duplo moeten worden vervaardigd; één exemplaar van deze in duplo vervaardigde bescheiden moet berusten bij het Staatstoezicht op de Mijnen.

  • 2 De kaarten, plannen, doorsneden en profielen, welke bij het Staatstoezicht op de Mijnen berusten, moeten elke 6 maanden door de zorg van de bestuurders worden bijgewerkt. Onze Minister kan in bijzondere gevallen een kortere termijn vaststellen. Het bijwerken mag niet langer duren dan één maand.

  • 3 In geval bij het Staatstoezicht op de Mijnen berustende kaarten, plannen, doorsneden of profielen geheel of gedeeltelijk door nieuwe worden vervangen, blijven de vervangen exemplaren bij die dienst berusten.

  • 4 In geval een mijnwerk of een boorwerk wordt verlaten, moeten de door Onze Minister aan te wijzen kaarten, plannen, doorsneden en profielen, voor zover de bescheiden voor de betrokken mijnonderneming niet meer van belang zijn, aan het Staatstoezicht op de Mijnen worden toegezonden. Zij worden in het archief opgelegd.

Artikel 129 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het vervaardigen en bijwerken van kaarten, plannen, doorsneden en profielen dient met voldoende nauwkeurigheid te geschieden door of vanwege een daartoe door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming aangewezen mijnmeter, of, voor zover het betreft de ontginning van bruinkolen dan wel de opsporing of ontginning van bitumina of zout, door of vanwege een terzake deskundig persoon.

  • 2 De aldus vervaardigde of bijgewerkte bescheiden moeten door de betrokken mijnmeter of de betrokken deskundige persoon, zomede door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming zijn ondertekend en door de Inspecteur-Generaal der Mijnen zijn gewaarmerkt. Deze laatste is bevoegd ook andere kaarten en plannen te waarmerken.

  • 3 Een mijnmeter of een deskundig persoon als in het eerste lid bedoeld is verplicht alle hem bij de uitoefening van zijn taak gebleken misstanden onmiddellijk ter kennis van de bestuurders van de betrokken mijnonderneming te brengen en deze kennisgeving schriftelijk te bevestigen.

Artikel 130 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer Onze Minister in kaarten, plannen, doorsneden of profielen onnauwkeurigheden, fouten of nalatigheden heeft aangetroffen, moeten de door hem aangegeven veranderingen en aanvullingen binnen een door hem vastgestelde termijn worden aangebracht.

Artikel 131 [Vervallen per 01-01-2003]

Op ondernemingen, waartoe behoort een mijn- of boorwerk voor de ontginning van andere dan de in de artikelen 121-124 genoemde delfstoffen, zijn de artikelen 121-130, naar gelang van de wijze van ontginning van de betrokken delfstof, van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Metingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 132 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ten dienste van het vervaardigen en bijwerken van kaarten, plannen, doorsneden en profielen als in de vorige paragraaf bedoeld moeten voldoende opmetingen worden verricht.

  • 2 Regelmatig moet een voldoende aantal waterpassingen en lengtemetingen worden uitgevoerd.

Artikel 133 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Alle metingen moeten met voldoende nauwkeurigheid worden uitgevoerd en voor zover mogelijk worden aangepast aan het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting.

  • 2 Met de mogelijkheid van onnauwkeurigheid bij metingen moet in de nabijheid van de grens van het mijnveld en van de dekterreingrens voldoende rekening worden gehouden.

  • 3 Wanneer de ontginning een plaats is genaderd, welke onaangetast moet blijven, moeten de ontginningswerken met voldoende frequentie worden opgemeten.

  • 4 Zodra blijkt, dat, anders dan op grond van een krachtens artikel 37, tweede lid, of artikel 38, derde lid, verleende ontheffing, de bij artikel 37, eerste lid, bepaalde afstand van het dekterrein is overschreden of de bij of krachtens artikel 38, eerste of tweede lid, bepaalde grensmuur of muur is aangetast, moet daarvan onverwijld schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 134 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De gegevens van de opmetingen, die voor de vervaardiging van kaarten, plannen, doorsneden en profielen hebben gediend, de gegevens betreffende bovengrondse waterpassingen en lengtemetingen, benevens die gegevens, welke nodig zijn om te allen tijde de stand van de ontginningswerken te kunnen reconstrueren, moeten in registers worden vermeld.

