Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Schepenwet

Geldend op 15-04-2009


  • Wet van 1 juli 1909, houdende bepalingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van kapiteins, stuurlieden of machinisten
  • Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

    Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

    Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bepalingen vast te stellen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van schippers, stuurlieden of machinisten;

    Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

  • Artikel 1

    • 1.Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder:

      buitengaats brengen, voor zover het betreft het verlaten van

      • a. het Nederlandse en het Duitse gebied, gelegen aan de landszijde van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lijn: het brengen van een schip aan de buitenzijde van deze lijn;

      • b. de Nederlandse Antillen:

        het verlaten van een der havens in de Nederlandse Antillen;

      • c. Aruba: het verlaten van een der havens in Aruba;

      • d. andere gebieden dan vermeld onder a, b en c: het brengen van een schip aan de buitenzijde van de lijn zoals deze door de overheid ter plaatse voor het buitengaats brengen is vastgesteld, dan wel volgens plaatselijke gewoonte wordt aangenomen.

      het ondernemen van eene reis: het buitengaats brengen van een schip;

      Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      schepelingen: allen, die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zoodanig hebben verbonden;

      kapitein: elk gezagvoerder van een schip of die dezen vervangt;

      passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van:

      • 1°. de kapitein en de schepelingen;

      • 2°. andere personen, die in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;

      • 3°. kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van een jaar nog niet hebben bereikt.

      passagiersschip: elk schip, dat door den eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert;

      vissersvaartuig: elk vaartuig, dat gebezigd wordt voor het vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee;

      scheepsramp: een voorval, overkomen aan een schip, ten gevolge waarvan schade van beteekenis aan dat schip of de zaken aan boord daarvan, of letsel aan een of meer van de opvarenden, of schade aan een ander schip of de zaken aan boord daarvan, dan wel letsel aan een of meer van de opvarenden daarvan is veroorzaakt. Voor de toepassing van Hoofdstuk IV wordt onder "scheepsramp" mede verstaan elk voorval, aan een schip overkomen, indien niet zoozeer met het oog op de omvangrijkheid der gevolgen als wel op grond van den aard van het voorval de waarschijnlijkheid bestaat, dat uit een onderzoek lessen kunnen worden geput, dan wel de wenschelijkheid kan blijken van het stellen van voorschriften, welke kunnen dienen ter voorkoming van scheepsrampen.

    • 2.Voor de toepassing van deze rijkswet wordt onder "schip" begrepen een vaartuig, een sleepschip, een dok en elk ander dergelijk drijvend voorwerp, hetwelk over zee naar zijne bestemming wordt gesleept.

    • 3.Voor de toepassing van deze rijkswet wordt, ook wat de strafbepalingen betreft, onder "eigenaar" verstaan de persoon die het beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar of boekhouder van de rederij van het schip is, hetzij hem het schip in gebruik is gegeven.

  • Artikel 2

    • 1.De bepalingen van deze rijkswet zijn van toepassing op de in Nederland thuis behoorende schepen, welke bestemd zijn dan wel gebezigd worden om eene reis te ondernemen, met uitzondering van:

      • a. Nederlandse oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die in gebruik zijn voor de uitvoering van de militaire taak;

      • b. reddingvaartuigen;

      • c. onoverdekte visschersvaartuigen, welke in den regel niet buiten het zicht van de Nederlandsche kust worden gebracht;

      • d. pleiziervaartuigen, welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd, voorzover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren;

      • e. schepen, welke varen onder vreemde vlag en welke niet vallen onder de omschrijving, voorkomende in het derde lid van dit artikel onder II;

        en, behoudens het bepaalde in artikel 2bis :

      • f. schepen, welke slechts bij uitzondering, hetzij over korten afstand, hetzij gesleept zonder bemanning, buiten de in artikel 1 genoemde lijn varen;

      • g. schepen, welke hetzij hier te lande voor buitenlandsche rekening zijn gebouwd, hetzij naar het buitenland zijn verkocht, en welke over zee naar hunne bestemmingsplaats moeten worden gebracht;

      • h. schepen, welke uitsluitend voor het houden van eenen proeftocht eene reis ondernemen.

    • 2.De bepalingen van deze rijkswet zijn mede van toepassing op bij Landsverordening van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba aangewezen landsvaartuigen of op daarbij aangewezen schepen, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba.

    • 3.Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt een schip geacht in Nederland thuis te behooren in de twee na te noemen gevallen:

      • I. indien het kantoor, waarvoor het vaart, in Nederland is gevestigd;

      • II. indien het in Nederland wordt uitgerust en zijne bemanning voor ten minste de helft uit Nederlanders of Rijksingezetenen bestaat.

    • 4.Met betrekking tot de bemanningen van schepen in openbare dienst zijn de artikelen 34 tot en met 41 en 48 tot en met 51 niet van toepassing.

  • Artikel 2bis

    • 1.Kapiteins van schepen, bedoeld onder de uitzonderingen f tot en met h van artikel 2, eerste lid, ondernemen met hun schip geen reis zonder vergunning van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

    • 2.Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De vergunning geldt voor een daarbij bepaalde periode.

    • 3.In de Nederlandse Antillen en in Aruba wordt een weigering van een vergunning schriftelijk en gemotiveerd gegeven. In de Nederlandse Antillen en in Aruba kan tegen de weigering van een vergunning bezwaar worden gemaakt bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden in de Nederlandse Antillen en in Aruba met het weigeren van een vergunning gelijkgesteld het schriftelijk weigeren een vergunning te verlenen alsmede het niet tijdig verlenen van een vergunning. In de Nederlandse Antillen en in Aruba wordt een besluit omtrent het verlenen van een vergunning genomen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

  • Hoofdstuk II. Voorkoming van scheepsrampen

  • § 1. Veiligheidsvoorschriften

  • Artikel 3
    • 1.Er wordt geen reis ondernomen, tenzij de voor het schip benodigde certificaten zijn afgegeven, welke nog geldig zijn op het ogenblik van vertrek.

    • 2.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld welke certificaten benodigd zijn. Aan certificaten kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    • 3.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt de geldigheidsduur van de certificaten vastgesteld.

  • Artikel 3a
    • 1.Een certificaat wordt alleen afgegeven indien het schip en de bedrijfsvoering over het schip, zowel aan boord als aan de wal, voldoen aan de eisen, daartoe bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.

    • 2.De vaststelling van de eisen, bedoeld in het eerste lid, kan voor bepaalde bij of krachtens de maatregel aangewezen onderwerpen geschieden door het van toepassing verklaren van de regels, ter zake gegeven door bij of krachtens de maatregel aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen. Indien een aanwijzing plaatsvindt krachtens de maatregel wordt het besluit tot aanwijzing bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in de Landscourant van Aruba.

