Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet onderstandsregeling ingevolge artikel 2 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië

Geldend van 01-04-1998 t/m heden

Wet van 21 December 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 van de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië"

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ingevolge artikel 2, lid 8 van de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië" nodig is Ons besluit van 27 Juni 1950 (Staatsblad No. K 268) tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van die wet, te bevestigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepaling

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

"Garantiewet": de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië;

"overheidsdienaren": hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Garantiewet;

"activiteitswedde": de nominale activiteitswedde, vermeerderd met voor pensioen medetellende toelagen, welke op het tijdstip van dienstbeëindiging wordt dan wel zou zijn genoten op basis van de op 5 Augustus 1949 bestaande bezoldigingsregeling;

"normaal pensioen": het pensioen, waarop recht wordt verkregen bij het bereiken van een diensttijd van 20 en een leeftijd van 50 jaar onderscheidenlijk van een diensttijd van 25 en een leeftijd van 55 jaar, naar gelang de betrokken overheidsdienaar volgens de op 5 Augustus 1949 voor hem van kracht zijnde pensioenregeling behoort tot pensioengroep I onderscheidenlijk pensioengroep II.

Hoofdstuk II. Van de onderstand, bedoeld in artikel 2, lid 4 van de Garantiewet

Afdeling I. Van de onderstand aan overheidsdienaren in vaste dienst

§ 1. Aflopende onderstand

Artikel 2

Aan overheidsdienaren in vaste dienst, die nog geen recht hebben op normaal pensioen, wordt bij dienstbeëindiging als bedoeld in artikel 2, lid 4 van de Garantiewet een aflopende onderstand toegekend volgens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5.

Artikel 3

  • 1 De onderstand, bedoeld in artikel 2, bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner is en voorzolang hij deze hoedanigheid behoudt:

    • a. gedurende twee jaren 60 ten honderd van de eerste f 500.- en 40 ten honderd van het restant,

    • b. gedurende de resterende termijn 40 ten honderd van de eerste f 500.- en 30 ten honderd van het restant, a. en b. van de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 1250.- 's maands niet te boven gaat.

  • 2 Voor een niet-kostwinner bedragen de percentages, bedoeld in lid 1, onder:

    • a. onderscheidenlijk 50 en 30,

    • b. onderscheidenlijk 35 en 25.

Artikel 4

  • 1 Behoudens het bepaalde in artikel 7 wordt de in artikel 3 bedoelde onderstand toegekend, uiterlijk tot het tijdstip, waarop bij doordienen recht op normaal pensioen zou zijn verkregen, voor de duur van:

    bij een diensttijd van minder dan 6 jaren: 2 jaren

    bij een diensttijd van 6 tot aan 7 jaren: 2 jaren en 3 maanden

    bij een diensttijd van 7 tot aan 8 jaren: 2 jaren en 6 maanden

    bij een diensttijd van 8 tot aan 9 jaren: 2 jaren en 9 maanden

    bij een diensttijd van 9 of meer jaren: 3 jaren.

  • 2 Indien daartoe in bijzondere gevallen in verband met de noodzakelijk te achten duur der herscholing aanleiding bestaat, kunnen de in het voorafgaande lid bedoelde termijnen op schriftelijk verzoek van belanghebbenden door Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen in overleg met Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen worden verlengd met een termijn van ten hoogste 1 jaar.

Artikel 5

Aan hem, die ten tijde van het ontslag een leeftijd van tenminste 40 jaar en een voor pensioen tellende diensttijd van tenminste 10 jaar heeft bereikt en bij het verstrijken van het tijdvak, waarover onderstand ingevolge het bepaalde in de artikelen 3 en 4 is genoten, de leeftijd van 45 jaar nog niet heeft bereikt, wordt tot en met de maand, waarin de laatstgenoemde leeftijd wordt bereikt, een overbruggingsonderstand toegekend, bedragende:

  • a. indien hij ten tijde van het ontslag kostwinner was en deze hoedanigheid gedurende het tijdvak, genoemd in artikel 4, heeft behouden, voorzolang hij deze hoedanigheid ook verder blijft behouden, 25 ten honderd,

  • b. in andere gevallen 20 ten honderd, a. en b. van de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 1250.- 's maands niet te boven gaat, met dien verstande, dat deze onderstand niet kan uitgaan boven de blijvende onderstand, bedoeld in de artikelen 6 en 7.

