Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Reglement op de Militaire Willems-Orde

Geldend van 01-01-1997 t/m heden

Besluit van 30 juni 1941, waarbij wordt vastgesteld een Reglement op de Militaire Willems-Orde

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken, van Defensie, van Koloniën en van Justitie van 14 Mei 1941, N°. 352;

Gelet op artikel 15 van de Wet, houdende herziening van de wet van 30 April 1815, N°. 5 (Staatsblad N°. 33) nopens de instelling van de Militaire Willems-Orde;

Den Volksraad, de Staten van Suriname en de Staten van Curaçao gehoord;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Vast te stellen het volgend:

REGLEMENT OP DE MILITAIRE WILLEMS-ORDE.

Artikel 1

Waar in dit reglement wordt gesproken van de "Wet" en de "Orde" worden daarmede bedoeld onderscheidenlijk de "Wet op de Militaire Willems-Orde" en de "Militaire Willems-Orde".

Artikel 2

Benoeming en bevordering in de Orde kan geschieden:

  • a. Op voordracht van den chef, onder wien de betrokken persoon dient of gediend heeft, of van een hoogere autoriteit;

  • b. Op aanvrage van den persoon, die meent zich in den strijd door een of meer uitstekende daden van moed, beleid en trouw te hebben onderscheiden.

Artikel 3

  • 1 Alle voordrachten worden langs den hiërarchischen weg gezonden aan het betrokken Departement van algemeen bestuur en Ons door het hoofd van dat Departement aangeboden.

  • 2 In Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao geschiedt deze inzending der voordrachten mede door tusschenkomst van den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 5

Bij de aanvraag moet de aanvrager een volledige en duidelijke beschrijving overleggen van de uitstekende daad, waarop hij zijn aanvrage steunt; van het onderdeel der krijgsmacht waarbij, van het tijdstip waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder hij de daad verrichtte; van de namen van zoo mogelijk niet minder dan drie personen, die daarbij tegenwoordig waren en die de juistheid van hetgeen de aanvrager opgeeft kunnen bevestigen.

Artikel 6

Aan aanvragen om tot lid van de Orde te worden benoemd of daarin te worden bevorderd, gedaan op grond van daden, welke vijf jaren of meer te voren zouden zijn bedreven, wordt geen gevolg gegeven.

Artikel 7

  • 1 Alle chefs en autoriteiten, die langs den hiërarchischen weg een voordracht of een aanvrage ter behandeling ontvangen, zijn verplicht bij de doorzending te doen blijken of en waarom zij al dan niet met de voordracht of aanvrage instemmen.

  • 2 Zij zijn eveneens verplicht hem, die het lidmaatschap der Orde aanvraagt, dan wel verzoekt daarin te worden bevorderd, voor zooveel noodig en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, bij te staan in het bijeenbrengen der gegevens, verklaringen enz., waardoor kan worden bewezen, dat de uitstekende daad door den aanvrager is bedreven.

Artikel 8

  • 1 Iedere chef, die een uitstekende daad als in de Wet bedoeld door een zijner ondergeschikten heeft zien bedrijven, is verplicht daarvan mededeeling te doen aan den boven hem gestelden chef of autoriteit onder bijvoeging van een beschrijving van de daad, met vermelding van tijd, plaats en omstandigheden en van schriftelijke verklaringen van zoo mogelijk niet minder dan drie personen, die getuigen waren van de daad.

  • 2 Op gelijke wijze zal worden gehandeld, wanneer op andere wijze te zijner kennis is gekomen, dat door een zijner ondergeschikten zulk een daad is bedreven.

Artikel 9

De in artikel 8 bedoelde stukken zullen zoo duidelijk en volledig mogelijk moeten zijn, opdat de uitstekende daad daarmede kan worden bewezen.

Artikel 10

  • 1 De militairen, die getuigen waren van de vermeende uitstekende daad, zijn op vordering van hun chef verplicht schriftelijk een beschrijving te geven van hetgeen zij hebben gezien. Dit stuk wordt, als de getuige officier is, door dezen onderteekend, nadat hij daarop een verklaring heeft gesteld, dat het naar waarheid is opgemaakt. Het wordt vervolgens door den chef voor gezien geteekend.

