Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit instelling Centraal Bureau van Bijstand ex artikel 73a Wet op het Notarisambt

Geldend van 01-01-1998 t/m heden

Besluit van 20 mei 1933, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 73a der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 mei 1931, Stb. 195

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 21 April 1933, Afdeeling I c, n°. 839;

Overwegende, dat door Ons voorschriften moeten worden gegeven ter uitvoering van artikel 73a der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 Mei 1931 (Staatsblad n°. 195);

Den Raad van State gehoord (advies van den 9 Mei 1933, n°. 20);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van den 17 Mei 1933, 1ste Afdeeling C, n°. 875;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1 Door Ons wordt ingesteld een Centraal Bureau van Bijstand, hetwelk de Kamers van Toezicht over de notarissen en candidaat-notarissen zal bijstaan bij het toezicht op de nakoming van de in artikel 73a der Wet op het Notarisambt neergelegde verplichting der notarissen tot boekhouding.

  • 3 Op verzoek van het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds voor de Notarisklerken kan Onze Minister van Justitie bepalen, dat het Centraal Bureau ten behoeve van dat fonds de werkzaamheden verricht, die het bestuur van het fonds aan het bureau mocht opdragen ter inwinning van gegevens welke de bij het fonds aangesloten werkgevers ingevolge artikel 3 der Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht zijn aan het bestuur van het fonds te verstrekken.

Artikel 2

  • 1 Het Centraal Bureau is gevestigd in eene door Ons aan te wijzen gemeente.

  • 2 Het bestaat uit een voorzitter en ten minste twee deskundigen, door Ons te benoemen.

  • 3 Wij behouden Ons de benoeming voor van een plaatsvervangend voorzitter en van één of meer plaatsvervangende deskundigen, ter vervanging bij afwezigheid, belet of ontstentenis.

  • 4 Onze Minister van Justitie benoemt het aan het Centraal Bureau verbonden personeel.

Artikel 3

  • 1 De voorzitter en de deskundigen zijn gehouden hunne woonplaats te hebben in de gemeente, waar het Centraal Bureau is gevestigd.

  • 2 Onze Minister van Justitie kan, telkens voor een bepaalden tijd, vrijstelling van deze verplichting verleenen. In het desbetreffende besluit wordt de woonplaats aangewezen.

  • 3 Het aan het Centraal Bureau verbonden personeel kan met toestemming van den voorzitter buiten de gemeente van vestiging van het Bureau wonen.

Artikel 4

  • 1 Alvorens in bediening te treden leggen de voorzitter, de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel den volgenden eed (belofte) af:

    "Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning en aan de wetten des Rijks.

    Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder eenigen vorm of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd noch zal geven of beloven.

    Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijne betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd middellijk noch onmiddellijk eenige beloften of geschenken aannemen zal, dat ik mijne taak nauwgezet en ijverig zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijne bediening kennis draag, en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen, dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeeling verplicht ben.

    Zoo waarlijk helpe mij God almachtig

    (Dat verklaar en beloof ik)."

  • 2 De voorzitter legt den eed (belofte) af in handen van Onzen Minister van Justitie; de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel in handen van den voorzitter.

  • 3 Van de beëediging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Artikel 5

  • 1 De voorzitter geniet jaarlijks een maand vakantie. Voor afwezigheid gedurende langer dan acht achtereenvolgende dagen buiten zijn vakantie behoeft hij het verlof van Onze Minister van Justitie.

  • 2 Het verlof aan de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel wordt verleend door den voorzitter.

Artikel 6

De deskundigen bekleeden geen openbare of particuliere nevenbetrekkingen of functiën, waaraan geldelijke voordeelen verbonden zijn, zonder toestemming van onze Minister van Justitie; het aan het Centraal Bureau verbonden personeel doet dit niet zonder toestemming van den voorzitter.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1958]

Artikel 8

  • 1 De voorzitter is belast met het leiden der vergaderingen van het Centraal Bureau en met de algemeene regeling van de werkzaamheden der deskundigen.

