KruimelpadGeldend op 09-11-2009
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 1958, no. Jur/15760, Rijksluchtvaartdienst;
Gelet op de artikelen 4, tweede lid, onder a, 5, tweede lid, 7, eerste lid, 8, tweede lid, onder a, 9, eerste lid, 62, derde lid, 76, eerste lid, onder a, c en f en tweede lid, onder b en c en 80, tweede lid, van de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47);
De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1958, no. 36);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 16 januari 1959, no. Jur/10290, Rijksluchtvaartdienst;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.De begripsbepalingen, gegeven in de Luchtvaartwet, zijn ook van toepassing op deze regeling.
2.Voorts wordt in deze regeling verstaan onder:
a. baan: een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein, uitsluitend bestemd voor het opstijgen en/of het landen van luchtvaartuigen;
b. [vervallen;]
c. blindvliegen, onderscheidenlijk wolkenvliegen: het besturen van een vliegtuig, onderscheidenlijk een zweefvliegtuig, uitsluitend met behulp van instrumenten, zonder visuele oriëntatie buiten het vliegtuig, onderscheidenlijk het zweefvliegtuig;
d. bij nacht: op enig tussen zonsondergang en zonsopgang gelegen tijdstip;
e. [vervallen;]
f. drempel: het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van een verharde baan;
g. eerste bestuurder: een lid van het stuurhutpersoneel, dat de leiding heeft bij de besturing van het luchtvaartuig;
h. geregeld luchtvervoer: een reeks van verkeersvluchten, waaraan het publiek kan deelnemen en welke worden uitgevoerd ten behoeve van het verkeer tussen twee of meer plaatsen, hetzij in overeenstemming met een gepubliceerde dienstregeling, hetzij met een zodanige regelmaat of frequentie, dat zij een duidelijk herkenbare systematische reeks vormen;
i. IFR-vlucht: een vlucht, ten aanzien waarvan tevens de instrumentvliegvoorschriften van toepassing zijn;
j. instrumentenbaan: een baan, welke is uitgerust met elektronische hulpmiddelen ten dienste van het opstijgen of landen van luchtvaartuigen;
k. instrumentweersomstandigheden: weersomstandigheden, die uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis, minder zijn dan de voorgeschreven minimum waarden voor zichtweersomstandigheden;
l. kunstvlucht: een vlucht, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, welke een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen;
m. lid van het boordpersoneel: een lid van het stuurhutpersoneel en ieder ander, die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden heeft te verrichten;
n. navigatieplan: het plan voor een veilige uitvoering van de vlucht dat ontleend is aan overwegingen van vliegtuigprestaties, operationele beperkingen en de verwachte omstandigheden, betrekking hebbende op de te vliegen route en de aan te vliegen luchtvaartterreinen;
o. oefenvlucht: een solovlucht voor het verkrijgen dan wel behouden van vliegvaardigheid;
p. overlandvlucht: een vlucht, waarbij een vliegtuig dan wel een zweefvliegtuig zich in rechte lijn gemeten verder dan 28 km, onderscheidenlijk 5 km van de grens van het terrein waarvan werd opgestegen, verwijdert;
q. platform: een gedeelte van een luchtvaartterrein dat bestemd is voor het opstellen van luchtvaartuigen, met het doel passagiers te laten in- of uitstappen, post of vracht te laden of te lossen, brandstof in te nemen, te parkeren of onderhoudswerkzaamheden te verrichten;
r. rondvlucht: een verkeersvlucht, welke aanvangt en eindigt op hetzelfde terrein en welke een tijdsduur heeft van ten hoogste 60 minuten;
s. rijbaan: een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein, bestemd voor het zich op de grond voortbewegen van luchtvaartuigen;
t. strook: een gedeelte van het landingsterrein, waarin een baan is gelegen;
u. tweede bestuurder: een lid van het stuurhutpersoneel, dat een luchtvaartuig bestuurt, anders dan als eerste bestuurder of als leerling;
v. VFR-vlucht: een vlucht, ten aanzien waarvan tevens de zichtvliegvoorschriften van toepassing zijn;
w. maximale startmassa: de massa die een luchtvaartuig mag hebben wanneer het zich van het aardoppervlak verheft;
x. lid-staat: staat, lid van de Europese Gemeenschappen;
ij. verordening (EEG) 3922/91: verordening (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart ( PbEG L 373);
z. JAA: Joint Aviation Authorities;
aa. JAR: Joint Aviation Requirements;
ab. JAR-145: regeling inzake erkenning van onderhoudsbedrijven, opgesteld door de JAA.