  • 2 Heeft de getuige niet den rang van officier, dan wordt het stuk door den chef in handen gesteld van twee door hem aan te wijzen officieren, die den getuige het geschrevene voorlezen en hem daarbij wijzen op eventueel in de verklaring voorkomende onduidelijkheden, welke door den getuige, zoo hij dit verlangt, worden verbeterd. Bevat het stuk daarna alles wat de getuige geheel naar waarheid kan verklaren, dan wordt dit in zijn tegenwoordigheid door de officieren op het stuk vermeld, waarna het door den getuige met zijn handteekening wordt bekrachtigd. De twee officieren stellen en onderteekenen op het stuk de verklaring, dat de getuige in hun tegenwoordigheid zijn handteekening heeft geplaatst, na hun desgevraagd te hebben verzekerd, dat hij in het door hem opgestelde stuk zoo volledig mogelijk en naar waarheid heeft getuigd.

Artikel 11

  • 1 Kan een getuige niet schrijven, dan wordt zijn verklaring zooveel doenlijk met zijn eigen woorden opgeschreven door een der officieren in artikel 10 (2) bedoeld.

  • 2 Overigens wordt in acht genomen het bepaalde in genoemd artikel, met dien verstande, dat door den getuige instede van een handteekening een door de officieren gewaarmerkt handmerk wordt gesteld.

Artikel 12

Als geen voldoend aantal officieren als in de artikelen 10 en 11 bedoeld beschikbaar is, kunnen de ontbrekenden door militairen van hoogeren rang of meerderen ouderdom in rang dan de getuige worden vervangen, waartoe uit de beschikbaren de hoogsten in rang worden aangewezen.

Artikel 13

Niet-militairen worden als getuigen toegelaten, als zij bereid zijn verklaringen af te leggen als in artikel 10 of 11 bedoeld.

Artikel 14

Indien de verklaringen van getuigen als in de artikelen 10, 11 of 13 bedoeld ontbreken, wordt een voordracht of aanvrage niettemin in behandeling genomen, indien de uitstekende daad op andere wijze voldoende kan worden bewezen.

Artikel 15

  • 1 Het Kapittel bestaat uit zeven leden en drie plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd op gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister belast met de zorg voor de ridderorden en van Onze Ministers van Defensie en van Koloniën.

  • 2 Voor benoeming komen in aanmerking gewezen militairen van de zeemacht, de landmacht hier te lande en die in Nederlandsch-Indië, terwijl zoo mogelijk elk dezer deelen der weermacht zal worden vertegenwoordigd. Zoo noodig kunnen ook nog in dienst zijnde militairen tot lid of plaatsvervangend lid van het Kapittel worden benoemd.

  • 3 De leden en plaatsvervangende leden genieten als zoodanig geen bezoldiging of vacatiegelden.

  • 4 Waar in de volgende artikelen wordt gesproken van "lid" of "leden" wordt daaronder mede begrepen "plaatsvervangend lid" en "plaatsvervangende leden".

Artikel 16

De leden nemen zitting in volgorde van hun benoeming tot lid van het Kapittel. Bij gelijke benoeming beslist de volgorde, waarin hun namen in het desbetreffend besluit zijn vermeld.

Artikel 17

Bij ontstentenis of afwezigheid van den Kanselier wordt hij als voorzitter vervangen door een door hem aan te wijzen lid van het Kapittel.

Artikel 18

  • 1 Wanneer een lid den vollen ouderdom van vijf en zeventig jaren heeft bereikt, wordt hem met ingang van de daaropvolgende maand als zoodanig door Ons, op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Koloniën, ontslag verleend.

  • 2 Vóór dat tijdstip kan een lid door Ons op gelijke voordracht worden ontslagen, hetzij op eigen verzoek, dan wel indien daartoe door Ons, het Kapittel gehoord, redenen aanwezig worden bevonden.

Artikel 19

  • 1 Het Kapittel is te 's-Gravenhage gevestigd.

  • 2 In buitengewone omstandigheden wijzen Wij voor het Kapittel zoo noodig een andere standplaats aan.

Artikel 20

  • 1 Het Kapittel wordt door den Kanselier bijeengeroepen telkenmale wanneer hij dit noodig oordeelt.

  • 2 De stukken en bescheiden, betrekking hebbende op de in de bijeenkomst te behandelen onderwerpen, moeten zoo eenigszins mogelijk te voren bij de leden hebben gecirculeerd.

