Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Groevenreglement 1947[Regeling vervallen per 01-01-2003.]

Geldend van 01-01-1998 t/m 31-12-2002

Besluit van 20 januari 1947, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Mijnwet 1903 (Staatsblad 1904, N°. 73)

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Economische Zaken van 14 November 1946, N°. 87572, Afdeeling Mijnwezen;

Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Mijnwet 1903 (Staatsblad 1904, N°. 73) zooals deze is gewijzigd laatstelijk bij de wet van 20 Juni 1938 (Staatsblad N°. 521);

Den Raad van State gehoord (advies van 17 December 1946, N°. 25);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 11 Januari 1947, N°. 99034, Afdeeling Mijnwezen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Ondergrondsche steengroeven mogen niet dan met vergunning van Onze Minister van Economische Zaken worden ontgonnen of voor andere doeleinden dan ontginning in gebruik worden genomen.

  • 2 De vergunning wordt slechts geweigerd op gronden, verband houdende met de veiligheid.

  • 3 Aan de vergunning kunnen ter verzekering van de veiligheid voorwaarden worden verbonden.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De aanvraag om vergunning wordt tot Onze Minister van Economische Zaken gericht, doch door tussenkomst van het bestuur der gemeente, binnen welke de grond is gelegen, waaronder de groeve zich bevindt of zal bevinden, ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Indien de groeve zich zal uitstrekken onder grond, gelegen in meer dan één gemeente, geschiedt de indiening door tusschenkomst van het bestuur der gemeente, binnen welke het grootste gedeelte der groeve zal zijn gelegen. Betreft de aanvraag een bestaande groeve, dan geschiedt de indiening door tusschenkomst van het bestuur der gemeente, binnen welke de ingang, of, ingeval de groeve meer dan één ingang heeft, binnen welke de hoofdingang der groeve zich bevindt.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De aanvraag om vergunning moet inhouden:

    • a. naam, voornamen, woonplaats en beroep van den aanvrager;

    • b. een opgave van de kadastrale perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken;

    • c. een omschrijving van de voorgenomen ontginningswijze of van het ander gebruik, dat van de groeve zal worden gemaakt.

  • 2 Bij de aanvraag om vergunning moeten worden overgelegd:

    • a. een kaart in tweevoud op een schaal, ten genoegen van den Inspecteur-Generaal der Mijnen, van het terrein, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, met de naaste omgeving tot op een afstand van ten minste vijf en twintig meter in alle richtingen; op deze kaart moeten zijn aangegeven alle gebouwen, land-, spoor- en waterwegen, alsmede de plaats, waar met de werkzaamheden zal worden aangevangen en, indien de aanvraag op een bestaande groeve betrekking heeft, de ingang of ingangen en de aanwezige ondergrondsche uitgravingen; de ligging der op dit plan aangeduide groeve moet worden aangesloten aan het Nederlandsche Rijksdriehoeksnet;

    • b. een uittreksel uit de kadastrale leggers betreffende de perceelen, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken.

  • 3 Indien en voor zoover de aanvraag wordt gedaan door een ander dan den eigenaar van den grond, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, moet bij de aanvraag tevens worden overgelegd een verklaring van den eigenaar of van de eigenaren van den grond, blijkens welke zij den verzoeker voor den duur van tenminste vijftien jaren toestemming hebben verleend voor de ontginning of het gebruik van de in hun grond gelegen groeve, overeenkomstig het eerste lid, onder c.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De aanvraag wordt met de bijlagen door het gemeentebestuur, bij hetwelk het is ingezonden, ten spoedigste ter inzage gelegd op de secretarie der gemeente; het ter inzage leggen wordt gelijktijdig op de in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht.

  • 2 In het geval, bedoeld in het tweede lid van artikel 2, doet het gemeentebestuur mededeeling van het ter inzage leggen aan de besturen van de andere gemeenten, binnen welker gebied een gedeelte van de groeve is of zal zijn gelegen. Deze besturen brengen deze mededeeling ten spoedigste op de in hun gemeenten gebruikelijke wijze ter openbare kennis en geven hiervan, met vermelding van de dagteekening, bericht aan eerstgenoemd gemeentebestuur.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De aanvraag met de bijlagen blijft ter inzage liggen gedurende vier weken na de dagteekening van de in het vorig artikel bedoelde kennisgevingen.

