Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsbesluit ex artikelen 62 en 76 Wetboek van Strafvordering

Geldend van 25-12-2002 t/m heden

Besluit van 4 december 1925, tot uitvoering van de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 27 October 1925, 2de afdeeling A n°. 897;

Gezien de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, zoomede titel IV van de Invoeringswet Strafvordering.

Den Raad van State gehoord (advies van 17 November 1925 n°. 19);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie van 30 November 1925, 2de afdeeling A n°. 931;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Artikel 1

  • 1 Ten aanzien van de plaatsen, die voor inverzekeringstelling worden bestemd, kan Onze Minister van Justitie de noodige algemeene of bijzondere voorschriften geven, strekkende om deze te doen beantwoorden aan de eischen van een eenvoudig, doch voldoende dag- en nachtverblijf.

  • 2 Indien Onze Minister van Justitie verklaart, dat eene plaats niet voor inverzekeringstelling geschikt is, mag aldaar geenerlei vrijheidsberooving worden ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

  • 1 In de voeding van den inverzekeringgestelde moet naar behooren worden voorzien.

  • 2 Hem kan worden vergund uit eigen gelden zich zoodanige verdere voeding te doen verschaffen als hij verkiest en zich de inrichting van zijn verblijf meer geriefelijk te doen maken.

  • 3 Hem kan worden vergund te rooken.

Artikel 3

Den inverzekeringgestelde kan, voorzooveel daartoe gelegenheid bestaat, worden vergund tweemaal 's daags gedurende tenminste een half uur beweging in de open lucht te nemen.

Artikel 4

Den inverzekeringgestelde kan worden vergund zich met zoodanigen arbeid bezig te houden als hij verkiest en zich daartoe het noodige te doen verschaffen.

Artikel 4a

  • 1 De inverzekeringgestelde wordt direct voorafgaand aan de insluiting onderzocht op aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Het onderzoek vindt plaats door het aftasten en doorzoeken van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als de inverzekeringgestelde. Voorwerpen die een gevaar voor de inverzekeringgestelde of voor anderen kunnen vormen worden in bewaring genomen.

  • 2 Van de inverzekeringgestelde kan worden verlangd dat hij zich ontkleedt, indien:

    • a. de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de inverzekeringgestelde of voor anderen kan vormen en de hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven;

    • b. de kleding naar het oordeel van een arts tijdens de insluiting een gevaar voor de gezondheid van de inverzekeringgestelde of anderen kan vormen. De kleding wordt in bewaring genomen en de inverzekeringgestelde wordt voorzien van vervangende kleding.

Artikel 5

  • 1 Overigens geschiedt de behandeling van den inverzekeringgestelde in het algemeen in dier voege, dat hij aan geene andere beperkingen wordt onderworpen dan die voor het doel zijner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

  • 2 Behoudens het reeds in artikel 3 daaromtrent bepaalde, kan ook alleen zoodanige volstrekte noodzakelijkheid grond opleveren voor de weigering van eene vergunning als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4.

Artikel 6 [Vervallen per 25-12-2002]

Artikel 7

  • 1 Dit besluit geldt niet voor inverzekeringstelling of voorloopige hechtenis ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en in afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 4den December 1925

WILHELMINA.

De Minister van Justitie,

J. SCHOKKING.

Uitgegeven den zevenden December 1925.

De Minister van Justitie,

J. SCHOKKING.