Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit ex artikel 32 Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten

Geldend van 01-01-1956 t/m heden

Besluit van 18 juni 1955, houdende uitvoering van artikel 32 van de Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z. en van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A.;

Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten (Stb. 1954, 451) en van de artikelen 94, 100, derde lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten, het Productschap voor Landbouwzaaizaden, het Productschap voor Aardappelen, het Productschap voor Veevoeder en het Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten mede als betrokken Minister wordt aangemerkt;

Gelet op artikel 32 van eerstgenoemde wet;

De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z. en van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A.;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Voor de toepassing van de Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten (Stb. 1954, 451) en van de artikelen 94, 100, derde lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft:

  • a. verordeningen, die bindende regelen inhouden voor het bakkersbedrijf of de detailhandel in voor menselijke consumptie geschikte, uit granen, zaden of landbouwpeulvruchten verkregen producten;

  • b. verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijven op het gebied van de be- of verwerking van of de groothandel in granen, landbouwpeulvruchten, welke niet in groene toestand zijn geoogst, fijne zaden, boekweit, hop, cichorei- of witlofwortels, uitheemse zetmeelrijke producten of producten, welke uit de vorenbedoelde zijn verkregen.

Artikel 2

Voor de toepassing van de in artikel 1 bedoelde bepalingen ten aanzien van het Productschap voor Landbouwzaaizaden wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijven op het gebied van de handel in landbouwzaaizaden.

Artikel 3

Voor de toepassing van de in artikel 1 bedoelde bepalingen ten aanzien van het Productschap voor Aardappelen wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft:

  • a. verordeningen, die bindende regelen inhouden voor de detailhandel in aardappelen of daaruit verkregen, voor menselijke consumptie geschikte producten;

  • b. verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijven op het gebied van de aardappelmeelindustrie, de aardappelmeel be- of verwerkende industrie of de groothandel in aardappelen, aardappelmeel of andere uit aardappelen verkregen producten.

Artikel 4

Voor de toepassing van de in artikel 1 bedoelde bepalingen ten aanzien van het Productschap voor Veevoeder wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijven op het gebied van de mengvoederindustrie, de overige veevoeder- en de veevoedergrondstoffenindustrie of de handel in veevoeder en veevoedergrondstoffen.

Artikel 5

Voor de toepassing van de in artikel 1 bedoelde bepalingen ten aanzien van het Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft:

  • a. verordeningen, die bindende regelen inhouden:

    • 1. voor een der in de artikelen 1, onder a, en 3, onder a, genoemde bedrijven;

    • 2. voor het banketbakkersbedrijf, het hotel-, het cafĂ©- of het restaurantbedrijf of de detailhandel in koffie, thee, cacaobonen of daaruit verkregen producten, of wijn;

  • b. verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijven:

    • 1. op een der in de artikelen 1, onder b, 2, 3, onder b, en 4 genoemde gebieden;

    • 2. op het gebied van de be- of verwerking van koffie, thee of cacaobonen of daaruit verkregen producten of de groothandel in koffie, thee, cacaobonen of daaruit verkregen producten, of wijn.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip van in werking treden van de Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten.

Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 18 Juni 1955

JULIANA.

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,

A. C. DE BRUIJN.

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,

MANSHOLT.

De Minister van Economische Zaken,

J. ZIJLSTRA.

Uitgegeven de vijftiende Juli 1955.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.