KruimelpadGeldend op 28-05-2012
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie en procedure van de Centrale Raad van Beroep en de raden van beroep opnieuw te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Het bij en krachtens de afdelingen 1, 1A, 2 en 6 van hoofdstuk 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalde is, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 9, 11, 20 en 21, van overeenkomstige toepassing op de Centrale Raad van Beroep, met dien verstande dat:
a. het bestuur bestaat uit een voorzitter, een niet-rechterlijk lid en ten hoogste vier andere leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b;
b. de voorzitter onderscheidenlijk de andere leden met rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, in verband met het verrichten van de werkzaamheden als voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur een toelage ontvangen op het salaris dat zij overeenkomstig de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren genieten, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur vast te stellen salarishoogte;
c. de voorzitter onderscheidenlijk een ander lid met rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, na het verstrijken van een benoemingsduur van ten minste zes aaneengesloten jaren, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden als zodanig beëindigt, gedurende drie jaren een toelage ontvangt op het salaris dat hij overeenkomstig de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren geniet, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur vast te stellen salarishoogte;
d. bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de onkostenvergoeding van de voorzitter en de andere leden met rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, en de bezoldiging van het niet-rechterlijk lid;
e. een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid, wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van het bestuur indien hij als lid met rechtspraak belast wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst;
f. een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid, op eigen verzoek wordt ontslagen;
g. de voorzitter en de andere leden, niet zijnde niet-rechterlijk lid, tevens staatsraad of staatsraad in buitengewone dienst kunnen zijn;
h. ten aanzien van een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid, de bij en krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid;
i. het bestuur bevoegd is organisatorische eenheden in te stellen die belast worden met het behandelen en beslissen van de soorten zaken die door het bestuur aan die eenheden worden opgedragen.
1. Op de leden met rechtspraak belast is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van de artikelen 5a, 5b, 5c, vierde tot en met zesde lid, en 5g, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij met betrekking tot hun benoeming en salaris worden gelijkgesteld met degenen die hetzelfde ambt vervullen bij een gerechtshof;
c. het bestuur de lijst van aanbeveling opmaakt bij het openvallen van een plaats van senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger en de Raad voor de rechtspraak deze lijst telkens, onder medezending van een advies hierover, aan Onze Minister van Justitie doorzendt met het oog op een voordracht voor benoeming overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijke ambtenaren;
e. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft;
f. het bestuur de werkzaamheden van de leden met rechtspraak belast verdeelt; en
g. het lid met rechtspraak belast, dat tevens president is van de Centrale Raad van Beroep, ten aanzien van hen bevoegd is tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing, en het doen van een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in artikel 46o, tweede lid.
2. Op de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op gerechtsauditeurs, met uitzondering van artikel 5b, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof of rechtbank;
c. het bestuur de werkzaamheden van de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs verdeelt; en
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de overeenkomstige toepassing van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde ten aanzien van de in het eerste en tweede lid genoemde leden met rechtspraak belast, senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs.
1. Indien bij de Centrale Raad van Beroep beroep kan worden ingesteld, is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, 8:4, 8:5, 8:6, eerste lid, 8:7, 8:8 , 8:9, 8:10 , 8:13 en 8:51a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 8:86, eerste lid, slechts kan worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Ook hierop worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen.
2. De zaken die bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.
3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. De Centrale Raad van Beroep kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet, inzake:
a. een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, en
b. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.
2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a van die wet,
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van die wet,
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van die wet, en
e. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vierde lid, van die wet.
3. Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
a. een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht; of
b. een andere beslissing van de rechtbank.
1. De werking van een uitspraak met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot en met 24, van de bijlage die bij deze wet behoort, wordt opgeschort, totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.
2. Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft.
1.De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.
2.De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, en vier afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep.
1. Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:13, 8:41, 8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald. Artikel 8:86, eerste lid, kan slechts worden toegepast indien een enkelvoudige kamer van de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan.