  • 2 Gedurende dien tijd kunnen bedenkingen tegen de voorgenomen ontginning of ander gebruik der groeve schriftelijk worden ingediend bij het bestuur der gemeente, waar de stukken ter inzage liggen.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2003]

Na het verstrijken van den in het vorig artikel bedoelden termijn zendt het gemeentebestuur de aanvraag met bijlagen en de ingebrachte bedenkingen, vergezeld van een verklaring, dat aan het bepaalde in de artikelen 4 en 5 is voldaan, aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2003]

Bij de bekendmaking van de beschikking op de aanvraag om vergunning zendt Onze Minister van Economische Zaken de aanvrager een door hem gewaarmerkt exemplaar van de in artikel 3, tweede lid, onder a, bedoelde kaart. Aan Gedeputeerde Staten en aan de betrokken gemeentebesturen wordt mededeling van de beschikking gedaan door toezending van een afschrift.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De vergunning is van kracht voor den vergunninghouder en zijn rechtverkrijgenden, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid.

  • 2 Bij overgang of overdracht van de vergunning is de nieuwe vergunninghouder verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister van Economische Zaken, die de vergunning ten name van den nieuwen vergunninghouder stelt.

  • 3 Evenwel kan een vergunning, welke was verleend aan den eigenaar van den grond, waaronder de groeve zich uitstrekt of zal uitstrekken, niet overgaan op of worden overgedragen aan een nieuwen vergunninghouder dan met den eigendom van dien grond, tenzij de eigenaar van den grond hem voor den tijd van tenminste vijftien jaren of voor den duur der vergunning, indien deze korter is, toestemming verleent voor de ontginning of het gebruik van de groeve.

  • 4 Ontginning of ander gebruik van de groeve bij wijze van verpachting is slechts geoorloofd met toestemming van Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Onverminderd hetgeen bij of krachtens dit Reglement aan anderen is voorgeschreven, is de vergunninghouder verplicht zorg te dragen voor de naleving van de bij of krachtens dit Reglement gegeven voorschriften, behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.

  • 2 Indien de vergunninghouder een naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken voldoende deskundig bedrijfsleider of opzichter heeft aangewezen, die belast is met de zorg voor de naleving van de in het vorig lid bedoelde voorschriften en Onze Minister van Economische Zaken deze aanwijzing schriftelijk heeft aanvaard, is die bedrijfsleider of opzichter verplicht voor de naleving van die voorschriften zorg te dragen en vervalt de verplichting van den vergunninghouder.

  • 3 In het geval, bedoeld in artikel 8, vierde lid, rust de verplichting, bedoeld in het eerste lid, met uitsluiting van den vergunninghouder, op dengene, die de groeve met toestemming van Onze Minister van Economische Zaken ontgint of in gebruik heeft.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het in artikel 7 bedoelde gewaarmerkte exemplaar moet te allen tijde op aanvrage ter inzage worden verstrekt aan de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen. Ten minste éénmaal per jaar en wel in den loop van het eerste kwartaal, moet dit exemplaar, evenals het bij het Staatstoezicht op de Mijnen berustende exemplaar, worden bijgewerkt; indien in den loop van het laatst afgeloopen kalenderjaar geen ontginningswerkzaamheden hebben plaats gehad, moet hiervan in den loop van het eerste kwartaal van het eerstvolgend kalenderjaar op genoemde exemplaren aanteekening worden gehouden.

  • 2 Indien door Onze Minister van Economische Zaken fouten of nalatigheden in bedoelde gewaarmerkte exemplaren worden aangetroffen, moeten binnen een door hem te stellen termijn de voorgeschreven aanvullingen en veranderingen zijn aangebracht.