3.Voor het bij deze regeling bepaalde zijn eveneens van toepassing de begripsbepalingen voor luchtverkeersdienstverlening, luchtverkeersdienst, verkeersleiding, verkeersleidingsdienst, luchtvaartterreinverkeer, gecontroleerd luchtvaartterrein, zichtweersomstandigheden, vlucht, vliegtijd, zonsondergang, zonsopgang, landingsterrein en taxiën als omschreven in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement-1980 (Stb. 786).
1.De aanleg van een luchtvaartterrein moet ter beoordeling door Onze Minister zodanig zijn, dat luchtvaartuigen daarvan een veilig gebruik kunnen maken. Hiertoe dienen desgevraagd gegevens te worden overgelegd.
2.Er moet ten genoegen van Onze Minister voorzieningen worden getroffen dat de aan- en uitvliegroutes zodanig zullen zijn dat luchtvaartuigen veilig kunnen landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein.
1.Door Onze Minister wordt de lengte van een (de) baan (banen) op een luchtvaartterrein vastgesteld.
2.De minimale breedte van een baan en van een daarbij behorende rijbaan bedraagt bij een lengte van een verharde baan van:
baanbreedte | rijbaanbreedte | |
a. 900 m of meer | 45 m | 23 m |
b. 700 m tot 900 m | 30 m | 15 m |
3.Op verzoek van de exploitant kan in bijzondere gevallen door Onze Minister voor de baan en/of rijbaan een breedte worden toegestaan, welke kleiner is dan aangegeven in het tweede lid.
4.De breedte van een onverharde baan en de breedte van een daarbij behorende rijbaan bedragen respectievelijk minimaal 25 m en 10 m.
1.Een baan moet in een strook in de vorm van een rechthoek zijn aangelegd en wel zo, dat de lengteassen van de baan en de strook samenvallen dan wel evenwijdig zijn.
2.De afstand van elk einde van de baan tot de daarbij dichtstbijzijnde korte zijde van de strook, waarin de baan is gelegen, moet ten minste 60 meter bedragen.
3.De afstand tussen de lengteas van een onverharde baan en de lange zijde van een strook mag niet minder dan 75 meter bedragen.
4.De afstand tussen de lengteas van een verharde baan en de lange zijde van de strook mag niet minder dan 150 meter bedragen; ingeval van een instrumentenbaan mag deze afstand niet minder dan 200 meter bedragen.
1.Een gedeelte of gedeelten van een luchtvaartterrein wordt/worden bestemd tot platform.
2.De inrichting en de regels voor het gebruik van platforms behoeven de instemming van Onze Minister.
3.Onze Minister onthoudt de instemming, bedoeld in het tweede lid, indien de regels voor het gebruik van het platform de orde en veiligheid op het platform naar zijn oordeel onvoldoende waarborgen.
4.Parkeer- en manoeuvreertekens moeten worden gegeven door middel van de krachtens artikel 39 van het Luchtverkeersreglement-1980 vastgestelde seinen, tenzij Onze Minister heeft ingestemd met een afwijkende wijze van seinen.
1.De exploitant moet zorg dragen, dat op het luchtvaartterrein:
a. de richting van de wind duidelijk wordt aangegeven door een windzak of andere daartoe goedgekeurde middelen;
b. de krachtens het Luchtverkeersreglement vastgestelde grondtekens aanwezig zijn;
c. een seinvierkant is ingericht;
d. de grens van het landingsterrein door merkbakens wordt aangeduid, tenzij voor het landen en opstijgen uitsluitend van een verharde baan wordt gebruik gemaakt;
e. bij de drempel van een verharde baan een getal van twee cijfers is aangebracht; dit getal geeft aan de magnetische richting van de lengteas van de baan, afgerond naar het dichtstbijzijnde tiental graden en - gezien vanuit de richting bij het landen - naar rechts gemeten van het magnetische noorden af;
f. op de verharde baan en de verharde rijbanen een markering is aangebracht.