    • 3.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke onderzoeken schepen, ter verkrijging van een certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan, zijn onderworpen om vast te stellen of zij voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

    • 4.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gegeven met betrekking tot de aanvraag voor het verkrijgen van een certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden.

  • Artikel 4
    • 1.De kapitein is verplicht, alvorens met zijn schip eene reis te ondernemen, te zorgen dat:

      • a. het schip volkomen zeewaardig is en alle daarvoor in aanmerking komende openingen binnen en buiten boord afdoende zijn gesloten;

      • b. aan boord de noodige redding- en veiligheidsmiddelen, alsmede heel- en verbandmiddelen en eene desbetreffende handleiding, aanwezig zijn, in verband met den dienst, waarin het schip wordt gebruikt, den aard en den duur der voorgenomen reis en het aantal opvarenden en de noodige aanwijzingen betrekkelijk een doelmatig gebruik van de reddingmiddelen zijn aangebracht;

      • c. aan boord de noodige zeekaarten, zeilaanwijzingen en instrumenten aanwezig zijn en deze behoorlijk zijn bijgehouden of op tijd zijn nagezien en gesteld;

      • d. alle hulpmiddelen, noodig om te kunnen voldoen aan de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen, aan boord zijn en in deugdelijken staat verkeeren, de lantaarns in overeenstemming met deze bepalingen kunnen worden geplaatst, en in het algemeen de uitrusting van het schip aan de eischen van zeewaardigheid en veiligheid voldoet;

      • e. de lensinrichting in orde en van voldoende capaciteit is;

      • f. de aanwezige electrische inrichtingen voldoen aan de vastgestelde voorschriften;

      • g. de radioinstallaties bedrijfsklaar zijn;

      • h. de belading, de stuwage en het ballasten van het schip aan de eischen van zeewaardigheid en veiligheid voldoen;

      • i. het schip zodanig is geladen, dat het geen geringer vrijboord heeft dan blijkens de afgegeven certificaten is toegestaan;

      • k. het schip behoorlijk bemand is met voor zijne taak berekend personeel, dat lichamelijk geschikt is voor de hem opgedragen werkzaamheden, een en ander in verband met de veiligheid van het schip;

      • l. de voorgeschreven stabiliteitsgegevens aan boord zijn;

      • m. de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften in acht zijn genomen;

      • n. de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften in acht zijn genomen.

      • o.

        • - indien het schip een passagiersschip is

        • - niet meer passagiers zijn ingescheept dan blijkens het de afgegeven certificaten geoorloofd is, de alarmrol bekend is gemaakt, de voorgeschreven appèls zijn gehouden en op duidelijke wijze de nodige aanwijzingen zijn aangebracht betreffende de plaatsen, waar de reddingmiddelen zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen zijn te bereiken en hoe de reddingmiddelen moeten worden gebruikt.

    • 2.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke eisen ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid moet worden voldaan.

  • Artikel 4a

    Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent routering van schepen.

  • Artikel 4bis [Vervallen per 01-05-1998]
  • Artikel 5
    • 1.Onze Minister kan voor schepen van een bepaalde categorie vrijstelling verlenen van één of meer van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, mits zulks zonder gevaar voor deze categorie schepen of hun opvarenden mogelijk is. Een vrijstellingsregeling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

    • 2.Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd om in bijzondere gevallen voor een individueel schip, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, een ontheffing te verlenen van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen. Een ontheffing kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gewijzigd of ingetrokken.

  • Artikel 6
    • 1.Certificaten worden afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan buitenlandse autoriteiten verzoeken certificaten af te geven.

    • 2.De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 3a, derde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat deze onderzoeken geheel of ten dele worden verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.

    • 3.Aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot aan een aanwijzing te verbinden voorschriften, alsmede met betrekking tot de schorsing en de intrekking van een aanwijzing.

    • 4.Onze Minister kan slechts door hem erkende natuurlijke personen of rechtspersonen aanwijzen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van erkenning van deze natuurlijke personen of rechtspersonen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor erkenning in aanmerking te komen, en de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan.

    • 5.Besluiten tot aanwijzing of erkenning van natuurlijke personen of rechtspersonen, besluiten tot schorsing van een aanwijzing, alsmede besluiten tot intrekking van een aanwijzing of erkenning, worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in de Landscourant van Aruba.

  • Artikel 7
    • 1.Certificaten vervallen, wanneer:

      • a. het tijdvak, waarvoor zij gelden, is verstreken;

      • b. de tijdens de geldigheidsduur daarvan verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij algemene maatregel van rijksbestuur omschreven bijzondere gevallen;

      • c. het schip ophoudt te behooren tot de categorie van schepen, waarop deze rijkswet van toepassing is;

      • d. het schip wordt verbouwd of de aan boord zijnde inrichtingen op ingrijpende wijze worden gewijzigd;

      • e. het schip van naam verandert of een ander letterteeken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvrage nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak, waarvoor de vervallen certificaten zouden hebben gegolden.

    • 2.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat certificaten onder daarbij aangewezen omstandigheden bovendien vervallen, wanneer de eigenaar het schip aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrekt.

    • 3.Certificaten kunnen door den bevoegden ambtenaar van de scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer het schip schade heeft beloopen of eene herstelling niet naar behooren is geschied of wanneer daartoe uit anderen hoofde termen aanwezig zijn. In de Nederlandse Antillen en in Aruba wordt de intrekking van een certificaat schriftelijk en gemotiveerd bekendgemaakt aan de eigenaar.

  • Artikel 8
    • 1.De beide exemplaren van vervallen of ingetrokken certificaten moeten door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden ingezonden door tussenkomst van de ambtenaren der Scheepvaartinspectie, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast of de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren.

    • 2.Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een bewijs van ontvangst afgegeven of toegezonden.

  • Artikel 9
    • 1.De kapitein is verplicht om:

      • a. het roercommando in rechtstreekschen zin te bezigen en te doen bezigen;

      • b. gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het schip behoort in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik gereed te houden, voor zoover zulks is voorgeschreven de openingen binnen en buiten boord gesloten te houden, de voorgeschreven appèls en oefeningen te houden en ook overigens aan alle krachtens de artikelen 3a, eerste lid, 4 en 11, tweede lid, gestelde eisen en voorschriften te voldoen;

      • c. indien gedurende de reis aan het schip, de machinerieën of de uitrusting gebreken blijken, zooveel mogelijk deze gebreken te doen herstellen;

      • d. den diepgang van het schip telkens na het innemen van lading en van brandstoffen op te nemen en zorg te dragen, dat het schip geen geringer vrijboord krijgt dan blijkens de afgegeven certificaten is toegestaan;

      • e. maatregelen te nemen ter voorkoming van misbruik van het internationale noodsein en van het gebruik van seinen, welke met een internationaal noodsein kunnen worden verward;

      • f. hulp te verleenen aan in nood verkeerende schepen en vliegtuigen en bij het vragen van hulp zich te gedragen naar de daaromtrent gegeven voorschriften;

      • g. zorg te dragen dat de voorschriften voor de radiowacht, alsmede die betreffende het waarschuwen omtrent de gevaren ter zee, worden nageleefd;

      • h. naar gelang der zaak in het scheepsdagboek of in het machinedagboek te doen opteekenen, wat ter voldoening aan de onder b tot en met g opgelegde verplichtingen is geschied;

      • i. zorg te dragen dat de benodigde certificaten te allen tijde aan boord aanwezig zijn en dat schepelingen deze of afschriften daarvan steeds kunnen inzien;

      • k. zorg te dragen, dat de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften worden nageleefd;

      • l. zorg te dragen, dat de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften worden nageleefd.