Artikel 21

  • 1 Adviezen, voorstellen of beslissingen van het Kapittel worden gegeven, gedaan of genomen bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. Een stemming is alleen geldig als ten minste vijf leden, de voorzitter hieronder begrepen, daaraan hebben deelgenomen. In de bijeenkomst aanwezige leden zijn verplicht aan de stemming deel te nemen. Blanco-stemmen is niet toegelaten.

  • 2 De leden, die zich niet hebben vereenigd met het gevoelen der meerderheid, hebben de bevoegdheid in een bij het advies of het voorstel van het Kapittel over te leggen nota hun afwijkende meening toe te lichten.

Artikel 22

Het Kapittel brengt aan het Hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur advies uit over de voordrachten voor benoeming of bevordering in en ontslag uit de Orde, over de aanvragen om in de Orde te worden opgenomen of bevorderd, zoomede de in dit reglement genoemde gevallen.

Artikel 23

  • 1 Het Kapittel is bevoegd Ons, door tusschenkomst van de daarbij betrokken Departementen van algemeen bestuur, alle inlichtingen te verstrekken, welke het meent in het belang van de Orde of van de ridders te moeten doen.

  • 2 Het Kapittel verstrekt desgevraagd aan het Hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Het Hoofd van het betrokken Departement van algemeen bestuur kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 24

  • 1 Het Kapittel doet onder zijn toezicht registers aanhouden voor elk der vier klassen van ridders, bevattende voor elken ridder: naam en voornamen, datum en plaats van geboorte, beknopten staat van dienst, datum van benoeming en van bevordering in de Orde, beknopte vermelding van de uitstekende daad (daden), waarvoor de benoeming of bevordering geschiedde, zoomede eventueel datum en nummer van Ons Besluit van schorsing van de bevoegdheid tot het dragen van het ordeteeken of van ontslag uit de Orde. Van overlijden van een ridder wordt in de registers aanteekening gehouden.

  • 2 Het Kapittel doet eveneens aanteekening houden van Onze besluiten, waarbij aan eenig onderdeel der weermacht het ordeteeken is verleend, met beknopte vermelding van de uitstekende daad (daden), waardoor het zich heeft onderscheiden.

Artikel 25

  • 1 De toekenning van het lidmaatschap der Orde geschiedt als regel door benoeming van den betrokkene tot ridder der 4e klasse.

  • 2 Is de verrichte daad evenwel van zoo buitengewonen en uitstekenden aard, dat hem billijkerwijs een hoogere belooning in de Orde toekomt, dan zal benoeming tot een hoogere klasse kunnen geschieden.

Artikel 26

Een ridder der Orde, die opnieuw in den strijd een uitstekende daad van moed, beleid en trouw heeft verricht, kan bij Ons voor bevordering in de Orde in aanmerking worden gebracht.

Artikel 27

Door Ons kan worden bepaald, dat de naam van hem, die tijdens het verrichten van een uitstekende daad van moed, beleid en trouw, waarvoor hij tot een benoeming of bevordering in de Orde in aanmerking zou zijn gekomen, sneuvelde of, voordat Onze beslissing aangaande zijn benoeming of bevordering was genomen, is overleden, in de in artikel 24 bedoelde registers zal worden ingeschreven.

Artikel 28

Van Onze besluiten tot benoeming of bevordering in de Orde, alsmede van die, genoemd in de artikelen 24 (2) en 27, wordt, met beknopte vermelding van de uitstekende daad, waarvoor de onderscheiding of vergunning is verleend, mededeeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 29

Tijdig voordat aan een benoemden ridder het Ordeteeken zal worden uitgereikt, zendt het betrokken Departement van algemeen bestuur hem een exemplaar van de Wet en van dit reglement.

Artikel 30

  • 1 Het uitreiken van het ordeteeken aan militairen geschiedt voor het front der troepen of der scheepsbemanning, ter plaatse van de uitreiking aanwezig, op de volgende wijze:

    • a. de autoriteit, met de uitreiking belast, doet aan de aanwezigen mededeeling van de uitstekende daad (daden), waarvoor de onderscheiding werd toegekend;

    • b. de ban wordt geopend en het Koninklijk Besluit der benoeming voorgelezen;

    • c. den benoemde - Nederlandsch onderdaan zijnde - wordt de eed (belofte) afgenomen;

    • d. het ordeteeken wordt den benoemde (bevorderde) op de borst gehecht c.q. omgehangen;

    • e. de benoemde ridder ontvangt de accolade van de ridders, daartoe aangewezen door of namens de autoriteit met de uitreiking belast;

    • f. de ban wordt gesloten;

    • g. de autoriteit, die de uitreiking verrichtte, houdt een toespraak tot den ridder en vervolgens tot de aanwezige troepen (scheepsbemanning);

    • h. de troepen defileeren voor den benoemden (bevorderden) ridder. Aan boord van een Onzer schepen wordt door de bemanning gedefileerd, voor zoover de ruimte dit toelaat.