2.Ten aanzien van de grondtekens, het seinvierkant, de cijfers, de dagkenmerken en kleuren als bedoeld in het eerste lid worden door Onze Minister nadere voorschriften vastgesteld.
De exploitant moet zorg dragen, dat hindernissen, welke gevaar voor luchtvaartuigen opleveren dan wel kunnen opleveren en welke zich bevinden op het luchtvaartterrein:
a. worden verwijderd; of, indien zulks niet wel mogelijk is,
b. worden aangeduid door vlaggen, tekens of kleuren overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde voorschriften.
1.De exploitant van een luchtvaartterrein, dat gedurende de nacht of tijdens instrument-weersomstandigheden kan worden gebruikt, moet zorg dragen dat:
a. indien geen verharde banen op het luchtvaartterrein zijn aangelegd, lichten zijn geplaatst ter aanduiding van de grens van het landingsterrein of van een gedeelte hiervan; indien wel verharde banen op het luchtvaartterrein zijn aangelegd, lichten zijn geplaatst ter aanduiding van de verharde baan en de daarbij behorende verharde rijbanen;
b. een naderingsverlichting is aangebracht ter vergemakkelijking van het landen zowel bij goed als bij slecht zicht;
c. een krachtinstallatie aanwezig is voor elektrische energievoorziening in noodgevallen.
2.Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verlichting en lichten kunnen door Onze Minister nadere voorschriften worden vastgesteld en kunnen aanwijzingen worden gegeven.
De exploitant is op verzoek van Onze Minister verplicht te gedogen, dat op het luchtvaartterrein elektronische, meteorologische en eventueel andere hulpmiddelen ten behoeve van de aan Onze Minister en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging en de luchtvaartmeteorologische dienstverlening opgedragen taken.
1.De exploitant moet zorg dragen, dat op het luchtvaartterrein:
a. voldoende middelen aanwezig zijn voor het op verantwoorde wijze verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
b. ten minste een persoon aanwezig is, die in staat is tot het verlenen van eerste hulp bij ongevallen en die in het bezit is van een bewijs waaruit blijkt, dat hij met het verlenen van eerste hulp vertrouwd is. Door Onze Minister kan worden vastgesteld, welke bewijzen hiervoor in aanmerking komen.
2.Voor zover een voor het openbaar luchtverkeer aangewezen luchtvaartterrein ingevolge de beschikking tot aanwijzing mede voor het internationale luchtverkeer is bestemd, moet de exploitant zorg dragen, dat op het luchtvaartterrein een gezondheidsorganisatie functioneert, welke doorlopend beantwoordt aan hetgeen nodig is om ziekten te voorkomen en welke in elk geval de medewerking van een arts verzekert, zo dikwijls diens aanwezigheid nodig kan zijn voor een ingevolge een internationale overeenkomst of een wettelijk voorschrift te verrichten geneeskundig onderzoek.
1.De exploitant moet zorg dragen dat op het luchtvaartterrein voldoende materieel en middelen, alsmede voldoende deskundig en bedreven personeel aanwezig is of kan zijn voor
a. het redden van mensenlevens;
b. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
ten gevolge van ongevallen met luchtvaartuigen op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein.
2.Het in het eerste lid bedoelde materieel moet te allen tijde in bedrijfszekere toestand verkeren en het personeel moet regelmatig worden geoefend.
3.De exploitant is verplicht maatregelen te nemen dat het personeel met het materieel te allen tijde zal uitrukken bij ongevallen met luchtvaartuigen op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein dan wel bij brand, of gevaar voor brand op het luchtvaartterrein waarbij luchtvaartuigen zijn of kunnen worden betrokken.
4.De exploitant moet zorg dragen dat een regeling is vastgesteld waarin het geheel van de te nemen maatregelen is opgenomen voor een doelmatige bestrijding van ongevallen, als bedoeld in het eerste lid alsmede van rampen welke zich op het luchtvaartterrein kunnen voordoen.
5.Door Onze Minister kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ten aanzien van het in de vorige leden bepaalde.
1.De exploitant moet zorg dragen, dat van het luchtvaartterrein een veilig gebruik kan worden gemaakt.