  • 2 Hij regelt tevens de werkzaamheden van het aan het Centraal Bureau verbonden personeel en oefent daarop toezicht uit.

  • 3 Als secretaris van het Centraal Bureau treedt een der deskundigen op, door den voorzitter daartoe aan te wijzen.

  • 4 Indien het Centraal Bureau overgaat tot het vaststellen van een Huishoudelijk Reglement, behoeft dit de goedkeuring van Onzen Minister van Justitie.

Artikel 9

  • 1 Het Centraal Bureau oefent zijne in artikel 1, eerste lid, bedoelde taak uit door:

    • 1°. in opdracht van de Kamers van Toezicht door zijne deskundigen te doen onderzoeken, of door de notarissen behoorlijk wordt voldaan aan de verplichting tot boekhouding, hun opgelegd bij artikel 73a der Wet op het Notarisambt;

    • 2°. voor zoover zulks niet reeds krachtens de onder 1°. bedoelde opdrachten geschiedt, het daar bedoeld onderzoek geregeld ten aanzien van alle notarissen te doen verrichten.

  • 3 Elk der deskundigen is in het geheele Rijk bevoegd.

  • 4 De notarissen verleenen medewerking, mede door aan de deskundigen en de leden van het aan het Centraal Bureau verbonden personeel, door wie de deskundigen zich doen bijstaan inzage te geven van hunne boekhouding.

Artikel 10

  • 1 Het Centraal Bureau zendt aan de Kamer van Toezicht zoo spoedig mogelijk na elk onderzoek als bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel een door den deskundige onderteekend verslag van diens bevindingen.

  • 2 Leidt het onderzoek niet tot het maken van opmerkingen van bijzonderen aard, dan kan er mede worden volstaan alleen deze omstandigheid in het verslag te vermelden.

Artikel 11

In opdracht van den voorzitter van eene Kamer van Toezicht, die een onmiddellijk onderzoek ten aanzien van een bepaalden notaris noodig acht, zal het Centraal Bureau dat onderzoek onverwijld doen verrichten.

Artikel 12

De voorzitter van eene Kamer van Toezicht kan het Centraal Bureau opdragen een zijner deskundigen aan te wijzen om bijstand te verleenen aan het lid of de leden der Kamer, met het instellen van een onderzoek belast ingevolge artikel 17 van den ter uitvoering van artikel 50b der Wet op het Notarisambt vastgestelden algemeenen maatregel van bestuur.

Artikel 13

Het Centraal Bureau en de deskundigen verstrekken aan de Kamer van Toezicht en aan haar voorzitter alle inlichtingen, welke de Kamer of de voorzitter dienstig zal oordeelen.

Artikel 14

Het Centraal Bureau dient desgevraagd Onzen Minister van Justitie van voorlichting in alle vragen betreffende de uitvoering van artikel 73a der Wet op het Notarisambt. Het is bevoegd aan voornoemden Minister ook eigener beweging daaromtrent voordrachten te doen.

Artikel 15

Telken jare vóór 1 Mei brengt het Centraal Bureau aan Onzen Minister van Justitie schriftelijk verslag uit over zijne werkzaamheden in het afgeloopen jaar.

Artikel 16

  • 1 Vóór 1 Maart van elk jaar maakt het Centraal Bureau een staat van kosten op, welke zijn in het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden hebben medegebracht. De staat bevat de verschillende posten van uitgaaf.

  • 2 In de kosten is begrepen een rente over de uitgaven van het afgelopen jaar; deze rente wordt berekend over een vol jaar naar een rentevoet, welke gelijk is aan de voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V., geldende op 1 juli van het afgelopen jaar, verminderd met een half procentpunt.

  • 3 De staat van kosten behoeft de goedkeuring van Onzen Minister van Justitie.