    Tijdens de handelingen genoemd onder d en e speelt de muziek het Wilhelmus.

  • 2 Voorts wordt bij de in het 1e lid genoemde plechtigheid in acht genomen hetgeen daaromtrent door Ons of door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië c.q. den Gouverneur van Suriname of van Curaçao in de voorschriften en reglementen voor de onderscheiden deelen der weermacht is of zal worden vastgesteld.

  • 3 Indien door bijzondere omstandigheden de uitreiking van het ordeteeken op de in de beide voorgaande leden omschreven wijze niet kan plaats hebben, zal de in het 1e lid onder a genoemde autoriteit op de uitreiking orde stellen, daarbij in acht nemende, dat zulks op plechtige wijze behoort te geschieden.

Artikel 31

Het uitreiken van het ordeteeken aan niet-militairen - Nederlandsche onderdanen - alsmede aan vreemdelingen geschiedt op de wijze, zooals door Ons of door Onzen betrokken Minister voor elk geval zal worden bepaald.

Artikel 32

Het uitreiken van de onderscheiding, bedoeld in artikel 14 der Wet, geschiedt door den hoogsten militairen gezaghebbende van zee- of landmacht, onder wiens bevelen het betrokken onderdeel der weermacht is gesteld, of bij deszelfs verhindering door zijn vertegenwoordiger. Artikel 30 (2) is hierbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

Wij behouden Ons voor het Ordeteeken aan een benoemden of een bevorderden ridder, alsmede een onderscheiding als in artikel 14 der Wet bedoeld, persoonlijk uit te reiken. In die gevallen zal het bij de plechtigheid te volgen ceremonieel telkenmale door Ons worden vastgesteld.

Artikel 34

Het, door de zorg van den Kanselier der Orde opgemaakte, ridder-diploma wordt den benoemden of bevorderden ridder kosteloos verstrekt, na de uitreiking van het ordeteeken, indien het hem bij die gelegenheid niet is overhandigd.

Artikel 35

De ridder der Orde is verplicht het model ordeteeken te dragen:

  • a. militair zijnde: bij groot en ceremonieel tenue, alsmede bij parades;

  • b. niet-militair zijnde; bij het bijwonen van plechtigheden of feestelijkheden, welke een openbaar karakter dragen;

  • c. in de gevallen genoemd in de artikelen 38, 39, 40 en 41.

Artikel 36

Aan militairen, ridders der Orde, wordt, wanneer zij het model ordeteeken zichtbaar dragen, de militaire groet gebracht door hun niet met dit ordeteeken gedecoreerde rang- of standgenooten.

Artikel 37

Schildwachten geven aan een ridder der Orde, indien deze het model ordeteeken zichtbaar draagt, hetzelfde eerbewijs als aan een officier.

Artikel 38

Indien door eenig onderdeel der weermacht aan Ons of aan Leden van Ons Huis eerewachten worden gegeven, zullen daarvoor in de eerste plaats worden aangewezen de tot dat onderdeel behoorende militairen ridders der Orde.

Artikel 39

Wanneer ridders der Orde in hun kwaliteit door Ons worden uitgenoodigd tot bijwoning van openbare plechtighedend, waarbij Wij tegenwoordig zullen zijn of waarbij Wij Ons doen vertegenwoordigen, zal hun van Onzentwege worden medegedeeld, welke bijzondere plaats zij tijdens de plechtigheid hebben in te nemen.