    • 2.De kapitein is verplicht voor het behoorlijk bijhouden van de dagboeken zorg te dragen. Hij zal telkenmale na volbrachte reis, dan wel periodiek of na het verlaten van het schip, inzage geven aan en afschrift laten nemen door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, terwijl hij voorts verplicht is steeds op eerste aanvrage inzage van de dagboeken te geven aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaren. Hij is bovendien verplicht bij binnenkomst in een Nederlandse haven of een haven van de Nederlandse Antillen of van Aruba aan Scheepvaartinspectie kennis te geven van de op de afgelopen reis voorgekomen averijen en ongevallen; het overleggen der dagboeken, onder verwijzing naar de aantekening omtrent de averij of het ongeval, wordt als zodanige kennisgeving beschouwd.

    • 3.In het geval, bedoeld in het eerste lid onder c, is de kapitein voorts verplicht om bij het aandoen van de eerste haven in het ontbrekende te voorzien, voor zoover dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip en van de opvarenden te verzekeren.

    • 4.Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de in de voorgaande leden van dit artikel genoemde verplichtingen.

  • § 2. Toezicht

  • Artikel 10
    • 1.Alle schepen blijven aan een voortdurend toezicht van Regeeringswege onderworpen.

    • 2.Onder de bevelen van Onzen Minister wordt dit toezicht opgedragen aan overeenkomstig de in het Rijksambtenarenreglement vervatte voorschriften te benoemen, alsmede voorzover betreft het toezicht in de Nederlandse Antillen, aan door of vanwege de Gouverneur te benoemen ambtenaren, van welke een door Ons als hoofd van de scheepvaartinspectie wordt aangewezen. Ook kunnen door Ons voor bepaalde werkzaamheden ambtenaren van andere diensttakken ter beschikking van den dienst der scheepvaartinspectie worden gesteld.

    • 3.De werkkring en de bevoegdheden van de in het vorige lid bedoelde ambtenaren worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld; voor wat betreft de ambtenaren, belast met het toezicht in de Nederlandse Antillen, worden dienaangaande zonodig bij Landsverordening aanvullende regelingen getroffen.

    • 4.De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de scheepvaartinspectie, uitgezonderd het krachtens het tweede lid benoemde hoofd, opgedragen taken of toegekende bevoegdheden worden in Nederland en ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde schepen, verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

    • 5.De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de scheepvaartinspectie opgedragen taken of toegekende bevoegdheden kunnen in Nederland ten aanzien van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde schepen, ook worden verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de ambtenaren die in de Nederlandse Antillen of Aruba zijn belast met de uitvoering van en het toezicht op de naleving van deze rijkswet.

  • Artikel 11
    • 1.Het hoofd van de scheepvaartinspectie zendt jaarlijks aan Onzen Minister een beredeneerd verslag over de werking en toepassing van de wettelijke voorschriften en den gang van den dienst gedurende het afgeloopen jaar.

    • 2.Dit verslag wordt overgelegd aan de Staten-Generaal, alsmede aan de Gouverneur en de Staten van de Nederlandse Antillen.

  • Artikel 12

    De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben ter uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze rijkswet gestelde voorschriften toegang tot de in deze rijkswet genoemde schepen met inbegrip van de woongedeelten van deze schepen, tot de ligplaatsen daarvan, alsmede tot de plaatsen, waar deze schepen of hun werktuiglijke inrichtingen worden gebouwd of hersteld, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • Artikel 13

    De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie in de Nederlandse Antillen en in Aruba zijn bevoegd inlichtingen te vorderen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • Artikel 14
    • 1.Een ieder is verplicht aan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in de Nederlandse Antillen en in Aruba binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

    • 2.De eigenaar en de kapitein, alsmede een of meer door elk hunner aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek van het schip tegenwoordig te zijn.

  • Artikel 15
    • 1.Meent een ambtenaar der scheepvaartinspectie, dat niet is of zal worden voldaan aan alle bij of krachtens de artikelen 3a, eerste lid, 4 of 11, tweede lid, bepaalde eisen en voorschriften, dan bericht hij dit zoo spoedig mogelijk aan den eigenaar en aan den kapitein van dat schip en gelijktijdig aan zijnen onmiddellijken chef, onder mededeeling aan ieder hunner van hetgeen naar zijne meening ontbreekt.

    • 2.Op verlangen van den eigenaar of van den kapitein bericht hij dezen op welke wijze naar zijne meening in het ontbrekende kan worden voorzien.

    • 3.Blijkt hem ten slotte, dat niet in voldoende mate aan zijne aanwijzingen gevolg is gegeven, dan geeft hij van zijn gevoelen onder vermelding van redenen aan den eigenaar en aan den kapitein en aan den in het eerste lid bedoelden chef kennis.

  • Artikel 16
    • 1.Indien aan eenen ambtenaar der scheepvaartinspectie blijkt, dat een schip niet voorzien is van de noodige geldige certificaten, is hij gerechtigd het schip aan te houden.

    • 2.

      • a. Indien een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie gegronde redenen heeft voor twijfel of een schip, niettegenstaande daarvoor de nodige geldige certificaten zijn afgegeven, voldoende zeewaardig is, dan wel of aan alle bij of krachtens de artikelen 3a, eerste lid, 4 of 11, tweede lid, bepaalde eisen en voorschriften, is of zal worden voldaan, is hij gerechtigd het schip voor onderzoek aan te houden.

      • b. Evenzeer is de ambtenaar gerechtigd tot aanhouding van een schip wanneer de eigenaar, de kapitein of de leden der bemanning niet de door de ambtenaar gevorderde medewerking bij de uitoefening van zijn bevoegdheden verlenen.