Artikel 17

  • 1 Indien het Centraal Bureau in het afgelopen jaar werkzaamheden als bedoeld in artikel 1, tweede lid, heeft verricht, stelt Onze Minister van Justitie, na overleg met het Centraal Bureau een door Onze Minister aangewezen vertegenwoordiger van het notariaat en het bestuur van het Notarieel Pensioenfonds, vast welk deel der kosten is te beschouwen als kosten, gemaakt ter uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 1, tweede lid.

  • 2 Het gezamenlijk bedrag der in het vorige artikel bedoelde kosten of, in het geval van het vorige lid, het na aftrek van het aldaar bedoelde deel overblijvende bedrag dier kosten wordt door het Centraal Bureau omgeslagen over alle in Nederland gevestigde notarissen met inachtneming van de navolgende regelen.

Artikel 18

  • 1 Telken jare vóór 1 April doen de notarissen aan het Centraal Bureau opgave tot welke der tien onderstaande inkomen-klassen zij behooren.

  • 2 Tot klasse a behoren zij, die bij de uitoefening van het notariaat over het afgelopen kalenderjaar hebben gehad een zuiver inkomen van minder dan f 25 000,-; tot klasse b zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 25 000,- of meer, doch minder dan f 50 000,-; tot klasse c zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 50 000,- of meer, doch minder dan f 75 000,-; tot klasse d zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 75 000,- of meer, doch minder dan f 100 000,-; tot klasse e zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 100 000,- of meer, doch minder dan f 150 000,-; tot klasse f zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 150 000,- of meer, doch minder dan f 200 000,-; tot klasse g zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 200 000,- of meer, doch minder dan f 300 000,-; tot klasse h zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 300 000,- of meer, doch minder dan f 400 000,-; tot klasse i zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 400 000,- of meer, doch minder dan f 500 000,-; tot klasse j zij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 500 000,- of meer.

  • 3 Onder het bedoelde inkomen worden verstaan alle inkomsten, welke direct of indirect uit de uitoefening van het notariaat voortvloeien. Onder indirecte inkomsten worden o.a. verstaan administratieloon, executeurs- en bewindvoerdersloon, inkomsten uit penningmeesterschappen van polders of waterschappen of uit andere functiën, indien deze geacht moeten worden te zijn verkregen in verband met het notariaat.

  • 4 De omslag geschiedt over hen, die behoren tot klasse a, b, c, d, e, f, g, h, i, of j in de verhouding 1, 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17 en 19.

  • 5 Over het jaar, waarin een notaris zijne bediening aanvaardt of ophoudt notaris te zijn, draagt hij of dragen zijne erven of rechtverkrijgenden niet bij.

Artikel 19

  • 1 Het Centraal Bureau herinnert telken jare in de maand Januari de notarissen aan hunne verplichting tot het doen der opgave.

  • 2 Zij, die na herhaalde aanmaning niet vóór 15 April opgave hebben gedaan, worden door het Centraal Bureau ambtshalve in de hoogste klasse ingedeeld.

Artikel 20

  • 1 De aanslag over een jaar wordt ten spoedigste, zo mogelijk voor het eind van de maand mei van het daaropvolgende jaar, door het Centraal Bureau bekendgemaakt met vermelding waar, wanneer en hoe de betaling moet geschieden.

  • 2 Het Centraal Bureau brengt de vaststelling van het in artikel 17, eerste lid, bedoelde deel der kosten ten spoedigste ter kennis van het Notarieel Pensioenfonds met de mededeling waar, wanneer en hoe de betaling moet geschieden.

Artikel 21

In den in artikel 16 bedoelden staat wordt opgenomen het bedrag der kosten van een vorig jaar, hetwelk onbetaald mocht zijn gebleven.

Artikel 22

Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Onze voornoemde Minister is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, den 20sten Mei 1933

WILHELMINA.

De Minister van Justitie,

J. DONNER.

Uitgegeven den tweeden Juni 1933.

De Minister van Justitie,

VAN SCHAIK.