  • 2 De Inspecteur-Generaal der Mijnen is bevoegd meetregisters te waarmerken.

  • 3 De artikelen 128, vierde lid, en 130 zijn van overeenkomstige toepassing op meetregisters en in verband met opmetingen gemaakte berekeningen.

Artikel 135 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden geplaatste meettekens te beschadigen. Verplaatsen of verwijderen van meettekens mag alleen geschieden met voorkennis van de ter plaatse verantwoordelijke, overeenkomstig artikel 8, tweede lid, met toezicht belaste mijnmeter onderscheidenlijk van de bij de plaatsing van die tekens betrokken, krachtens artikel 129, eerste lid, aangewezen persoon.

  • 2 In geval een opmeting vanwege de Inspecteur-Generaal der Mijnen wordt verricht, zijn de bestuurders van de betrokken mijnonderneming verplicht de nodige hulp te verschaffen.

Hoofdstuk VIII. Het verlaten van werken, inrichtingen en terreinen [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 136 [Vervallen per 01-01-2003]

Het is verboden een mijnwerk, een boorwerk of een terrein, waar een mijnbouwkundig onderzoek werd of wordt verricht, te verlaten, voordat voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

§ 2. Boorwerken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 137 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Alvorens een bij een diepboring behorend boorgat wordt verlaten, moeten de delfstofhoudende lagen en de delfstofafzettingen, voor zover daaraan door water schade kan worden toegebracht, waterdicht zijn afgesloten; de plaats van een dergelijk boorgat moet aan de hand van de krachtens artikel 128, vierde lid, of 134, derde lid, aangewezen bescheiden kunnen worden nagegaan.

  • 2 Van het verlaten van een boorgat als in het eerste lid bedoeld moet binnen 14 dagen schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 137a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie te verwijderen moet tenminste 24 uur voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen mededeling worden gedaan:

    • a. aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen;

    • b. indien de mijnbouwinstallatie is geplaatst op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie.

  • 2 Van het voornemen om een door Onze Minister aangewezen, niet als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie te verwijderen moet bovendien tenminste een bij de aanwijzing te bepalen aantal dagen voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen mededeling worden gedaan:

    • a. indien de mijnbouwinstallatie is geplaatst op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld, aan de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting;

    • b. indien de mijnbouwinstallatie is geplaatst op of boven de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder b, bedoeld, aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.

  • 3 Bij een mededeling als in het eerste of tweede lid bedoeld moeten worden opgegeven de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie is geplaatst, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, en het tijdstip, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.

  • 4 Zodra een mijnbouwinstallatie is verwijderd, moet daarvan onverwijld schriftelijk mededeling worden gedaan aan degene, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan. Bij deze mededeling moet worden opgegeven de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie was geplaatst, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting.

Artikel 137b [Vervallen per 01-01-2003]

Bij het verwijderen van een mijnbouwinstallatie moeten voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

§ 3. Ondergrondse werken [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 138 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer de ondergrondse werken in hun geheel of een belangrijk gedeelte daarvan voor langer dan zes maanden worden verlaten, moet hiervan, zo mogelijk tenminste een maand tevoren, schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 139 [Vervallen per 01-01-2003]

Het is verboden enig gedeelte van de ondergrondse werken te verlaten, voordat dit is opgemeten en in tekening gebracht en de metingen in het meetregister zijn vermeld.

Artikel 140 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer in strijd met het in artikel 139 bepaalde is gehandeld, kan Onze Minister bevelen de door hem aangewezen verlaten gedeelten van de ondergrondse werken, voor zover deze ontoegankelijk zijn, weder toegankelijk te maken voor het alsnog doen verrichten van metingen als in dat artikel bedoeld.

Artikel 141 [Vervallen per 01-01-2003]

De artikelen 139 en 140 zijn niet van toepassing indien langer verblijf ter plaatse gevaar oplevert; alsdan moet het nog niet opgemeten gedeelte van de ondergrondse werken onmiddellijk na het verlaten zo nauwkeurig mogelijk op de betrokken plannen worden aangegeven, mede op grond van gegevens van personen, die het laatst ter plaatse waren, en moet van het een en ander melding worden gemaakt in het meetregister.