      • c. De ambtenaar geeft van de aanhouding onverwijld, onder opgaaf van redenen, kennis aan zijn onmiddellijke chef, die daarvan terstond mededeling doet aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

      • d. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie beslist zo spoedig mogelijk of al dan niet een onderzoek zal worden ingesteld; in het laatste geval heft hij de aanhouding op en geeft hij van de opheffing onverwijld kennis aan de ambtenaar, die het schip heeft aangehouden. In de Nederlandse Antillen of in Aruba wordt deze beslissing door een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie genomen.

    • 3.Indien schepelingen ten aanzien van hun schip redenen menen te hebben voor twijfel over de zeewaardigheid of de voldoende uitrusting van het schip, zijn zij gerechtigd zich te wenden tot de Scheepvaartinspectie.

    • 4.Indien Onze Minister in geval van oorlogsgevaar van oordeel is, dat de vaart te groote gevaren oplevert, kan hij een schip door een ambtenaar van de scheepvaartinspectie doen aanhouden.

    • 5.Zodra er geen reden is de aanhouding langer te laten voortduren en de mogelijk op grond van artikel 72, onder a , verschuldigde kosten zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, wordt de aanhouding opgeheven.

    • 6.In Nederland is afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de in het eerste, tweede en vierde lid bedoelde bevoegdheid.

  • Artikel 17
    • 1.In de Nederlandse Antillen en in Aruba wordt het besluit tot aanhouding schriftelijk genomen en gemotiveerd. Het besluit wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en aan de kapitein. De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie die de aanhouding heeft verricht, deelt elke beslissing tot aanhouding of tot opheffing daarvan mede aan de betrokken ambtenaar, belast met de in- of uitklaring.

    • 2.Na ontvangst van een bericht van aanhouding, als in het eerste lid bedoeld, verleenen de daar genoemde belastingambtenaren geene expeditie, alvorens hun zal zijn bericht, dat de aanhouding is opgeheven.

    • 3.De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren verleenen geene expeditie voor een schip, dat bestemd is om buitengaats te worden gebracht, wanneer daarvoor op eerste aanvraag geen geldig certificaat waaruit de deugdelijkheid van het schip blijkt of geene geldige vergunning, als bedoeld in artikel 2bis , wordt getoond.

  • § 3. Beroep

  • Artikel 18
    • 1.Beroep van beslissingen en voorschriften van de in artikel 10 bedoelde ambtenaren kan door de betrokken eigenaar of kapitein worden ingesteld bij de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart of, indien het een beslissing van een ambtenaar in de Nederlandse Antillen of in Aruba betreft, bij de voorzitter van de in het betreffende land werkzame Commissie, bedoeld in artikel 26bis .

    • 2.Tegen een aanhouding in de Nederlandse Antillen en in Aruba, krachtens het bepaalde in artikel 16, vierde lid, kan geen beroep worden ingesteld.

    • 3.De voorzitter is verplicht voor het geven van zijn beslissing de ter zake meest bevoegde leden van de Raad of van de betreffende Commissie, bedoeld in artikel 26bis , die noch rechtstreeks, noch zijdelings geacht kunnen worden bij de beslissing belang te hebben, te raadplegen en zijn uitspraak met redenen te omkleden.

  • Artikel 19
    • 1.Eene uitspraak in beroep gegeven, waarbij wordt afgeweken van de beslissing of het voorschrift, waarvan beroep is ingesteld, treedt in de plaats daarvan.

    • 2.Indien de uitspraak strekt tot vernietiging van eene beslissing, houdende weigering van afgifte van eenig certificaat wordt alsnog zoo spoedig mogelijk door het hoofd van de scheepvaartinspectie het gevraagde certificaat afgegeven.

    • 3.Van elke in beroep gedane uitspraak wordt onverwijld een gedagteekend afschrift gezonden aan hem, die het beroep heeft ingesteld.

  • Artikel 20
    • 1.De werking van een beslissing of voorschrift wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

    • 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een beslissing van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie ingevolge artikel 16.

  • Artikel 21
    • 1.Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift instelt, zet in zijn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van het beroepschrift aan den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien deze niet is de ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld.

    • 2.Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad voor de scheepvaart of van een Commissie als bedoeld in artikel 26bis steeds bevoegd en op aanvrage van den appellant, van den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep is ingesteld of van het hoofd van de scheepvaartinspectie, verplicht aan ieder hunner gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of bij gemachtigde toe te lichten.

  • Artikel 22

    De verdere regelen, bij de behandeling van beroepen in acht te nemen, worden bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.

  • Hoofdstuk III. De Raad voor de Scheepvaart en de Commissies van Onderzoek in de Nederlandse Antillen en in Aruba

  • Artikel 23

    • 1.De Raad voor de scheepvaart is gevestigd te Amsterdam, maar is bevoegd bij uitzondering in andere gemeenten hier te lande te vergaderen.

    • 2.De Raad bestaat uit een voorzitter en twee gewone leden. De gewone leden zijn een zeeofficier of oud-zeeofficier en een kapitein of oud-kapitein ter koopvaardij. De voorzitter moet op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.

    • 3.Verder worden benoemd de nodige buitengewone leden, van wie drie ondernemers of oud-ondernemers in de zeescheepvaart en drie kapiteins of oud-kapiteins, onderscheidenlijk van de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij, een registerloods of oud-registerloods, een werktuigkundige, een electrotechnicus, drie scheepsbouwkundigen, onderscheidenlijk bekend met den bouw van schepen voor de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij en een machinist of oud-machinist. De ondernemers en kapiteins van de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij nemen onderscheidenlijk zitting naar gelang het te behandelen geval behoort tot de groote vaart, de kleine vaart of de zeevisscherij. De overige buitengewone leden nemen zitting wanneer de voorzitter of de Raad van oordeel is, dat hunne tegenwoordigheid door den aard van het te behandelen geval wenschelijk wordt gemaakt. Ook de zitting nemende buitengewone leden nemen aan de stemmingen deel.

    • 4.Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende voorzitters en de noodige plaatsvervangende leden, die invallen bij ontstentenis van gewone of buitengewone leden. De plaatsvervangende voorzitters moeten op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.

    • 5.Aan den Raad worden een secretaris en een plaatsvervangende secretaris verbonden. De secretaris en de plaatsvervangende secretaris moeten op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.

    • 6.De in het tweede, derde, vierde en vijfde lid bedoelde personen worden door Ons benoemd, telkens voor den tijd van ten hoogste vier jaren.

    • 7.Voor de toepassing van dit artikel wordt een directeur of oud-directeur van eene scheepvaartmaatschappij als ondernemer of oud-ondernemer in de zeescheepvaart aangemerkt.

    • 8.Bij koninklijk besluit worden de werkkring en de bevoegdheden van de voorzitter, van de gewone en buitengewone leden, van de secretaris en van hun plaatsvervangers vastgesteld en worden de geldelijke schadeloosstellingen van de voorzitter, van de gewone en buitengewone leden en van hun plaatsvervangers geregeld, benevens de bezoldiging van de secretaris en de geldelijke schadeloosstelling van zijn plaatsvervanger.