2.De exploitant moet zorg dragen, dat:
a. de in artikel 123 bedoelde grondtekens, cijfers, dagkenmerken, kleuren en het seinvierkant, alsmede de in artikel 124 bedoelde aanduiding van hindernissen in goede staat worden onderhouden;
b. de in de artikelen 125 en 126 bedoelde verlichting, lichten en inrichtingen in goede staat worden onderhouden;
c. de in artikel 127 bedoelde hulpmiddelen op de juiste wijze kunnen worden gebruikt.
3.Door Onze Minister kunnen aanwijzingen worden gegeven aan de exploitant in verband met de in de vorige leden gestelde bepalingen.
1.Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de orde en de veiligheid op het luchtvaartterrein. De regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de aanleg,
b. de inrichting,
c. de uitrusting, en
d. het veilig gebruik.
2.Onze Minister kan regels stellen inzake een veiligheidsmanagementsysteem, waarmee de exploitant van het luchtvaartterrein aantoont dat deze aan de regels, bedoeld in het eerste lid, voldoet.
3.Indien naar het oordeel van Onze Minister het veiligheidsmanagementsysteem voldoet aan de door Onze Minister gestelde regels, geeft Onze Minister een certificaat af. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld inzake de certificering.
1.De exploitant is verplicht maatregelen te nemen voor een behoorlijk toezicht op de veiligheid en de goede orde op het luchtvaartterrein.
2.Het in het vorige lid bedoelde toezicht omvat niet de luchtverkeersdienstverlening, tenzij enige van deze taken krachtens artikel 11, tweede lid, van het Luchtverkeersreglement aan de exploitant zijn opgedragen;
3.Terzake van de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde toezicht en de in het tweede lid bedoelde opdracht kan Onze Minister nadere voorschriften geven.
Op een gecontroleerd luchtvaartterrein moet een regeling worden getroffen tussen de exploitant en de plaatselijke verkeersleidingsdienst met betrekking tot het luchtvaartterreinverkeer op het landingsterrein, uitgezonderd luchtvaartuigen en met betrekking tot het verkeer van luchtvaartuigen naar, van en op de platforms. Deze regeling behoeft de instemming van Onze Minister.
1.De exploitant benoemt een in zijn dienst staand persoon tot havenmeester.
2.De keuze van de te benoemen havenmeester behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister onthoudt de instemming, indien de te benoemen persoon naar zijn oordeel ongeschikt is voor de functie van havenmeester.
3.De havenmeester mag niet in enig dienstverband staan tot een ander dan de exploitant.
4.De havenmeester verricht zijn taak onverminderd de verantwoordelijkheid van de exploitant.
5.De functie van havenmeester mag verenigd worden met die van exploitant.
1.De havenmeester van een gecontroleerd luchtvaartterrein deelt de plaatselijke verkeersleidingsdienst steeds tijdig mede welk gedeelte van het landingsterrein gebruikt kan worden voor het verkeer met luchtvaartuigen.
2.Dit gedeelte van het landingsterrein wordt aangeduid als het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein.
3.De plaatselijke verkeersleidingsdienst bepaalt op grond van verkeerstechnische overwegingen welk gedeelte van het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein daadwerkelijk wordt bestemd voor het landen en opstijgen van luchtvaartuigen en daarmede verband houdende bewegingen.
De havenmeester moet zorg dragen, dat bij nacht of tijdens instrument-weersomstandigheden (IMC) de verlichting en de lichten, bedoeld in de artikelen 125 en 126, tijdig en voor zover nodig worden ontstoken en blijven branden zolang zulks voor de veiligheid van het luchtverkeer nodig wordt geacht.
De havenmeester moet zorg dragen, dat:
a. in het seinvierkant steeds de benodigde tekens worden geplaatst;
b. in geval van windstilte de op het luchtvaartterrein aanwezige landings-T wordt vastgezet in de richting waarin moet worden geland en opgestegen; onder windstilte wordt verstaan wind met een snelheid van ten hoogste 2,5 m per seconde.
1.De havenmeester moet zorg dragen, dat het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein niet onveilig wordt gemaakt door enig roerend goed.
2.Indien zich op het landingsterrein roerend goed bevindt, hetwelk gevaar voor luchtvaartuigen kan opleveren, moet dit roerend goed door de zorg van de havenmeester worden aangeduid overeenkomstig de in de artikelen 124 en 126 voor hindernissen vastgestelde voorschriften.