§ 2. Blijvende onderstand

Artikel 6

Na beëindiging van de in de artikelen 2 tot en met 4 bedoelde onderstand wordt aan hem, die ten tijde van het ontslag op een voor pensioen tellende diensttijd van tenminste 10 jaren kan wijzen, een blijvende onderstand toegekend, indien hij op het tijdstip van die beeindiging de leeftijd van tenminste 45 jaar heeft bereikt of, indien hij op dat tijdstip nog geen 45 jaar oud is, zodra hij die leeftijd heeft bereikt. Deze blijvende onderstand is gelijk aan het bedrag van het evenredig pensioen, waarop hij volgens de voor hem op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde bepalingen aanspraak zou hebben bij ontslag wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken, met dien verstande, dat de blijvende onderstand niet kan worden gesteld op een hoger percentage van de grondslag dan het met vier verminderde percentage van de grondslag, waarop het pensioen zou zijn gesteld, indien bij dienstbeëindiging op hetzelfde tijdstip het bepaalde in artikel 2, lid 1, sub c , jo lid 3 van de Garantiewet zou zijn toegepast.

Artikel 7

Indien bij het bereiken van de leeftijd van 45 jaar aanspraak is verkregen op de in artikel 6 bedoelde blijvende onderstand, welke, eventueel vermeerderd met toelagen, als genoemd in Hoofdstuk IV, meer bedraagt dan de op dit tijdstip ingevolge het bepaalde in de artikelen 3 en 4 genoten onderstand, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in Hoofdstuk IV, wordt met ingang van dat tijdstip de blijvende onderstand toegekend.

Afdeling II. Van de onderstand aan overheidsdienaren in tijdelijke dienst

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 8

Aan overheidsdienaren in tijdelijke dienst sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip, die een diensttijd hebben van tenminste 10 jaar en niet voldoen aan de voor eervol ontslag uit de dienst met aanspraak op onderstand bij wijze van pensioen gestelde voorwaarden, wordt bij dienstbeëindiging als bedoeld in artikel 2, lid 4 van de Garantiewet een onderstand toegekend volgens het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 13.

§ 2. Aflopende onderstand

Artikel 9

  • 1 De aflopende onderstand bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner is en voorzolang hij deze hoedanigheid behoudt, 30 ten honderd van de activiteitswedde, voorzover deze een bedrag van f 900.- 's maands niet te boven gaat.

  • 2 Voor een niet-kostwinner bedraagt het percentage, bedoeld in het vorige lid, 25.

Artikel 10

Behoudens het bepaalde in artikel 13 wordt de in artikel 9 bedoelde onderstand toegekend voor de duur van één jaar.

§ 3. Blijvende onderstand

Artikel 11

  • 1 Een blijvende onderstand wordt toegekend aan hem, die ten tijde van het ontslag een leeftijd van tenminste 45 jaar en een diensttijd van tenminste 20 jaar heeft bereikt.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde onderstand wordt toegekend in aansluiting op de onderstand, bedoeld in de artikelen 9 en 10.

Artikel 12

  • 1 De onderstand, bedoeld in artikel 11, bedraagt voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner was en deze hoedanigheid gedurende het genot van de onderstand, bedoeld in de artikelen 9 en 10, heeft behouden, voorzolang hij deze hoedanigheid ook verder behoudt:

    80 ten honderd van het bedrag van het evenredige pensioen, hetwelk hem, ware hij in vaste dienst, volgens de alsdan voor hem op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde bepalingen bij ontslag wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken zou zijn toegekend.

  • 2 Voor een niet-kostwinner bedraagt deze onderstand 60 ten honderd van het in lid 1 bedoelde evenredige pensioen.

Artikel 13

Indien de blijvende onderstand ingevolge het bepaalde in de artikelen 11 en 12, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in Hoofdstuk IV, meer bedraagt dan de aflopende onderstand ingevolge het bepaalde in de artikelen 9 en 10, eventueel vermeerderd met toelagen als genoemd in Hoofdstuk IV, treedt de eerstgenoemde onderstand daarvoor in de plaats.

Hoofdstuk III. Van de onderstand, bedoeld in artikel 2, lid 2 van de Garantiewet

Artikel 14

  • 1 Bij dienstbeëindiging als bedoeld in artikel 2, lid 2 van de Garantiewet worden, in afwachting van de beslissing van een commissie als bedoeld in artikel 8 van die wet, de volgende onderstanden toegekend:

    • a. aan overheidsdienaren in vaste dienst een onderstand, berekend als in de artikelen 3 en 4 is aangegeven;

    • b. aan overheidsdienaren in tijdelijke dienst sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip, een onderstand, berekend als in de artikelen 9 en 10 is aangegeven;

    • c. aan hen, die werkzaam waren op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht naar Nederland is verbonden, een onderstand, berekend als in de artikelen 9 en 10 is aangegeven, met dien verstande, dat deze onderstand vervalt, indien de betrokkene zich niet binnen een maand na dienstneerlegging tot de bevoegde commissie, als bedoeld in artikel 8 van de Garantiewet, heeft gewend.

