Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Wet op het voortgezet onderwijs

Geldend op 01-05-2002


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Artikel 69

    • 1. Onze minister neemt in het plan in elk geval op de scholen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor het desbetreffende schooltype en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, waaronder die verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zullen worden bezocht door ten minste

      • a. driehonderd vijfenvijftig leerlingen, voor wat betreft een gymnasium;

      • b. driehonderd veertig leerlingen, voor wat betreft een atheneum;

      • c. vierhonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een lyceum;

      • d. driehonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een school en honderd vijfentwintig voor wat betreft een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;

      • e. tweehonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;

      • f. driehonderd twintig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs bestaande uit een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, en een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel b, of uit twee afdelingen als bedoeld in artikel 10c, onderdeel c;

      • g. tweehonderd zestig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs bestaande uit de afdeling, bedoeld in artikel 10c, onderdeel d;

      • h. honderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, b of c, aan een reeds bekostigde of nieuw te vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs;

      • i. tweehonderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, aan een reeds bekostigde of nieuw te vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs.

    • 2. Een scholengemeenschap, in zich verenigende twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen, wordt in ieder geval in het plan opgenomen, indien op gelijke wijze als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk der samenstellende scholen, behalve van een daartoe behorend lyceum en een school als bedoeld in het eerste lid, de onderdelen f tot en met i, ten minste drie vierden zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.

    • 3. Bij de toepassing van de voorgaande leden worden niet in aanmerking genomen de leerlingen, voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school, waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne leerlingen bestemd is.