2. De zaken die bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.
3. Indien een zaak die door een enkelvoudige kamer van de rechtbank is behandeld naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. De Centrale Raad van Beroep kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
1.In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 8:73a, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Indien de uitspraak van de rechtbank, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld, betrekking heeft op meer dan één besluit of indien het een gezamenlijk beroepschrift van twee of meer indieners ter zake van dezelfde uitspraak betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid ter zake van een van de besluiten onderscheidenlijk door een van de indieners verschuldigde griffierecht.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 115, indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake:
1°. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de onderdelen B en C, onder 1 tot en met 25, 29 en 33, dit laatste voor zover het een besluit betreft gebaseerd op artikel 30d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van de bijlage die bij deze wet behoort,
2°. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden, of
3°. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
b. € 232 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel a, tenzij bij wet anders is bepaald, en
c. € 466 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld.
3. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten, wordt van de desbetreffende rechtspersoon een griffierecht geheven van € 466.
4. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Indien het hoger beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het hoger beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
6. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om herziening.
1.Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de griffier een griffierecht geheven. Artikel 22, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De president kan een kortere termijn stellen.
3.Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de president schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
4.De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de president aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
5.Indien het verzoek is gedaan door het bestuursorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de griffier aan de desbetreffende rechtspersoon wordt terugbetaald.
6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om herziening is gedaan.
1.Indien de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van Beroep aangewezen rechtspersoon wordt vergoed.
2.In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van Beroep aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
1.De Centrale Raad van Beroep wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of
b. de Centrale Raad van Beroep om andere redenen dan bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.
2.De griffier zendt de gedingstukken, onder medezending van een afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank.
In de gevallen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, kan de Centrale Raad van Beroep de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Bij een wijziging van de bijlage die bij deze wet behoort, blijft de bijlage zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien van:
a. de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is gedaan;
b. de in artikel 19 bedoelde gevolgen van dat hoger beroep;
c. de hoogte van het griffierecht bij hoger beroep tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, dat voor dat tijdstip is bekendgemaakt;
d. de hoogte van het griffierecht bij beroep tegen een besluit als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, onderdeel a, onder 1°, van de Algemene wet bestuursrecht, dat voor dat tijdstip is bekendgemaakt.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
JULIANA.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A. A. VAN RHIJN.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
BEEL.
De Minister van Oorlog en van Marine,
C. STAF.
De Minister van Maatschappelijk Werk,
F. J. VAN THIEL.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
2. Wet op de noodwachten.
5. Wet van 25 mei 1962 (Stb. 196), houdende instelling van een Bijstandskorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea.
6. De algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in:
- de artikelen 2.45 en 2.46 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs,
- de artikelen 4.1.2, 4.1.4 en 4.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
- de artikelen 4.5 en 16.23 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
- de artikelen 14, eerste lid, en 35 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek,
- de artikelen 33, tweede lid, en 52 van de Wet op het primair onderwijs,
- de artikelen 33, tweede lid, en 55 van de Wet op de expertisecentra,
- artikel 23, tweede en derde lid, van de Wet op het leerlingwezen,
- de artikelen 55, tweede lid, en 76 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs,
- artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie,
- artikel 58, tweede en derde lid, van de Wet op de onderwijsverzorging, en
- de artikelen 108, 109, 126, derde lid, 127, tweede lid, 146, derde lid, 159, tweede en vijfde lid, en 163, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, telkens voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen betreft.
6a. Artikel B2 van de Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling schoolbegeleiding) (Stb. 252) en artikel 13 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in samenhang met de in onderdeel 6 bedoelde algemene maatregelen van bestuur, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
2. Wet van 21 december 1951 (Stb. 592), houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië.
3. Garantiewet Militairen KNIL.
4. Wet van 23 april 1952 (Stb. 219), houdende een minimumwachtgeldregeling ingevolge artikel 3 van de Garantiewet.
5. Wet Pensioenvoorzieningen KNIL.
6. Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen.
8. Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische pensioenen.
10. Wet van 18 januari 1956 (Stb. 40), houdende goedkeuring van de op 11 augustus 1954 te 's-Gravenhage gesloten overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake overdracht door Indonesië aan Nederland van vorderingen op Nederlanders.
11. Uitvoering van artikel 16 van het Vredesverdrag met Japan (Trb. 1951, 134), voor wat betreft de uitkeringen aan ex-krijgsgevangenen.
12. Uitvoering van het Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan inzake de regeling van het vraagstuk betreffende zekere soorten particuliere vorderingen van Nederlandse onderdanen, met notawisseling.
13. De verdeling tussen belanghebbenden van het Nederlandse aandeel in de opbrengst van de Birma-spoorweg.
14. Ordonnantie houdende voorzieningen met betrekking tot een voorlopige uitkering ter rehabilitatie van bepaalde groepen oorlogsslachtoffers.
15. Ordonnantie tot vaststelling van de regelingen met betrekking tot definitieve uitkeringen ter rehabilitatie van bepaalde groepen van oorlogsslachtoffers, en artikel 17 van Regeling C behorende bij die ordonnantie.
16. Uitvoering van de regels neergelegd in de regeringsnota inzake het Rapport van de Commissie achterstallige Betalingen (Tweede Kamer, zitting 1952-1953, 3107, nr. 1), en de daarop gevolgde stukken en handelingen, alsmede uitvoering van de regels neergelegd in de door de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën, op advies van de Commissie van Bijstand voor de rehabilitatie van Indische oorlogsslachtoffers, vastgestelde of alsnog vast te stellen richtlijnen.
17. Wet van 2 juli 1980 (Stb. 385), houdende regelen omtrent een eenmalige uitkering aan bepaalde Molukse gewezen KNIL-militairen en hun weduwen ter zake van over de periode 1 mei 1956 tot 1 januari 1964 gederfd pensioen.
20. De reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar.
2. Ziektewet.
3c. Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
4. Werkloosheidswet.
5a. Een ministeriële regeling op grond van artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9, van de Kaderwet SZW-subsidies betreffende een tegemoetkoming ten behoeve van thuiswonende gehandicapte kinderen en betreffende het verlenen van een eenmalige uitkering ter tegemoetkoming in immateriële schade aan werknemers die ten gevolge van blootstelling aan asbest ernstig ziek zijn geworden.
7. Algemene Weduwen- en Wezenwet.
8. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989.
8a. Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
8b. Tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
8c. Artikel B2 van de Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling schoolbegeleiding) (Stb. 252) en artikel 13 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in samenhang met de onder 8a en 8b bedoelde algemene maatregelen van bestuur, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
9. Toeslagenwet.
11. Wet arbeid gehandicapte werknemers.
11b. [Vervallen.]
13. Ongevallenwet.
14. Liquidatiewet Ongevallenwet.
15. [Vervallen.]
16. [Vervallen.] .
18. Wet financiering sociale verzekeringen, voorzover het betreft besluiten van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
20. Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
20b. Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
22. Ziekenfondswet.
22a. De artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a van de Zorgverzekeringswet, behalve voor zover op grond van de artikelen 18f, eerste lid, juncto 18d of artikel 18e van die wet, een besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan.
23. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
24. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
24f. Wet inburgering
25. Algemene Bijstandswet, Algemene bijstandswet, Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, Invoeringswet Wet werk en bijstand en Wet werk en bijstand.
26. Wet op de Pensioenkamer.
28. Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies.
30. [Vervallen.]
31. [Vervallen.]
32. [Vervallen.]
33a. De Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, met uitzondering van de besluiten die gebaseerd zijn op regelingen op grond van artikel 81 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2002.
34. Artikel 9 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
36. Artikelen 2 en 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.