  • 3 Het bijwerken van het bedoelde gewaarmerkte exemplaar kan desgevraagd na voorafgaande betaling der kosten, voor elk geval afzonderlijk door Onze Minister van Economische Zaken te bepalen, geschieden door het Staatstoezicht op de Mijnen.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van iedere aanwijziging van een bedrijfsleider of opzichter en van elk ontslag van zulk een persoon moet onmiddellijk schriftelijk kennis worden gegeven aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Bij gebleken ongeschiktheid of onbetrouwbaarheid moet de bedrijfsleider of opzichter onverwijld van de hem opgedragen taak worden ontheven, met onmiddellijke schriftelijke mededeeling aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2003]

De vergunninghouder is verplicht zorg te dragen, dat op een door Onze Minister van Economische Zaken goed te keuren plaats een groevenboek aanwezig is, waarin de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen hun bezoeken kunnen aanteekenen, zoomede de opmerkingen, waartoe die bezoeken hun aanleiding hebben gegeven.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2003]

In de groeve mogen geen werkzaamheden worden verricht door andere personen, dan die daartoe aangewezen zijn door dengene, op wien ingevolge artikel 9 de zorg voor de naleving van de bij of krachtens dit Reglement gegeven voorschriften rust.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Voor den 10en van iedere maand moet aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen een opgave worden gezonden van de gedurende de afgeloopen maand ontgonnen hoeveelheid losse mergel en mergelbrokken in tonnen en de hoeveelheid mergelblokken in kubieke meters en overige grondsoorten, alsmede van het aantal gewerkte dagen, het aantal arbeiders en de hoeveelheden verbruikte ontplofbare stoffen.

  • 2 Van het bepaalde in het vorig lid kan door Onze Minister van Economische Zaken ontheffing worden verleend.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2003]

Onder gebouwen, land-, spoor- en waterwegen of binnen een afstand van vijf en twintig meters daarvan mogen geen ontginningswerkzaamheden of andere uitgravingen plaats vinden zonder schriftelijke toestemming van Onze Minister van Economische Zaken. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Wanneer de algemene veiligheid of de veiligheid in de groeve op enige wijze wordt bedreigd, dan wel een of meer personen zich in onmiddellijk levensgevaar bevinden, moet hiervan onverwijld kennis worden gegeven aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Wanneer naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken hetzij voor de algemene veiligheid hetzij voor de veiligheid in de groeve gevaar bestaat, kan hij maatregelen ter afwending van dat gevaar voorschrijven.

  • 3 Bij onmiddellijk dreigend gevaar zijn ook de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen bevoegd maatregelen voor te schrijven; zodanige voorschriften moeten onverwijld door Onze Minister van Economische Zaken worden bevestigd, gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Van alle ongevallen moet op geregelde, door Onze Minister van Economische Zaken te bepalen, tijdstippen worden kennis gegeven aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 2 Van ieder ongeval, dat den dood van een persoon, of letsel, hetwelk vermoedelijk omstreeks zes weken of langer voor den arbeid ongeschikt maakt, ten gevolge heeft gehad, moet onmiddellijk kennis worden gegeven aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen en aan den burgemeester der betrokken gemeente. Voor zoover zonder gevaar mogelijk, moet alles ter plaatse in denzelfde toestand gelaten worden, totdat een ambtenaar van het Staatstoezicht op de Mijnen toestemming tot opruiming heeft gegeven. De getuigen moeten ter beschikking worden gesteld op het tijdstip, door den ambtenaar van het Staatstoezicht op de Mijnen aangegeven.

  • 3 Van belangrijke instortingen en andere voorvallen, waarmede de veiligheid gemoeid kan zijn, moet onverwijld kennis worden gegeven aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 De inrichting van de groeven moet voldoen aan den eisch van veilig werk; zoodanige beveiligingen moeten worden aangebracht, dat gevaar bij het verkeer, het vervoer of den arbeid en gevaar voor geheele of gedeeltelijke instorting zooveel mogelijk is uitgesloten.

  • 2 Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd met het oog op het bepaalde in het vorig lid nadere voorschriften te geven.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 In groeven, welke door den aard van het gebruik, dat er krachtens de in artikel 1 bedoelde vergunning van wordt gemaakt, opengesteld zijn voor anderen dan de er in te werk gestelde personen, moeten op de door of namens Onze Minister van Economische Zaken aan te wijzen plaatsen duidelijk in het oog vallende wegwijzers zijn aangebracht, welke het voor niet in de groeve bekend zijnde personen mogelijk maken den uitgang te vinden.

  • 2 De ingangen van groeven, welke niet zijn opengesteld voor andere dan de er in te werk gestelde personen, moeten van een deugdelijke afsluiting zijn voorzien, alsmede van borden met het opschrift "Verboden toegang". Het is aan onbevoegden verboden, deze groeven te betreden. Van het einde van den werktijd tot het begin van den werktijd moeten alle uitgangen van deze groeven gesloten zijn.