    • 9.Eveneens worden door Ons de werkkring en de bevoegdheden geregeld van het hoofd van de scheepvaartinspectie en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie, in verband met hunnen arbeid bij den Raad voor de scheepvaart.

  • Artikel 24

    Het bij de artikelen 12 en 13 ten aanzien van de ambtenaren bepaalde is ook van toepassing ten aanzien van den voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, den secretaris, den plaatsvervangenden secretaris, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den Raad voor de scheepvaart.

  • Artikel 25

    De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den Raad onthouden zich van deelneming aan de behandeling van zaken, welke hen of hunne bloed- en aanverwanten tot en met den vierden graad, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gemachtigden zijn betrokken.

  • Artikel 26

    • 1.De zittingen van den Raad worden in het openbaar gehouden tenzij de Raad, om in de uitspraak te vermelden redenen, mocht besluiten de behandeling van eene zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te doen plaats hebben.

    • 2.De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretaris zijn verplicht het geheim der raadkamer te bewaren.

    • 3.Voor het nemen van beslissingen moet de Raad ten minste uit drie leden, den voorzitter of plaatsvervangenden voorzitter inbegrepen, bestaan. Ingeval van staking van stemmen, wordt, wanneer het geldt eene beslissing, als in de artikelen 36 en 48 bedoeld, geacht ten voordeele van den betrokken kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist te zijn beslist; in alle andere gevallen is in geval van staking van stemmen de stem van den voorzitter beslissend.

  • Artikel 26bis

    • 1.In de Nederlandse Antillen wordt ingesteld een Commissie van Onderzoek, gevestigd te Willemstad en benoemd bij landsbesluit van de Nederlandse Antillen.

    • 2.Samenstelling en werkwijze dezer Commissie worden bij Landsverordening vastgesteld.

    • 3.De Commissie van Onderzoek heeft ten aanzien van schepen, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen, overeenkomstige bevoegdheden en een overeenkomstige taak als bij deze wet aan de Raad voor de Scheepvaart zijn toegekend, met uitzondering evenwel van de bevoegdheid tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist op te treden.

    • 4.Voorzover het betreft schepen, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen, is het bepaalde bij de artikelen 24, 25, 26 eerste en tweede lid, 32 eerste lid en 64 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de Commissie van Onderzoek.

  • Hoofdstuk III A. De veiligheidscommissies

  • § 1. De Algemene veiligheidscommissie

  • Artikel 26a
    • 1.Er is een Algemene Commissie tot Voorkoming van Arbeidsongevallen Zeevarenden, in deze paragraaf te noemen: de Commissie.

    • 2.De Commissie heeft tot taak Onze Minister te adviseren betreffende het nemen van maatregelen ter voorkoming van arbeidsongevallen bij zeevarenden. De Commissie kan uit eigener beweging voorstellen terzake doen.

  • Artikel 26b
    • 1.De leden van de Commissie worden door Onze Minister benoemd.

    • 2.De Commissie bestaat uit ambtelijke en niet-ambtelijke leden.

    • 3.

      • a. De ambtelijke leden worden benoemd uit de departementen van Verkeer en Waterstaat, van Sociale Zaken en van Onderwijs en Wetenschappen.

      • b. De benoeming van de ambtenaren uit de departementen van Sociale Zaken en van Onderwijs en Wetenschappen geschiedt in overeenstemming met de betrokken Ministers.

    • 4.De niet-ambtelijke leden worden benoemd uit en op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.

    • 5.Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.

    • 6.Tevens benoemt Onze Minister voor ieder der leden een plaatsvervanger. Hierbij is het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

    • 7.De benoeming der leden en plaatsvervangende leden geschiedt voor de tijd van ten hoogste twee jaren. De aftredende leden en plaatsvervangende leden zijn terstond herbenoembaar.

    • 8.Aan een lid of plaatsvervangend lid wordt door Onze Minister tussentijds ontslag verleend:

      • a. bij verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden;

      • b. op eigen verzoek.

    • 9.Het secretariaat van de Commissie berust bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

  • Artikel 26c
    • 1.De Commissie kan werkgroepen bestaande uit leden van de Commissie, instellen en deskundigen uitnodigen tot het deelnemen aan de beraadslagingen van de Commissie of van een werkgroep.

    • 2.Een vertegenwoordiger van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam kan deelnemen aan alle beraadslagingen van de Commissie en zonodig aan die van een werkgroep.

  • Artikel 26d
    • 1.De Commissie stelt regels omtrent haar werkwijze.

      Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister alvorens van kracht te worden.

    • 2.De Commissie kan nadere regels vaststellen omtrent de door haar werkgroepen te volgen werkwijze.

  • § 2. De veiligheidscommissie aan boord van schepen

  • Artikel 26e
    • 1.Aan boord van elk schip is een veiligheidscommissie.

    • 2.Onze Minister kan schepen of categorieën van schepen uitzonderen van het bepaalde in het vorige lid.

    • 3.De veiligheidscommissie heeft tot taak de kapitein te adviseren betreffende het nemen van maatregelen ter voorkoming van arbeidsongevallen aan boord.

  • Artikel 26f

    De samenstelling van de veiligheidscommissie wordt door Onze Minister bepaald.

  • Artikel 26g

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 f benoemt de kapitein de leden van de veiligheidscommissie.

  • Artikel 26h

    Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de werkwijze van de veiligheidscommissie en omtrent de wijze waarop met de door de veiligheidscommissie uitgebrachte adviezen moet worden gehandeld.

  • Hoofdstuk IV. Onderzoek van scheepsrampen

  • § 1. Het onderzoek

  • Artikel 27
    • 1.Van Staatswege wordt onderzoek gedaan naar de oorzaken van plaats gehad hebbende scheepsrampen.

    • 2.Het onderzoek bestaat uit een voorloopig onderzoek door de scheepvaartinspectie, zoo noodig gevolgd door een onderzoek door den Raad voor de scheepvaart.

    • 3.Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een schip door eene ramp is getroffen, tenzij de ramp een schip betreft dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht.

    • 4.Indien een Commissie van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis, na een onderzoek overeenkomstig het tweede lid, van oordeel is, dat aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist op te treden, doet de commissie geen uitspraak, doch verwijst de zaak naar de Raad voor de Scheepvaart voor het instellen van een onderzoek. Meent de Raad, dat er geen aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist op te treden, dan kan de Raad de zaak ter afdoening weder in handen van de Commissie stellen.

  • Artikel 28
    • 1.De commissarissen der loodsen en de havenmeesters van de Nederlandse Antillen of van Aruba, zenden onverwijld aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, onderscheidenlijk aan het districtshoofd in de Nederlandse Antillen of in Aruba, afschriften van de door hen over scheepsrampen opgemaakte processen-verbaal, die mede door de door hen gehoorde personen, ieder voor zooveel zijne eigene verklaring betreft, worden onderteekend.