Artikel 142 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Alvorens een gedeelte van de ondergrondse werken wordt verlaten, moeten voldoende maatregelen zijn genomen in het belang van de luchtverversing en om het uittreden van gevaarlijke gassen en het optreden van water- of drijfzanddoorbraken te voorkomen, en, indien gevaar voor broei aanwezig is, voldoende maatregelen om het optreden hiervan te voorkomen.

  • 2 Tijdelijk of voorgoed verlaten gedeelten, die nog toegankelijk zijn, moeten voldoende worden geventileerd of anders zodanig worden afgesloten, dat zij niet zonder het gebruiken van geweld kunnen worden betreden.

  • 3 Het is aan onbevoegden verboden de afsluitingen te verbreken of de betrokken gedeelten te betreden.

Artikel 142a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het voorgoed verlaten van de ondergrondse werken mag niet anders geschieden dan overeenkomstig een bij de in artikel 138 bedoelde mededeling aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen toegezonden doelmatig schriftelijk sluitingsplan, waarin zijn aangegeven de maatregelen, welke zullen worden getroffen ter voldoening aan het bij en krachtens artikel 136 bepaalde.

  • 2 De artikelen 20, derde lid, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 142b [Vervallen per 01-01-2003]

Indien de ondergrondse werken voorgoed worden verlaten en die werken grenzen aan de ondergrondse werken van een ander mijnwerk, moeten:

  • a. de bestuurders van de betrokken mijnonderneming aan de bestuurders van de mijnonderneming, waartoe het aangrenzende mijnwerk behoort, doelmatige hoogtelijn-plannen verstrekken, waaruit kan worden afgeleid het gevaar voor water- of drijfzanddoorbraken, dat door het verlaten van de desbetreffende ondergrondse werken voor de ondergrondse werken van het aangrenzende mijnwerk kan ontstaan;

  • b. de in het in artikel 142a, eerste lid, bedoelde sluitingsplan aan te geven maatregelen, voor zover betrekking hebbend op het voorkomen van gevaar als onder a bedoeld, zijn vastgesteld na onderling overleg tussen de bestuurders van de betrokken mijnondernemingen.

Artikel 142c [Vervallen per 01-01-2003]

Zodra de ondergrondse werken zijn verlaten, moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een rapport inzake de in verband met het verlaten uitgevoerde werkzaamheden worden toegezonden, onder overlegging van voldoende gegevens, die voor de veiligheid van belang kunnen zijn.

Artikel 142d [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Indien de ondergrondse werken voor een belangrijk gedeelte voorgoed worden verlaten, zijn de artikelen 142a-142c van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In zodanig geval dienen in het sluitingsplan als bedoeld in artikel 142a tevens te worden aangegeven de maatregelen, welke zullen worden getroffen ter voldoening aan het bij en krachtens artikel 142 bepaalde.

Artikel 143 [Vervallen per 01-01-2003]

Buiten gebruik gestelde schachten moeten op doelmatige wijze zijn afgesloten; de plaats van een dergelijke schacht moet aan de hand van de krachtens artikel 128, vierde lid, of 134, derde lid, aangewezen bescheiden kunnen worden nagegaan.

Hoofdstuk VIII.A. Pijpleidingen ten behoeve van het winnen van delfstoffen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 143a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van het voornemen om buiten de terreinen van boorwerken een pijpleiding, bestemd voor het vervoeren van de gewonnen delfstoffen, dan wel een door Onze Minister aangewezen andere met de winning van delfstoffen verband houdende pijpleiding te leggen moet, ten minste twaalf weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen, schriftelijk mededeling worden gedaan aan Onze Minister en de Inspecteur-Generaal der Mijnen, onder opgave van:

    • a. de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

    • b. de diameter van de pijpleiding en de minimale diepte, waarop zij in de bodem zal komen te liggen;

    • c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.

  • 2 Van het voornemen om een pijpleiding als in het eerste lid bedoeld in een oppervlaktewater te leggen moet gelijktijdig met de in het eerste lid bedoelde mededeling bovendien, onder opgave van de in dat lid bedoelde gegevens, schriftelijk mededeling worden gedaan:

    • a. indien de pijpleiding zal worden gelegd op of in de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a, bedoeld, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie en de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting;

    • b. indien de pijpleiding zal worden gelegd op of in de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder b, bedoeld, aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.

  • 3 Een mededeling als in de voorgaande leden bedoeld moet vergezeld gaan van een doelmatige kaart, waarop de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, en de minimale diepte, waarop zij in de bodem zal komen te liggen, op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven.