3.Indien een gedeelte van het landingsterrein niet geschikt is voor het gebruik door luchtvaartuigen moet dat gedeelte door de zorg van de havenmeester worden aangeduid door dagkenmerken en, indien het betreft een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 125, tevens door lichten. Ten aanzien van deze dagkenmerken en lichten kunnen door Onze Minister voorschriften worden vastgesteld.
1.De havenmeester moet ervoor zorgen, dat een platform niet onveilig wordt gemaakt door enig roerend goed.
2.Indien op een platform zich roerend goed bevindt, hetwelk naar het oordeel van Onze Minister gevaar voor luchtvaartuigen kan opleveren, moet dit roerend goed door de zorg van de havenmeester worden aangeduid overeenkomstig de in de artikelen 124 en 126 voor hindernissen vastgestelde voorschriften.
1.De havenmeester is verplicht om, indien het landingsterrein door enigerlei omstandigheid gevaarlijk is geworden of zal worden voor luchtvaartuigen, daarvan zo spoedig mogelijk, onder vermelding van de bijzonderheden dienaangaande kennis te geven aan Onze Minister.
2.Gelijke mededeling als bedoeld in het vorige lid moet worden gegeven, indien door enigerlei omstandigheid één of meer van de in de artikelen 123, 124, 125 en 126 bedoelde tekens, cijfers, dagkenmerken, kleuren, verlichting, lichten en inrichtingen niet meer aan de ter zake geldende voorschriften voldoen, of indien daarin wijziging zal worden gebracht.
3.Wanneer de omstandigheid welke aanleiding heeft gegeven tot de mededeling, onderscheidenlijk bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft opgehouden te bestaan of zal ophouden te bestaan, moet de havenmeester daarvan eveneens zo spoedig mogelijk aan Onze Minister kennis geven.
1.De havenmeester moet een register aanleggen en nauwkeurig bijhouden, waarin gegevens worden bijgehouden omtrent elk luchtvaartuig dat op het luchtvaartterrein landt of daarvan opstijgt en het daarmee gepleegde vervoer.
2.De havenmeester dient van niet-verkeersvluchten de volgende gegevens bij te houden:
a. het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk als mede het type luchtvaartuig, tevens inhoudende de inrichting van het vliegtuig en de naam van de eigenaar c.q. houder;
b. de naam van de gezagvoerder van het luchtvaartuig;
c. het luchtvaartterrein, waarvan het luchtvaartuig het laatst is vertrokken, alsmede het tijdstip van aankomst;
d. het luchtvaartterrein van bestemming, alsmede het tijdstip van vertrek;
e. de aard van de vlucht, alsmede het aantal inzittenden;
f. de baan- en circuitrichting.
3.De havenmeester dient van verkeersvluchten dezelfde gegevens bij te houden als van niet-verkeersvluchten, met uitzondering van het onder lid 2 b en e gestelde, doch dient daarentegen van verkeersvluchten de volgende additionele gegevens bij te houden:
a. het vluchtnummer;
b. de herkomst c.q. bestemming van de vervoerde passagiers, zowel voor passagiers met bestemming resp. herkomst Nederland als voor overstappende passagiers en doorgaande passagiers;
c. de herkomst c.q. bestemming van de vervoerde vracht en post, zowel voor vracht en post met bestemming resp. herkomst Nederland als voor vracht en post met overslag.
4.De gegevens van het register dienen ten minste 2 jaar te worden bewaard.
5.Door Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting van het register. Op verzoek dient de havenmeester het register voor instemming aan te bieden aan Onze Minister.
6.De havenmeester dient de onder lid 3 genoemde gegevens op een door Onze Minister vast te stellen wijze op te sturen aan Onze Minister.
7.Vanwege het karakter van de gegevens aangeduid onder lid 3 zullen deze gegevens vertrouwelijk worden behandeld.
8.Onverminderd het in het voorgaande bepaalde moet de havenmeester desgevraagd aan door Onze Minister aan te wijzen ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en aan ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten inzage verlenen.
9.De havenmeester van het luchtvaartterrein dient in bijzondere gevallen door Onze Minister nader te bepalen gegevens in het register bij te houden.
