Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren 1959

Geldend van 01-01-1994 t/m heden

Besluit van 17 april 1959, houdende voorschriften ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Overwegende, dat de veelvuldige storingen van de ontvangst van de Nederlandse omroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz, door elektrische ontstekingsinrichtingen, welke dienstbaar zijn aan verbrandingsmotoren, nopen tot het geven van voorschriften ter voorkoming en opheffing van die storingen;

Op voordracht van Onze minister van Verkeer en Waterstaat van 2 september 1958 nr. (580828 : 1), Centrale Directie der PTT;

Gelet op artikel 3quinquies van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. 7) en op het Radiostoringsreglement 1951 (Stb. 547);

Gezien het advies van de Radiostoringscommissie van 20 november 1957 nr. 114;

De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1958 nr. 57);

Gezien het nader rapport van Onze minister van Verkeer en Waterstaat van 13 april 1959 nr. (590410 : 1), Centrale Directie der PTT;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Dit besluit verstaat onder:

  • a. "Onze minister", Onze minister belast met de zorg voor de zaken van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie;

  • b. "directeur-generaal", de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie;

  • c. "radiostoringscommissie", de commissie bedoeld bij artikel 13 van het Radiostoringsreglement 1951;

  • d. "radio-omroepontvangst", de ontvangst van de Nederlandse omroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz;

  • e. "omroepstoring", de storing, welke veroorzaakt wordt in de radio-omroepontvangst door een aan een verbrandingsmotor dienstbaar zijnde elektrische ontstekingsinrichting, welke op een afstand van 10 meter een stoorveldsterkte opwekt van 50 microvolt per meter of meer.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt met radio-omroepontvangst gelijkgesteld de ontvangst van de Nederlandse beeldomroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz.

Artikel 3

Het hebben of gebruiken van een aan een verbrandingsmotor dienstbaar zijnde elektrische ontstekingsinrichting, die omroepstoring kan veroorzaken, is verboden.

Artikel 4

Overtreding van het in artikel 3 gestelde verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Artikel 5

De directeur-generaal is - gehoord de radiostoringscommissie - bevoegd in bijzondere gevallen te zijner beoordeling, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing te verlenen van het in artikel 3 gestelde verbod.

Artikel 6

Onze minister is bevoegd richtlijnen te geven met betrekking tot de wijze waarop kan worden nagegaan of door de elektrische ontstekingsinrichtingen van verbrandingsmotoren omroepstoring kan worden veroorzaakt.

Onze minister kan bepalen, dat door de directeur-generaal - gehoord de radiostoringscommissie - in de Nederlandse Staatscourant wordt ervan kennis wordt gegeven op welke wijze elektrische ontstekingsinrichtingen van verbrandingsmotoren zodanig kunnen worden ingericht, dat zij in het algemeen geen omroepstoring kunnen veroorzaken.

Artikel 7

Het in de artikelen 3, 4, 5 en 6 bepaalde is niet van toepassing op elektrische ontstekingsinrichtingen, welke dienstbaar zijn aan kennelijk voor uitvoer bestemde verbrandingsmotoren.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking één jaar na de dagtekening van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Het kan worden aangehaald onder de titel: "Besluit ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren 1959".

Onze minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 17 april 1959

JULIANA.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

J. VAN AARTSEN.

Uitgegeven de tweede juni 1959.

De Minister van Justitie,

A. C. W. BEERMAN.