  • 4 Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie ingevolge het eerste en tweede lid mededeling is gedaan.

Artikel 143b [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer het leggen van een pijpleiding als in artikel 143a bedoeld gevaar kan opleveren, kan Onze Minister bij een ten hoogste acht weken na de ontvangst door hem van de in artikel 143a, eerste lid, bedoelde mededeling aan de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming toe te zenden beschikking bepalen, dat het leggen van die pijpleiding niet mag plaatsvinden dan langs een traject en op een minimale diepte in de bodem, zomede op een wijze, welke bij die beschikking zijn aangegeven.

Artikel 143c [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij het leggen van een pijpleiding, bestemd voor het vervoeren van de gewonnen delfstoffen, dan wel van een door Onze Minister aangewezen andere met de winning van delfstoffen verband houdende pijpleiding moeten voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

  • 2 Ten aanzien van het in of op de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36e, eerste lid, bedoeld leggen van een pijpleiding als in het eerste lid bedoeld is artikel 36e, eerste, tweede en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 143d [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Pijpleidingen als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld moeten bestaan uit voldoende sterke pijpen, die op doelmatige wijze onderling zijn verbonden.

  • 2 De pijpleidingen moeten doelmatig tegen corrosie en voldoende tegen uitwendige krachten zijn beschermd.

  • 3 Ten aanzien van de pijpleidingen moeten ook overigens voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

Artikel 143e [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een pijpleiding als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld moet, tijdig voordat zij in gebruik wordt genomen, door een terzake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht op haar deugdelijkheid.

  • 2 Indien de pijpleiding in of op de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36e, eerste lid, bedoeld is gelegd, moet:

    • a. het in het eerste lid van dit artikel bedoelde onderzoek bovendien zijn gericht op de nauwkeurige vaststelling van het traject, waarlangs zij is gelegen, en, voor zover de leiding in de bodem van het oppervlaktewater is gelegen, de diepte waarop zij daarin ligt;

    • b. de pijpleiding binnen door Onze Minister aangegeven termijnen periodiek, alsmede tussentijds, indien en voor zover hij zulks verlangt, door een terzake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht:

      • 1°. indien zij op de bodem van het oppervlaktewater is gelegd, ter vaststelling van mogelijke afwijkingen van haar ligging ten opzichte van het traject, zoals opgegeven ingevolge artikel 143a, eerste lid, onder a, of aangegeven krachtens artikel 143b, dan wel toegestaan krachtens artikel 143f, tweede lid;

      • 2°. indien zij in de bodem van het oppervlaktewater is gelegd, ter vaststelling van haar mogelijk ondiepere ligging daarin dan opgegeven ingevolge artikel 143a, eerste lid, onder b, of aangegeven krachtens artikel 143b, dan wel toegestaan krachtens artikel 143f, tweede lid.

  • 3 Indien en voor zover bij een onderzoek krachtens het tweede lid, onder b, 2°, een ondiepere ligging van de pijpleiding als daar bedoeld wordt geconstateerd en zij door die ondiepere ligging gevaar kan opleveren, moet dat onderzoek mede zijn gericht op mogelijke afwijkingen van de ligging der pijpleiding ten opzichte van het traject als in dat lid, onder b, 1°, bedoeld.

  • 4 Ten minste twee weken voordat met een onderzoek ingevolge het eerste of tweede lid wordt aangevangen moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk worden medegedeeld door welke instelling of onderneming het onderzoek zal worden verricht.

  • 5 Van ieder ingevolge het eerste of tweede lid verricht onderzoek moet een doelmatig rapport worden opgesteld, waarvan binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan hem en de Inspecteur-Generaal der Mijnen een afschrift dient te worden toegezonden, zomede, indien de pijpleiding op of in de bodem van een oppervlaktewater als in artikel 36a, tweede lid, onder a of b, bedoeld is gelegen, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie en de Directeur-Generaal van Loodswezen, Betonning, Bebakening en Verlichting onderscheidenlijk de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.

Artikel 143f [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden een pijpleiding als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld in gebruik te nemen, indien:

    • a. zij niet deugdelijk is en daardoor gevaar kan opleveren;

    • b. zij in of op de bodem van een oppervlaktewater is gelegd en haar ligging afwijkt van die van het traject of haar ligging in de bodem ondieper is dan de diepte daarin, zoals opgegeven ingevolge artikel 143a, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, dan wel aangegeven krachtens artikel 143b, en zij daardoor gevaar kan opleveren.