    • 2.De notarissen en de autoriteiten, voor wie scheepsverklaringen, als bedoeld in het tweede lid van artikel 353 van het Wetboek van Koophandel, artikel 450 van het Wetboek van Koophandel voor de Nederlandse Antillen of artikel 450 van het Wetboek van Koophandel voor Aruba, zijn afgelegd, zenden onverwijld afschriften van deze stukken aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. Betreft het een schip, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba, dan worden de stukken aan de Scheepvaartinspectie in het betreffende land gezonden.

    • 3.De Nederlandsche consulaire ambtenaren maken van elke in hun ambtsgebied aan een schip, als bedoeld in artikel 2, overkomen ramp een proces-verbaal op en zenden dit, nadat het ook door de door hen gehoorde personen onderteekend is en wel door ieder voor zooveel zijne eigene verklaring betreft, onverwijld aan het hoofd van de scheepvaartinspectie.

    • 4.De personen, die ingevolge het bepaalde bij het eerste en derde lid van dit artikel worden uitgenoodigd tot het geven van inlichtingen en tot het onderteekenen van het proces-verbaal, zijn verplicht aan die uitnoodiging gevolg te geven.

    • 5.Indien de in het vorige lid bedoelde personen òf weigeren, òf nalaten, òf niet bij machte zijn het proces-verbaal te onderteekenen, wordt daarvan, onder vermelding der reden, in het proces-verbaal melding gemaakt.

  • Artikel 29
    • 1.Het hoofd van de scheepvaartinspectie stelt, met inachtneming van het voorschrift in het derde lid van artikel 27 gegeven, nopens elke te zijner kennis gekomen scheepsramp een onderzoek in of doet dit instellen door een of meer der in artikel 10 bedoelde ambtenaren en deelt de uitkomsten van dit onderzoek zoo spoedig mogelijk onder overlegging van stukken aan den voorzitter van den Raad mede, vergezeld van zijn voorstel om met het oog op aard en omvang van de ramp al dan niet een onderzoek daarnaar door den Raad te doen instellen. Hij kan daarbij eene opgave indienen van de getuigen en deskundigen, wier verhoor tijdens de behandeling voor den Raad hij noodig acht. Betreft de scheepsramp een schip, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba, dan treedt een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie op en worden de uitkomsten van het onderzoek met de stukken aan de in artikel 26bis genoemde commissie ter hand gesteld, die hiermede handelt als voor de Raad voor de Scheepvaart is voorgeschreven.

    • 2.Over het voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie om al dan niet een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden. Wijst deze commissie het voorstel af, dan heeft het hoofd van de scheepvaartinspectie het recht te vorderen, dat de Raad de beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk den Raad bijeenroept, die - na het hoofd van de scheepvaartinspectie te hebben gehoord - ter zake eene eindbeslissing neemt. De leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter, nemen aan deze zitting geen deel.

    • 3.Wanneer beslist is, dat een onderzoek zal worden ingesteld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor vast en worden door of namens hem de noodige getuigen en deskundigen tegen die zitting van den Raad opgeroepen.

    • 4.De commissie en de Raad zijn bevoegd zoo noodig het hoofd van de scheepvaartinspectie op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde onderwerpen nadere gegevens te verzamelen.

  • Artikel 30
    • 1.De artikelen 7, tweede lid, 8, 8a , 9, 10 11, 13, 14, 15, tweede en derde lid, 16, tweede en derde lid, 17, 19, 23, eerste lid, en 25 van de Wet op de Parlementaire Enquête zijn, voorzover zij niet afwijken van de voorgaande bepalingen van deze rijkswet, van toepassing op het onderzoek, in te stellen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of de door hem krachtens artikel 29, eerste lid, met het onderzoek belaste ambtenaren en door de Raad.

    • 2.Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bij die artikelen aan de aldaar bedoelde commissie van onderzoek zijn toegekend.

    • 3.Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13 der in het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrenging mede door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend.

    • 4.Ten aanzien van de Commissie van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis , en de aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in de Nederlandse Antillen of in Aruba worden overeenkomstige regelen bij Landsverordening gesteld.

  • Artikel 31

    Aan getuigen en deskundigen, voor zooverre hunne dienstverhouding tot het Rijk of tot de Nederlandse Antillen of tot Aruba niet medebrengt, dat zij hunne medewerking verleenen zonder eene schadeloosstelling, wordt, zoo zij dit verlangen, eene schadeloosstelling toegelegd naar den maatstaf der tarieven van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.

  • Artikel 32
    • 1.De Scheepvaartinspectie de Raad kunnen overlegging vorderen binnen eenen bepaalden termijn van scheepsdagboeken, machinedagboeken, scheepsverklaringen, monsterrollen, strafregisters en van alle andere voor het onderzoek vereischte bescheiden, zoowel van de kapiteins der schepen, bij de scheepsramp betrokken geweest, als van ieder ander, die de stukken onder zijne berusting heeft. De personen tot wie een vordering wordt gericht tot overlegging van de genoemde bescheiden, zijn verplicht deze stukken binnen de gestelde termijn over te leggen in de staat waarin zij zich ten tijde van de vordering bevinden.

    • 2.Verzuim van overlegging binnen de gestelde termijn wordt gelijkgesteld met een weigering gevolg te geven aan een vordering ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête. De artikelen 10, 11, 15, eerste en derde lid, en 16, eerste en derde lid, van die wet zijn van toepassing.

    • 3.Overeenkomstige regelen, als in het vorige lid, worden met betrekking tot de Scheepvaartinspectie in de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk in Aruba en de Commissies van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis , bij Landsverordening gesteld.

  • Artikel 33
    • 1. De kapitein, de stuurlieden en de machinisten van een schip, hetwelk door eene ramp is getroffen of eene ramp heeft veroorzaakt, en voorts ieder, die meent over de oorzaken van de ramp licht te kunnen verspreiden, kunnen verzoeken, zoowel dat zij zelven gehoord worden, als ook bepaaldelijk door hen aangewezen personen, van wie evenzeer het geven van ter zake dienende inlichtingen kan worden verwacht.

    • 2. Van zoodanige verzoeken wordt, indien daaraan door den leider van het onderzoek geen gehoor wordt gegeven, in het proces-verbaal van het onderzoek aanteekening gehouden.

    • 3. De verzoekers mogen tot de verschenen getuigen vragen doen richten, met dien verstande, dat aan den leider van het onderzoek de beslissing blijft, of eene vraag al dan niet zal worden gesteld.