De havenmeester moet zorg dragen, dat op de daarvoor geëigende en duidelijk waarneembare plaats ter inzage aanwezig zijn:
a. de vastgestelde tarieven voor het gebruik, dat door luchtvaartuigen wordt gemaakt van het betreffende luchtvaartterrein en van de zich daarop bevindende opstallen;
b. een lijst betreffende eventueel te heffen kosten voor het gebruik van de verschillende inrichtingen, de herstellingen aan luchtvaartuigen en al hetgeen daarmede samenhangt.
1.Voor het verkrijgen van toestemming tot het houden van een luchtvaartvertoning of luchtvaartwedstrijd, als bedoeld in artikel 17 van de Luchtvaartwet, moet ten minste drie weken voor de dag van de vertoning of van de wedstrijd een daartoe strekkend verzoekschrift worden ingediend bij Onze Minister.
Hierbij moet zijn gevoegd:
a. een omschrijving van de vertoning of van de wedstrijd met aanduiding van het (de) te gebruiken terrein(en) en van de te volgen route, alsmede met vermelding in hoeverre kunstvluchten zullen plaatshebben;
b. een verzoek om ontheffing van de verbodsbepaling van artikel 14, lid 1, van de Luchtvaartwet, indien een terrein, niet zijnde luchtvaartterrein, zal worden gebruikt.
c. een schriftelijke verklaring of verklaringen, dat tegen de te houden vertoning of wedstrijd geen bezwaar bestaat, welke in het geval van een vertoning dient(en) te worden afgegeven door de burgemeester(s) van de gemeente(n) waar deze zal worden gehouden en, in geval van een wedstrijd, door de burgemeester(s) van de gemeente(n) waar deze eindigt.
2.Door Onze Minister kunnen nadere regelen worden gegeven, waaraan voldaan moet worden ter verkrijging en gebruik van een toestemming als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Luchtvaartwet.
1.Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 14, eerste lid, van de Luchtvaartwet vervatte verbod, moet tenminste 21 dagen voor de eerste dag waarop het terrein zal worden gebruikt een daartoe strekkend verzoekschrift worden ingediend bij Onze Minister.
2.Bij het verzoekschrift moeten worden overlegd:
1. een verzoek tot ontheffing;
2. fabrikaat en type van het te gebruiken luchtvaartuig;
3. datum/data waarop het terrein zal worden gebruikt;
4. de reden/redenen waarom dit terrein zal worden gebruikt;
5. de gemeente en de plaats waarin het betrokken terrein is gelegen;
6. de afmetingen van het terrein;
7. een duidelijke kaart waaruit de geografische ligging en de aard van de omgeving van het betrokken terrein duidelijk blijkt;
8. een verklaring van geen bezwaar afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken terrein is gelegen;
9. een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar danwel de zakelijk gerechtigde van het betrokken terrein;
10. een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het beoogde terrein aan de gestelde criteria voor een veilig gebruik voldoet.
3.Indien de ontheffing voor drie dagen of minder wordt aangevraagd, is het gestelde in het tweede lid van dit artikel van toepassing met dien verstande dat de verklaringen als bedoeld onder 8 en 9 tijdens het daadwerkelijke gebruik van het terrein ter inzage aanwezig moeten zijn.
4.Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 14, eerste lid, van de Luchtvaartwet vervatte verbod ten behoeve van het opstijgen met een vrije bemande ballon geldt in afwijking van het gestelde in het eerste lid, een termijn van 14 dagen.
5.De betaling van de krachtens artikel 159 vastgestelde vergoeding dient op de in artikel 160 aangegeven wijze te geschieden tenminste 21 dagen voor de eerste datum waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd, met uitzondering van een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, ten aanzien waarvan voor de betaling de termijn op 14 dagen is gesteld.
6.Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 31, eerste lid onder a en b van de Luchtvaartwet vervatte verbod, moet tenminste 21 dagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrage geldt een daartoe strekkend verzoekschrift worden ingediend bij Onze Minister. Het gestelde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
7.Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 33, eerste lid onder a, b en c van de Luchtvaartwet vervatte verbod, moet tenminste 21 dagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrage geldt, een daartoe strekkend verzoekschrift worden ingediend bij Onze Minister. Het gestelde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
8.Artikel 158, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.Onze Minister wijst de werkzaamheden en dienstverleningen, verbonden aan de toepassing van de bepalingen van de Luchtvaartwet en zijn uitvoeringsmaatregelen, aan, voor het verrichten waarvan een vergoeding van de daarmee voor de overheid verband houdende kosten verschuldigd is door belanghebbende en stelt de verschuldigde vergoeding vast.