  • 2 Onze Minister kan van het eerste lid, onder b, ontheffing verlenen.

  • 3 Indien alsnog blijkt dat de pijpleiding als in het eerste lid, onder b, bedoeld gevaar kan opleveren doordat zij niet deugdelijk is, dan wel doordat haar ligging afwijkt van die van het traject of haar ligging in de bodem van het oppervlaktewater ondieper is dan de diepte daarin, zoals opgegeven ingevolge artikel 143a, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, of aangegeven krachtens artikel 143b, dan wel toegestaan krachtens het tweede lid van dit artikel, kan Onze Minister maatregelen voorschrijven ter opheffing of beperking van het gevaar.

Artikel 143g [Vervallen per 01-01-2003]

Zodra lekkage van een pijpleiding als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld wordt geconstateerd, moet deze zoveel mogelijk worden beperkt en moeten, tenzij de pijpleiding buiten gebruik wordt gesteld, onverwijld de nodige herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Hoofdstuk IX. De veiligheid [Vervallen per 01-01-2003]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 144 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Bij elke mijnonderneming moeten een of meer doelmatig georganiseerde veiligheidsdiensten zijn belast met:

    • a. het overwegen en voorbereiden van maatregelen, die met betrekking tot de veiligheid dienen te worden genomen;

    • b. het doen van voorstellen daaromtrent aan de bestuurders;

    • c. het toezien op de uitvoering van de door of vanwege de bestuurders terzake genomen beslissingen.

  • 2 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 145 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden op of in een mijn- of op een boorwerk alcoholhoudende drank mede te nemen, bij zich te hebben of te gebruiken.

  • 2 Een persoon, die onder invloed van alcoholhoudende drank verkeert, moet de toegang tot een mijn- of een boorwerk worden ontzegd; indien hij zich reeds aldaar bevindt, moet hij onmiddellijk van dat werk worden verwijderd.

  • 3 Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt met alcoholhoudende drank gelijkgesteld elke stof, door het gebruik waarvan iemands geestelijke of lichamelijke gesteldheid zodanig wordt beïnvloed, dat daardoor gevaar voor de veiligheid kan ontstaan.

  • 4 Onze Minister kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 146 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer de algemene veiligheid dan wel de veiligheid op of in een mijnwerk, op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, op enige wijze wordt bedreigd, alsmede wanneer een of meer personen zich in levensgevaar bevinden of bevonden hebben, zomede wanneer instortingen of andere belangrijke voorvallen hebben plaats gehad, die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen, moet hiervan onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer naar het oordeel van Onze Minister hetzij voor de algemene veiligheid, hetzij voor de veiligheid op of in een mijnwerk of op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, gevaar bestaat, kan hij maatregelen ter afwending van dat gevaar voorschrijven, de bestuurders van de betrokken mijnonderneming - behoudens in geval van onmiddellijk dreigend gevaar - gehoord.

Artikel 147a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In dit artikel wordt onder "veiligheids- of gezondheidssignalering" verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  • 2 Bij werkzaamheden bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen is hoofdstuk 8, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming in de plaats treden van de werkgever;

    • b. de personen die werkzaam zijn bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen in de plaats treden van de werknemers.

  • 3 Personen die werkzaam zijn bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen of hun vertegenwoordigers dienen te worden geïnformeerd over alle ten aanzien van de veiligheids- of gezondheidssignalering op het werk te nemen maatregelen. Personen die werkzaam zijn bij, op of in een mijnwerk of een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen dienen voorts ten aanzien van de veiligheids- of gezondheidssignalering op het werk een passende opleiding te krijgen, met name in de vorm van nauwkeurige instructies. Deze opleiding dient in het bijzonder betrekking te hebben op de betekenis van de signalering, met name wanneer daarbij woorden worden gebruikt, en op de te volgen algemene en specifieke handelwijzen.

  • 4 De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de betrokken personen worden geraadpleegd omtrent en nemen deel aan de behandeling van de onderwerpen betreffende veiligheids- of gezondheidssignalering.

  • 5 Bij de uitvoering van de bij het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gaan de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming uit van elke krachtens het Mijnreglement 1964 verrichte risico-evaluatie.