  • § 2. Ongeschiktheid van kapiteins, stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten

  • Artikel 34
    • 1.Indien tijdens het voorloopig onderzoek nopens eene scheepsramp omstandigheden aan het licht komen, welke bij het hoofd van de scheepvaartinspectie de vraag doen rijzen, of de kapitein of één of meer stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten ongeschikt zijn om hunne beroepsplichten te vervullen, verbindt hij aan zijn voorstel om een onderzoek naar de scheepsramp te doen instellen, de voordracht om dien kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist te hooren.

    • 2.Ook indien geene scheepsramp heeft plaats gehad kan in bijzondere omstandigheden het hoofd van de scheepvaartinspectie aan den Raad voor de scheepvaart voorstellen een onderzoek in te stellen naar de ongeschiktheid van den kapitein of van één of meer stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten.

    • 3.Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist ter zake zal worden gehoord, dan wordt den betrokkene een afschrift der beslissing beteekend. Voorts wordt gehandeld overeenkomstig het vierde lid van artikel 29.

    • 4.Indien echter eerst tijdens het onderzoek, door den Raad gehouden, omstandigheden aan het licht komen, welke bij het hoofd van de scheepvaartinspectie of bij den Raad de vraag doen rijzen, of de ramp is veroorzaakt door de ongeschiktheid van den kapitein of van één of meer stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten, dan kan de Raad op voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie of uit eigen beweging besluiten, dat ook over deze vraag het onderzoek zal loopen.

    • 5.Is de betrokkene ter zitting aanwezig, dan deelt de voorzitter hem de beslissing van den Raad mede. Aan den betrokkene kan op zijn verzoek een uitstel voor de verdere behandeling van de zaak worden verleend.

    • 6.Is de betrokkene niet ter zitting aanwezig, dan wordt de verdere behandeling der zaak geschorst tot een nader door den voorzitter te bepalen dag en uur en wordt de betrokkene onder beteekening van ’s Raads beslissing tegen die zitting opgeroepen.

    • 7.De betrokkene heeft het recht zich bij de behandeling zijner zaak door eenen raadsman te doen bijstaan of zich te doen vertegenwoordigen door eenen bijzonder voor dit doel gemachtigde, behoudens de verplichting van den betrokkene om in persoon te verschijnen, wanneer de Raad dit vordert. De betrokkene en zijn raadsman, of zijn gemachtigde, hebben het recht de stukken van het voorloopig onderzoek vóór de behandeling der zaak ter secretarie van den Raad voor de scheepvaart in te zien.

    • 8.De Raad kan in de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, bij eene met redenen omkleede beslissing den betrokkene tevens onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek als kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen.

  • Artikel 35
    • 1.De betrokkene kan verzoeken, dat reeds gehoorde getuigen of nader door hem bepaald aangewezen personen alsnog zullen worden gehoord. Bij afwijzing van dit verzoek wordt daarvan aanteekening gehouden in het proces-verbaal der zitting.

    • 2.Van het afleggen van verklaringen als getuige of deskundige kunnen zich verschoonen des betrokkenen echtgenoot en zijne bloed- en aanverwanten tot den vierden graad ingesloten.

  • Artikel 36
    • 1.De Raad kan, hetzij op vordering van het hoofd van de scheepvaartinspectie, hetzij dien hoofdambtenaar gehoord, bij eene met redenen omkleede beslissing den kapitein of één of meer stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten onbevoegd verklaren om als kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen, indien hij den betrokkene ongeschikt acht om zijne beroepsplichten te vervullen.

    • 2.De onbevoegdverklaring gaat in op den dag van de beteekening van de uitspraak.

  • Artikel 37
    • 1.Is de betrokkene niet persoonlijk of bij gemachtigde op de gedane oproeping verschenen, dan wordt verstek tegen hem verleend en het onderzoek buiten zijne tegenwoordigheid voortgezet en te zijnen aanzien beslist.

    • 2.Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegenwoordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde, dan kan hij, indien de uitspraak hem in persoon is beteekend, binnen veertien dagen na die beteekening, of, indien de uitspraak hem niet in persoon is beteekend, binnen veertien dagen nadat zich eene omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit, dat de uitspraak hem bekend was, daartegen verzet doen bij eene schriftelijke memorie, te richten aan den voorzitter, die daarvan desverlangd een bewijs van ontvangst afgeeft of doet afgeven. Bevindt de onbevoegdverklaarde zich niet hier te lande, dan wordt de termijn met twee maanden verlengd.

    • 3.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak niet.

  • Artikel 38
    • 1.Na de indiening van de memorie stelt de voorzitter van den Raad het hoofd van de scheepvaartinspectie met de memorie in kennis of doet hem daarmede in kennis stellen en bepaalt eerstgenoemde onverwijld dag en uur voor de behandeling van het verzet.

    • 2.De voorzitter roept den onbevoegdverklaarde tegen het tijdstip, voor de zitting bepaald, op.

    • 3.De Raad is bevoegd het onderzoek te heropenen of, na den onbevoegdverklaarde in de gelegenheid te hebben gesteld zijne memorie mondeling toe te lichten, dadelijk einduitspraak te doen.

    • 4.Wordt bij de einduitspraak na gedaan verzet het ontnemen der bevoegdheid niet gehandhaafd, dan wordt de bevoegdheid geacht niet te zijn ontnomen.

  • Artikel 39
    • 1.De onbevoegdverklaarde is verplicht de in Nederland geldige diploma’s van zijn vroegere bevoegdheid of - indien hij in het bezit is van een door een Nederlandse autoriteit afgegeven verklaring van geschiktheid en bekwaamheid als bedoeld in het Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst 1978, met Bijlage (Trb. 1981, 144) - deze verklaring onmiddellijk na de betekening van de uitspraak af te geven aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

    • 2.Wordt iemand onbevoegd verklaard om als kapitein maar niet tevens om als stuurman op te treden, dan zal hem, zo hij in het bezit is van een diploma of een verklaring als bedoeld in het eerste lid, desverlangd door Onze Minister, onderscheidenlijk de tot afgifte van de verklaring bevoegde autoriteit een diploma onderscheidenlijk een verklaring worden uitgereikt met de beperking dat de bevoegdheid om als kapitein op te treden is uitgesloten.

  • Artikel 40

    Wanneer, nadat door den Raad voor de scheepvaart krachtens artikel 36 eene bevoegdheid is ontnomen, nieuwe feiten aan het licht komen, welke tijdens het eerste onderzoek nog niet bekend waren en welke op de beslissing invloed zouden kunnen hebben gehad, wordt door den Raad opnieuw een onderzoek ingesteld en wordt de zaak voor zooveel noodig opnieuw behandeld.

  • Artikel 41

    Door den Raad voor de scheepvaart kan de ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende geheel of gedeeltelijk worden teruggegeven, wanneer mag worden aangenomen, dat hij geschikt is zijne beroepsplichten te vervullen.