2.Voor een keuring onderscheidenlijk een herkeuring is een vergoeding verschuldigd, welke wordt berekend naar een door de arts als bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderscheidenlijk de herkeuringscommissie als bedoeld in artikel 33 vastgesteld tarief. Dit tarief behoeft de instemming van Onze Minister. Indien uit de uitslag van de herkeuring blijkt, dat de aanvrager terecht tegen de uitslag van de keuring in beroep is gegaan, zal hem het voor de herkeuring gestorte bedrag worden terugbetaald. Voor de keuring als bedoeld in artikel 27, eerste lid is geen vergoeding verschuldigd. Voor een geldigverklaring van een reeds met gunstige uitslag ondergane militaire vliegmedische keuring of een keuring ondergaan als lid van het stuurhutpersoneel van een burgerlijk vliegtuig in een Staat, welke is aangesloten bij de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie, is een vergoeding verschuldigd, welke wordt berekend naar een door de bovenbedoelde arts vastgesteld tarief. Dit tarief behoeft de instemming van Onze Minister.
1.De beslissing op een aanvraag voor de toepassing van een of meer van de in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde bepalingen wordt in het algemeen niet genomen, indien niet is gebleken dat de verschuldigde vergoeding is betaald.
2.Onze Minister stelt de wijze van betaling van de verschuldigde vergoedingen vast.
3.Wanneer na de betaling van de verschuldigde vergoeding degene, die een aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft ingediend, verzoekt die aanvraag als niet ingediend te beschouwen, kan hem op zijn verzoek een nader door Onze Minister in elk geval afzonderlijk te bepalen bedrag worden terugbetaald.
4.Indien de verlenging van de termijn van geldigheid van een ontheffing binnen twee weken voor de datum van afloop van geldigheid is aangevraagd, is de vergoeding niet opnieuw verschuldigd.
1.Overtreding van de artikelen 96, vierde lid, 123, eerste lid, 124, aanhef en onder a, 125, eerste lid, 126, 127, 128, 129, eerste tot en met vierde lid, 130, eerste en tweede lid, 131, 133, eerste en tweede lid, 136 tot en met 143, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Luchtvaartwet.
2.Een overtreding van:
a. artikel 85, vierde lid, voor zover het betreft het niet voldoen aan de van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen 80, derde lid, 81, derde lid, 82, tweede lid, en 83, tweede en derde lid;
b. artikel 89, eerste lid, voor zover het betreft het niet voldoen aan het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 88, derde lid, onder a en b, en vijfde lid, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Luchtvaartwet.
3.Overtreding van een aanwijzing, regel of voorschrift gegeven krachtens de artikelen 123, tweede lid, 124 aanhef en onder b, 125, tweede lid, 126, 129, vijfde lid, 130, derde lid, 132, eerste lid, 132a, 133, derde lid, 139, derde lid, is, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, een strafbaar feit als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Luchtvaartwet.
4.Een overtreding van een regel gegeven krachtens artikel 88, zesde lid, voor zover het betreft het niet voldoen aan het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 77, tweede lid, is, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, een strafbaar feit als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Luchtvaartwet.
De vóór de inwerkingtreding van dit besluit door Onze Minister afgegeven bewijzen van inschrijving, van luchtwaardigheid, van geschiktheid, van gelijkstelling en van deugdelijkheid treden in de plaats van de overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen. Voor bewijzen, waarvan het model afwijkt van de bedoelde overeenkomstige bewijzen, geschiedt dit slechts voor de duur van ten hoogste zes maanden. In deze periode worden de bewijzen van afwijkend model door Onze Minister vervangen door overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen zonder dat daarbij enige kosten in rekening worden gebracht.
Het Koninklijk besluit van 6 december 1928, Stb. 454 (Regeling Toezicht Luchtvaart), wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, waarop de Luchtvaartwet in werking treedt.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
JULIANA.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. VAN AARTSEN.
De Minister van Justitie a.i.,
STRUYCKEN.