  • 6 Onze Minister kan ter bevordering van een goede uitvoering van het tweede tot en met vijfde lid nadere regels stellen.

Artikel 147b [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Zones waar een bijzonder risico bestaat, moeten worden afgebakend en er moeten doelmatige waarschuwingsborden worden geplaatst.

  • 2 Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk gevarenzones, met inbegrip van valgevaar voor arbeiders of gevaar voor vallende voorwerpen, voorkomen, moeten zoveel mogelijk zijn uitgerust met voorzieningen die moeten beletten dat arbeiders deze zones zonder toestemming betreden.

  • 3 Er moeten doelmatige maatregelen worden getroffen om de arbeiders die de gevarenzone mogen betreden te beschermen.

  • 4 De gevarenzones moeten duidelijk zichtbaar worden aangegeven.

  • 5 Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in de voorgaande leden bepaalde.

Artikel 148 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het tewerkstellen van één enkele arbeider op een afgelegen werkpunt is slechts toegestaan, indien voor de veiligheid van deze arbeider op doelmatige wijze wordt gewaakt.

  • 2 Wanneer arbeiders aanwezig zijn op arbeidsplaatsen die normaliter niet zijn bemand, moet er een doelmatig communicatiesysteem zijn.

Artikel 149 [Vervallen per 01-01-2003]

Wanneer twee of meer arbeiders tot een groep verenigd arbeid verrichten, moet een van hen zijn aangewezen, teneinde toe te zien op al hetgeen nodig is om gevaar voor ongevallen te keren en de vereiste maatregelen te nemen.

Artikel 150 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Iedere arbeider moet zich vóór de aanvang van zijn werkzaamheden van de veiligheid op zijn werkpunt overtuigen.

  • 2 Bij onmiddellijk dreigend gevaar moet het werk terstond worden gestaakt en de werkplaats zo nodig worden verlaten en moet van een en ander onverwijld mededeling worden gedaan aan de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon. Waar personen in gevaar zijn moet het nodige worden verricht tot afwending van het gevaar.

  • 3 De voorman van elke groep moet aan de voorman van de daaropvolgende groep alle bijzonderheden mededelen, die in zijn werktijd zijn voorgevallen of waargenomen, voor zover deze op de veiligheid van invloed kunnen zijn. Zo nodig moet deze mededeling ter plaatse van het voorvallen of waarnemen der bijzonderheden geschieden.

  • 4 In geval een mededeling als bedoeld in het derde lid niet kan geschieden vóór het overnemen van de arbeid door de eerstvolgende groep, moeten de desbetreffende bijzonderheden worden medegedeeld aan de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon, die ervoor zorg draagt, dat zij tijdig ter kennis van de voorman van eerderbedoelde groep worden gebracht.

  • 5 Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op personen, die zelfstandig op een werkpunt werkzaam zijn.

Artikel 151 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op elke arbeidsplaats en voor elke activiteit moeten veilige werkmethoden worden toegepast.

  • 2 Een ieder is verplicht bij het verrichten van arbeid de zorgvuldigheid te betrachten, die noodzakelijk is, ten einde het optreden van gevaar te voorkomen.

  • 3 Doelmatige veiligheidsapparatuur moet steeds gebruiksklaar en in goede staat worden gehouden. Bij het onderhoud daarvan dient naar behoren rekening te worden gehouden met de uitgeoefende activiteiten.

Artikel 151a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Op alle normaliter bemande arbeidsplaatsen moeten op gezette tijden veiligheidsoefeningen worden gehouden die er op gericht zijn:

    • a. arbeiders, aan wie in noodgevallen concrete taken worden opgedragen waarbij noodapparatuur moet worden gebruikt, gehanteerd of bediend, hierin te trainen en hun bekwaamheid ter zake te controleren.

    • b. alle bij de oefeningen gebruikte noodapparatuur te controleren, schoon te maken, en zonodig opnieuw op te laden of te vervangen en alle gebruikte draagbare apparatuur opnieuw naar de plaats te brengen waar zij zich normaliter bevindt.

  • 2 Op alle normaliter bemande arbeidsplaatsen die zich bevinden op mijnbouwinstallaties moeten tevens op gezette tijden veiligheidsoefeningen worden gehouden die erop gericht zijn na te gaan of de reddingsvaartuigen gebruiksklaar zijn.