  • 3 Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd te bepalen, dat door hem aangewezen gedeelten van groeven moeten worden afgesloten. Het is verboden deze gedeelten zonder zijn toestemming te betreden.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden in een groeve een bewaarplaats van ontplofbare stoffen aan te leggen, in te richten of in gebruik te hebben zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken.

  • 2 Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een duidelijke tekening overgelegd waaruit de ligging en de inrichting van de bewaarplaats blijkt, en wordt opgave gedaan van de hoeveelheid en de soort van ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen welke daarin zullen worden bewaard.

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het is verboden andere dan door Onze Minister van Economische Zaken goedgekeurde ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen in de groeve te brengen, bij zich te hebben of te gebruiken.

  • 2 Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd omtrent den opslag, de uitgifte, het vervoer en het gebruik van ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen nadere voorschriften te geven.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2003]

Zoodra een groeve gedurende een geheel jaar buiten gebruik is geweest, moet de vergunninghouder hiervan schriftelijk kennis geven aan Onze Minister van Economische Zaken; deze is bevoegd voor te schrijven, dat de toegangen tot de groeve op een door hem aan te geven wijze worden afgesloten.

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Vóórdat een groeve wordt verlaten, moet zij worden opgemeten en moet het in artikel 7, eerste lid, bedoelde gewaarmerkte exemplaar geheel worden bijgewerkt en aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen worden toegezonden ter plaatsing in zijn archief.

  • 2 Van het verlaten van een groeve moet onverwijld mededeeling worden gedaan aan den Inspecteur-Generaal der Mijnen.

  • 3 De toestand van de verlaten groeve wordt door een ambtenaar van het Staatstoezicht op de Mijnen gezamenlijk met een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of van de betrokken gemeentebesturen en na oproeping van den vergunninghouder, bij proces-verbaal geconstateerd, waarvan de Inspecteur-Generaal der Mijnen afschrift zendt aan het gemeentebestuur of de gemeentebesturen en aan den vergunninghouder.

  • 4 De toegangen tot een verlaten groeve moeten behoorlijk, ter beoordeeling van Onze Minister van Economische Zaken, zijn afgesloten.

  • 5 Met het verlaten van een groeve wordt voor de toepassing van dit reglement gelijkgesteld het buiten gebruik laten gedurende drie achtereenvolgende jaren.

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2003]

Het is aan onbevoegden verboden een overeenkomstig artikel 22 of artikel 23 afgesloten groeve te betreden.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2003]

De vergunning kan worden ingetrokken, indien:

  • a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de vergunning niet zou zijn verleend als bij de beslissing de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

  • b. de omstandigheden, op grond waarvan zij werd verleend, zich zodanig hebben gewijzigd, dat de vergunning niet zou zijn verleend als op het tijdstip van de beslissing de gewijzigde omstandigheden aanwezig waren geweest;

  • c. zij met het oog op gevaar voor lichamelijke schade niet gehandhaafd kan blijven;

  • d. blijkt, dat aan een of meer voorwaarden, waaronder zij is verleend, niet wordt voldaan.

Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2003]

Onverminderd het in artikel 2, eerste lid, bepaalde, worden aanvragen om vergunning of tot het nemen van enige andere in dit reglement voorziene beslissing gericht tot Onze Minister van Economische Zaken, doch ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 1 Het besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat van 25 Januari 1941 (Nederlandsche Staatscourant 1941, No. 29) tot vaststelling van het Groevenreglement 1941 wordt ingetrokken.

  • 2 Alle ingevolge het Groevenreglement 1941 getroffen voorzieningen blijven, voor zoover zij niet met de bepalingen van dit besluit in strijd zijn, van kracht en worden geacht op grond van dit besluit te zijn getroffen.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2003]

  • 2 Het treedt in werking met ingang van den tweeden dag na dien zijner afkondiging.

Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Amsterdam, den 20sten Januari 1947

WILHELMINA.

De Minister van Economische Zaken,

HUYSMANS.

Uitgegeven den veertienden Februari 1947.

De Minister van Justitie,

J. H. VAN MAARSEVEEN.