Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wet tot regeling pensioenen voor de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht

Geldend van 06-02-1927 t/m heden

Wet van 2 juli 1923, tot regeling van de pensioenen voor de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of geweest te zijn, alsmede voor hunne weduwen en weezen

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is, afzonderlijke bepalingen te treffen ten aanzien van de pensionneering van de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of geweest te zijn, alsmede ten aanzien van de pensionneering van hunne weduwen en weezen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Ten aanzien van de reserve-adjudanten-onderofficier, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of te zijn geweest, worden van toepassing verklaard de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922 n°. 66).

De tijd, gedurende welken zij in bedoelde betrekking zijn werkzaam geweest, wordt beschouwd als onder de wapenen te zijn doorgebracht.

Artikel 2

  • 1 De in artikel 1 bedoelde onderofficieren worden beschouwd als vrijwillig dienende militairen in den zin van artikel 2 der Militaire Weduwenwet 1922, ook al zouden zij reeds als gepensionneerd militair voor hunne weduwen en weezen aanspraak op pensioen hebben op grond van voormelde wet.

  • 2 Onderofficieren, als in artikel 1 bedoeld, die in het tijdvak van 1 Januari 1918 tot 1 Juli 1922 als zoodanig zijn gepensionneerd, worden uit dien hoofde van 1 Januari 1920 af beschouwd als gepensionneerde militairen in den zin van artikel 3 onder a der Militaire Weduwenwet 1922, ongeacht of zij al dan niet reeds als gepensionneerd militair voor hunne weduwen en weezen uitzicht hadden op pensioen ten laste van het weduwen- en weezenfonds voor militairen en gepensionneerde militairen van de landmacht.

Artikel 3

Het bepaalde bij artikel 1 dezer wet wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 Januari 1920, terwijl de pensioenen, welke in het tijdvak van 1 Januari 1918 tot 1 Januari 1920 zijn verleend aan reserve-adjudanten-onderofficier, als waarvan in gemeld artikel sprake is, te rekenen van laatstgenoemden datum zullen worden herzien aan de hand van de in artikel 1 genoemde wet, voor zoover zulks voor de belanghebbenden voordeelig zal blijken te zijn.

Het bepaalde bij artikel 2 wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 Juli 1922.

Aan de weduwen en weezen van reserve-adjudanten-onderofficier, als in artikel 1 bedoeld, - voor zoover die militairen zijn overleden in het tijdvak van 1 Januari 1920 tot 1 Juli 1922 - wordt, te rekenen van laatstgemelden datum, pensioen toegekend naar de bepalingen der Militaire Weduwenwet 1922 en ten laste van het in artikel 1 dier wet genoemde fonds, berekend naar den pensioensgrondslag, welke voor de overledenen zou hebben gegolden, indien zij op den datum van overlijden waren gepensionneerd op grond van de Pensioenwet voor de Landmacht (Staatsblad 1922, n°. 66), ongeacht of zij al dan niet deelgenoot waren van het voormalige weduwen- en weezenfonds voor militairen en gepensionneerde militairen van de landmacht.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Rydal Hall, Ambleside , den 2den Juli 1923.

WILHELMINA.

De Minister van Oorlog,

Van Dijk.

De Minister van Financiën,

De Geer.

Uitgegeven den zestienden Juli 1923.

De Minister van Justitie,

Heemskerk.