  • 3 Door Onze Minister aangewezen personen moeten in voldoende mate zijn geoefend in het verrichten van bepaalde, door hem aan te geven, werkzaamheden of handelingen ter voorkoming of opheffing van gevaar. Onze Minister kan tevens aanwijzingen geven aangaande de registratie van de aangewezen personen en van de door hen gehouden oefeningen.

Artikel 152 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Een arbeider, die werkzaamheden verricht, waarbij kennelijk gevaar bestaat, dat zijn kleren of hoofdhaar door enig deel van een drijfwerk of werktuig worden gegrepen, moet de beschikking hebben over doelmatige kleding en doelmatige hoofdbedekking.

  • 2 Op een plaats, waar kennelijk gevaar bestaat voor verwonding, moet een ieder de beschikking hebben over doelmatige beveiligings- of hulpmiddelen en over zodanige en van zodanige stof vervaardigde kleding en andere middelen, dat bij gebruik van het een en ander het gevaar zoveel mogelijk is afgewend.

  • 3 De in de voorgaande leden bedoelde kleding en middelen moeten overeenkomstig hun bestemming worden gedragen en gebruikt.

Artikel 152a [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moet bepaalde apparatuur in geval van nood vanaf geschikte locaties op afstand kunnen worden bediend.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde apparatuur moet systemen omvatten voor het isoleren en afblazen van putten, installaties en pijpleidingen.

  • 3 Ten behoeve van de afstandsbediening als bedoeld in het eerste lid moeten er controleposten op geschikte locaties zijn die in geval van nood kunnen worden gebruikt, indien nodig met inbegrip van controleposten op veilige verzamelpunten en in evacuatiestations.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde apparatuur moet ten minste systemen omvatten voor ventilatie, het in noodgevallen afsluiten van apparatuur die een ontbranding zou kunnen veroorzaken, het voorkomen van het ontsnappen van ontvlambare vloeistoffen en gassen, brandbeveiliging en putbewaking.

§ 2. Bovengrondse werken en boorwerken [Vervallen per 01-01-2003]

Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 153 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Gebouwen en andere opstallen, alsmede vaartuigen en andere drijvende inrichtingen, met alles wat daartoe behoort, moeten in zodanige toestand verkeren, dat zij geen gevaar kunnen veroorzaken.

  • 2 Het herstellen, het onderhouden, het wijzigen, het uitbreiden en het slopen van gebouwen of constructie- of kunstwerken dienen op veilige wijze te geschieden. Daarbij moeten zo nodig voldoende maatregelen worden genomen om het instorten, omvallen of breken van gebouwen of constructie- of kunstwerken, of van de toegepaste stut- en hulpconstructies, te voorkomen en om de arbeiders zoveel mogelijk tegen ongevallen als gevolg daarvan te beschermen.

  • 3 Een steiger of stelling, met alles wat daartoe behoort, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk. Zij moet voorts zodanig zijn bevestigd en samengesteld, dat bij normaal gebruik geen der onderdelen zich kan verplaatsen.

  • 4 Vloeren, trappen, ladders, klimijzers, bordessen, gaanderijen, steigers, stellingen, afdekkingen van vloeropeningen, putdeksels, loopbruggen en glij-, loop- en kruiplanken moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal en in goede staat van onderhoud verkeren. Zij moeten voldoende breed en voldoende sterk zijn in verband met de belasting, waaraan zij zullen worden onderworpen. Zij moeten zodanig zijn gemaakt, dat geen onderdeel in sterke mate of ten opzichte van een ander onderdeel ongelijkmatig kan doorbuigen. Voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doelmatige voorzieningen zijn getroffen.

  • 5 Een heistelling, met alles wat daartoe behoort, moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.

  • 6 Het ontwerpen, berekenen en construeren van constructiewerken en van stut- en hulpconstructies moet vakkundig en met zorg geschieden en wel zodanig, dat deze constructiewerken, stut- en hulpconstructies voldoen aan de eis van goed en veilig werk. Een volledig overzicht moet worden opgesteld van de ongunstigste in de constructies berekende krachten en spanningen en van de wijze, waarop de krachten op de ondersteuningen worden overgebracht. Laatstgenoemde krachten moeten door de ondersteuningen kunnen worden opgenomen, zonder bezwaar voor het gehele bouwwerk.