Artikel 40

  • 1 Indien een ridder der Orde in militairen dienst overlijdt en met militaire eerbewijzen wordt begraven, zal bij de teraardebestelling het ceremonieel gevolgd worden, vastgesteld voor de begrafenis van een militair van den naast hoogeren rang dan de overledene bekleedde. Het militair escorte zal zoo mogelijk bestaan uit afdeelingen van de troepen, waarbij de overledene heeft gediend en met welke hij de wapenfeiten verrichtte, die tot verleening van de ridderorde aanleiding hebben gegeven. De vier slippen van het lijkkleed zullen, zoo mogelijk, worden gedragen door ridders der Orde. Het ordeteeken van den overledene zal op het lijkkleed worden gehecht. De ridders in militairen dienst, aanwezig ter plaatse van de begrafenis, zullen in den lijkstoet volgen.

  • 2 Tot de overige ter plaatse wonende ridders der Orde zal door de autoriteit, die met de regeling der begrafenis is belast, de algemeene uitnoodiging worden gericht mede in den lijkstoet te volgen.

Artikel 41

Het in artikel 40 bepaalde geldt ook voor de begrafenis van een ridder der Orde, die bij zijn overlijden niet meer in militairen dienst was, indien de begrafenis in een garnizoensplaats of marine-standplaats geschiedt en de nabestaanden of betrekkingen hebben verzocht de teraardebestelling met militaire eerbewijzen te doen plaats hebben.

Artikel 42

  • 1 In Nederland heeft de uitbetaling der toelagen, bedoeld in artikel 9 der Wet, kwartaalsgewijze plaats vanwege het betrokken Departement van algemeen bestuur.

  • 2 In Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao geschiedt de uitbetaling naar door den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel te stellen regelen.

Artikel 43

Indien tegen een ridder der Orde een strafvervolging is ingesteld wegens eenig misdrijf of wegens een overtreding, als gevolg waarvan de bijkomende straf van plaatsing in een Rijks- of Landswerkinrichting kan worden opgelegd, geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het betrokken gerecht daarvan kennis: in Nederland aan den Voorzitter van het Kapittel der Orde en in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao - door tusschenkomst van den Procureur-Generaal aldaar - aan den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

Artikel 44

Van elke onherroepelijke veroordeeling van een ridder der Orde wegens eenig misdrijf of wegens een overtreding, waarbij de bijkomende straf van plaatsing in een Rijks- of Landswerkinrichting is uitgesproken, geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het betrokken gerecht kennis: in Nederland aan den Voorzitter van het Kapittel der Orde en in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao - door tusschenkomst van den Procureur-Generaal aldaar - aan den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 46

Bij benoeming of bevordering in de Orde dan wel bij toekenning van het ordeteeken aan eenig onderdeel der weermacht wordt het ordeteeken op Rijkskosten door den Kanselier der Nederlandsche Orden verstrekt. Bij bevordering in of ontslag uit de Orde wordt het ordeteeken, waarop het recht tot dragen is vervallen, aan genoemden Kanselier teruggezonden.

Artikel 47

De in artikel 7 (1) der Wet omschreven onderscheidingsteekenen voor de leden der Orde zijn overeenkomstig de bij dit besluit behoorende standmodellen, welke zullen worden bewaard ter Kanselarij der Nederlandsche Orden.

Indien bepalingen van dit reglement uit hoofde van bijzondere omstandigheden in Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaçao niet kunnen worden toegepast, is de Gouverneur-Generaal c.q. de Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel bevoegd zoodanige voorschriften uit te vaardigen als hij noodig oordeelt, mits de algemeene strekking dier voorschriften met dit reglement in overeenstemming zij.

Artikel II

In te trekken:

  • a. de Koninklijke besluiten van 25 Juni 1815, No. 10, 9 September 1818, No. 73, 14 Juli 1824, No. 134, 13 Juni 1858, No. 43 en 7 Juni 1897, No. 24;

  • b. het Koninklijk besluit van 30 Maart 1821, No. 101, voor zoover de Militaire Willems-Orde betreft.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Wet op de Militaire Willems-Orde.

Onze Ministers van Algemeene Zaken, van Defensie, van Koloniën en van Justitie zijn, ieder voor zoover hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan de Kanselarij der Nederlandsche Orden.

Londen, den 30sten Juni 1941

WILHELMINA.

De Minister van Algemeene Zaken, a.i.,

VAN BOEIJEN.

De Minister van Defensie a.i.,

VAN BOEIJEN.

De Minister van Koloniën,

CH. WELTER.

De Minister van Justitie,

P. S. GERBRANDY.

Uitgegeven den zestienden Juli 1941.

De Minister van Justitie,

P. S. GERBRANDY.