  • 2 Indien aan de betrokken overheidsdienaren op grond van artikel 2 van de Garantiewet een andere uitkering wordt toegekend, treedt de laatstgenoemde uitkering, gerekend van de datum van dienstbeëindiging in de plaats van de onderstand, bedoeld in het vorige lid.

Hoofdstuk IV. Van de duurte-, gezins- en kindertoelagen

Artikel 15

Voorzover en voorzolang uitkeringen ingevolge deze wet worden genoten in het rechtsgebied van de Republiek Indonesië, zomede in Nieuw-Guinea, worden zij verhoogd met de duurte-, gezins- en kindertoelagen, volgens de ter plaatse geldende regelingen.

Artikel 16

Voorzover een aflopende onderstand ingevolge deze wet wordt genoten in het Koninkrijk, met uitzondering van Nieuw-Guinea, wordt die onderstand verhoogd met de kindertoelage op de voet van het bepaalde in artikel 21 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948.

Artikel 16a

Het bepaalde in artikel 16 blijft buiten toepassing ten aanzien van kindertoelage voor kinderen, voor wie aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, of de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 10 van laatstgenoemde wet.

Hoofdstuk V. Van de toekenning van de uitkeringen

Artikel 17

  • 1 De uitkeringen ingevolge deze wet worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene toegekend, indien hij zich ten tijde van zijn ontslag in het Koninkrijk bevindt, door Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, en indien hij zich ten tijde van zijn ontslag in Indonesië bevindt, door Onze Hoge Commissaris bij de Regering van de Republiek Indonesië.

  • 2 Het tijdstip van ingang van de uitkering wordt bij de toekenning bepaald.

Artikel 18

De blijvende onderstand eindigt met het einde van de maand, volgende op die van overlijden en in de gevallen, bedoeld in artikel 19, met het einde van het maand, waarin de oorzaak tot beëindiging is ontstaan.

Artikel 19

De blijvende onderstand vervalt, wanneer hij, die deze onderstand geniet:

  • a. buiten Onze toestemming zich in andere dan Nederlandse krijgsdienst begeeft of een door een andere dan de Nederlandse Overheid opgedragen openbare bediening aanneemt;

  • b. in het genot van een pensioen wordt gesteld, bij de berekening waarvan mede als diensttijd in rekening is gebracht de diensttijd, welke voor de bepaling van de onderstand in aanmerking is genomen, met dien verstande, dat, wanneer het pensioen minder bedraagt dan de genoten onderstand, deze wordt teruggebracht tot het verschil.

Artikel 20

  • 1 Wanneer iemand, in het genot van een blijvende onderstand, veroordeeld is tot plaatsing in een door het openbaar gezag ingestelde werkinrichting, tot een vrijheidsstraf voor de tijd van drie maanden of tot enige zwaardere straf, mist hij gedurende de tijd, dat hij zijn straf ondergaat of zich daaraan onttrekt, het genot van die onderstand.

  • 2 Ten aanzien van hem, die zijn straf ondergaat of zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, is Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen bevoegd om:

    • a. gedurende die tijd over de onderstand van de veroordeelde te beschikken ten behoeve van zijn vrouw of van zijn minderjarige afstammelingen in de rechte linie tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat of van zijn bloedverwanten in de opgaande linie;

    • b. voorzover van de onder a bedoelde bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt, hem, die uit de werkinrichting of uit de gevangenis is ontslagen, in het genot te stellen van een uitkering, welke bij een straftijd van minder dan een jaar de helft van het bedrag van de onderstand over die straftijd, en bij een straftijd van langere duur de helft van het jaarlijkse bedrag van de onderstand niet te boven gaat.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1971]

Artikel 22

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van haar afkondiging en werkt terug tot 9 Juli 1950.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk , 21 December 1951

JULIANA.

De Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,

L. PETERS.

De Staatssecretaris voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,

GÖTZEN.

De Minister van Financiën, a.i.,

W. DREES.

Uitgegeven de achttiende Januari 1952.

De Minister van Justitie,

H. MULDERIJE.