  • 7 Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn.

  • 8 Transparante of lichtdoorlatende wanden in ruimten of in de omgeving van werkplekken en wegen moeten duidelijk zijn gemarkeerd en van veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd of op zodanige wijze van die werkplekken en wegen zijn afgescheiden dat de arbeiders niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken.

  • 9 Toegang tot daken die zijn vervaardigd van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan, indien uitrusting wordt verstrekt waardoor het betrokken werk veilig kan worden uitgevoerd.

Artikel 154 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor het verrichten van arbeid, waarbij het gevaar bestaat van een hoogte van 2,50 meter of meer te vallen, of gevaar voor bedwelming, verstikking, vergiftiging, verbranding of verdrinking als gevolg van een val, moet een doelmatige steiger, stelling of werkvloer dan wel een doelmatig bordes zijn aangebracht, tenzij het arbeid betreft, welke op voldoend veilige wijze staande op een ladder kan worden verricht. Indien genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden getroffen, moet tot afwending van het gevaar gebruik worden gemaakt van doelmatige veiligheidsgordels, vangnetten of dergelijke, tenzij het gebruik hiervan uit een oogpunt van veiligheid niet dienstig is.

  • 2 Bij werkzaamheden in bunkers, kokers of dergelijke ruimten, waar gevaar bestaat te worden bedolven onder instortend materiaal of gevaar voor afstorten, moeten zij, die deze werkzaamheden verrichten, met behulp van doelmatige veiligheidsgordels op veilige wijze zijn aangebonden en moet een voldoende aantal personen aanwezig zijn om hen in geval van gevaar buiten die ruimten te kunnen brengen.

  • 3 Bij het maken van groeven, sleuven, tunnels, gangen, kuilen en putten moeten doelmatige voorzorgsmaatregelen worden genomen en doelmatige hulpmiddelen worden gebruikt, welke voldoende waarborgen geven tegen het gevaar voor verzakken, afkalven, verschuiven of instorten.

  • 4 Bij het storten of afgraven van grond, mergel, gesteente, veen, kunstmest, delfstoffen, afval en dergelijke moeten doelmatige voorzorgsmaatregelen worden genomen en doelmatige hulpmiddelen worden gebruikt, welke voldoende waarborgen geven tegen het gevaar van verzakken, afkalven, verschuiven, instorten of afstorten.

  • 5 Het plaatsen, opstapelen en van stapel nemen van voorwerpen of stoffen moet zodanig geschieden, dat onverhoeds omvallen of verzakken van de voorwerpen, de stoffen of de stapel zoveel mogelijk wordt voorkomen; zo nodig moeten tegen onverhoeds omvallen of verzakken doelmatige voorzorgsmaatregelen worden genomen.

  • 6 Tegen het gevaar te worden getroffen door vallende of wegvliegende voorwerpen moeten doelmatige voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Artikel 155 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden een ruimte, die geen natuurlijke of kunstmatige ventilatie heeft of die moeilijk toegankelijk is, zoals een put, riool, gashouder of reservoir, dan wel een andere min of meer besloten ruimte, te betreden of daarin te verblijven, tenzij door of vanwege de bestuurders van de betrokken mijnonderneming daartoe schriftelijk toestemming is verleend. Aan deze toestemming worden zodanige voorwaarden verbonden, dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd. Het geschrift, dat de toestemming bevat, moet berusten bij de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon.

  • 2 Alvorens toestemming als in het eerste lid bedoeld wordt verleend, moet uit een doelmatig onderzoek zijn gebleken, dat in de betrokken ruimte, boven de veilig toelaatbare concentratie, geen stof aanwezig is of gevaarlijke of schadelijke gassen of dampen voorkomen, dan wel de lucht aldaar uit anderen hoofde voor inademing niet ongeschikt is. Doelmatige maatregelen moeten worden genomen, teneinde te voorkomen, dat tijdens het verblijf in de ruimte, boven de veilig toelaatbare concentratie, zich stof ontwikkelt of verspreidt of gevaarlijke of schadelijke gassen of dampen zich ontwikkelen of verspreiden, dan wel de lucht uit anderen hoofde voor inademing ongeschikt wordt.

  • 3 Wanneer aan het in het tweede lid gestelde vereiste voor het verlenen van toestemming redelijkerwijs niet kan worden voldaan en het betreden van een ruimt