  • § 3. Algemeene bepalingen

  • Artikel 42
    • 1.Wanneer de behandeling van eene zaak voor den Raad is afgeloopen, wordt door den voorzitter van den Raad in het openbaar uitspraak gedaan.

    • 2.Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang van het gehouden onderzoek.

    • 3.Is door den Raad krachtens het bepaalde in artikel 36 eene bevoegdheid ontnomen, of heeft de Raad tot het ontnemen van eene bevoegdheid niet besloten, hoewel het hoofd van de scheepvaartinspectie daartoe heeft geraden, dan worden aan dit deel van het onderzoek in de uitspraak afzonderlijke overwegingen gewijd.

    • 4.Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo spoedig mogelijk aan Onzen Minister en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie toegezonden.

    • 5.De uitspraken worden op door Ons te bepalen wijze openbaar gemaakt.

    • 6.Indien de uitspraak van een Commissie als bedoeld in artikel 26 bis doet vermoeden, dat zich een der gevallen, bedoeld in artikel 34, eerste lid en artikel 48, eerste en tweede lid, voordoet en zich geen geval voordoet, waarin de Raad voor de Scheepvaart de zaak heeft terugverwezen naar de betrokken Commissie, handelt het hoofd van de scheepvaartinspectie als in artikel 29 is aangegeven voor een schip, niet varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba.

  • Artikel 43
    • 1.De oproeping van getuigen, deskundigen en van betrokkenen geschiedt, tenzij de wet anders bepaalt of toelaat, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.

    • 2.De termijn van oproeping van getuigen, deskundigen en van betrokkenen is, voor het geval zij in Nederland woonachtig zijn of verblijf houden, van twee vrije dagen. Is hun woonplaats elders of onbekend, dan stelt de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart die termijn vast.

    • 3.Betekening van oproepingen en van beslissingen van de Raad voor de Scheepvaart vindt plaats indien de voorzitter zulks noodzakelijk oordeelt.

    • 4.Betekening van oproepingen, van beslissingen en uitspraken van de Raad voor de Scheepvaart geschiedt door uitreiking van het stuk door de post of, in spoedeisende gevallen dan wel wanneer dit om andere reden wenselijk is, door een dienaar van de openbare macht of enige andere ambtenaar.

    • 5.Ingeval de persoon met de betekening belast noch de persoon aan wie een oproeping, beslissing of uitspraak moet worden betekend, noch iemand van diens huisgenoten aan diens woon- of verblijfplaats aantreft zal hij het afschrift terstond toezenden aan de secretaris van de Raad voor de Scheepvaart, die het afschrift als aangetekende brief zo spoedig mogelijk over de post aan de betrokkene zal toezenden.

    • 6.Voor zijn verrichtingen ingevolge dit artikel ontvangt de deurwaarder een vergoeding overeenkomstig bij algemene maatregel van rijksbestuur te stellen regelen.

  • Artikel 44
    • 1.De Raad is bij de behandeling van zaken, als in dit hoofdstuk bedoeld, aan geene andere vormen gebonden, dan bij deze rijkswet zijn bepaald.

    • 2.Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd de zittingen van den Raad, ook die, welke met gesloten deuren worden gehouden, bij te wonen. Hij kan zich echter bij alle werkzaamheden in dit hoofdstuk bedoeld door eenen inspecteur doen vervangen.

  • Artikel 45

    De kosten van het onderzoek volgens de bepalingen van dit hoofdstuk worden gedragen door het Rijk voorzover het gedaan wordt door de Raad voor de Scheepvaart en door de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba, voorzover het gedaan wordt door de in het betreffende land werkzame Commissie van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis .

  • Artikel 46

    Aan belanghebbenden wordt kosteloos inzage en voor hunne kosten uittreksel of afschrift van de uitspraken van den Raad door den secretaris verstrekt, berekend volgens het tarief voor uittreksels of afschriften van vonnissen in strafzaken.

  • Artikel 47

    Blijkt bij het onderzoek, dat door iemand een strafbaar feit is gepleegd, dan wordt de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie daarmede door den leider van het onderzoek in kennis gesteld.

  • Hoofdstuk V. Maatregelen van tucht

  • Artikel 48

    • 1.De kapitein, die zich ten opzichte van zijn scheepvaartonderneming, de bevrachters, de schepelingen, de passagiers of andere opvarenden op eenigerlei wijze heeft misdragen, kan, onafhankelijk van de burgerlijke en de strafvordering, door den Raad voor de scheepvaart, na ingesteld onderzoek, disciplinair worden gestraft door het uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegdheid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te boven gaande, als kapitein op een schip, als bedoeld in artikel 2, te varen.

    • 2.Desgelijks kan de kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist door den Raad voor de scheepvaart disciplinair worden gestraft door het uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegdheid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te boven gaande, in een of meer dezer betrekkingen op een schip, als bedoeld in artikel 2, te varen, een en ander wanneer de Raad bij het in hoofdstuk IV bedoelde onderzoek tot de overtuiging komt, dat aan zijne schuld eene scheepsramp is te wijten.

    • 3.De Raad kan bij eene met redenen omkleede beslissing den betrokkene onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek als kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen.

  • Artikel 49

    • 1.Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid, bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan, plaats, indien eene aanklacht is ingediend door of op last van het hoofd van de scheepvaartinspectie, door den eigenaar, door een of meer van de assuradeuren, van de bevrachters, van de schepelingen, van de passagiers of van andere opvarenden.

    • 2.De aanklacht moet, om ontvankelijk te zijn, bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, bij de Raad voor de Scheepvaart of, indien het een klacht betreft van een zich in de Nederlandse Antillen of in Aruba bevindende persoon, dan wel tegen de kapitein van een schip, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba, bij een aldaar aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie of de in het betreffende land werkzame Commissie van Onderzoek, zijn ingekomen binnen drie maanden na de dag, waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft verkregen van het gepleegde feit, met uitbreiding van die termijn tot drie weken na de dag van aankomst van het schip ter plaatse van bestemming hier te lande, respectievelijk in de Nederlandse Antillen of in Aruba of van aankomst hier te lande, respectievelijk in de Nederlandse Antillen of in Aruba van de aangeklaagde, indien deze zonder het schip terugkeert.

    • 3.Indien een der tot het indienen van eene aanklacht gerechtigde personen, die zich in het buitenland bevindt, grond heeft om te vermoeden verhinderd te zullen zijn, om binnen den bepaalden termijn zijne aanklacht bij het hoofd van de scheepvaartinspectie of bij den Raad in te dienen, kan hij zich binnen drie weken na den eersten dag, waarop hij daartoe in de gelegenheid kwam, onder opgave van de redenen van verhindering, tot het indienen van eene aanklacht wenden tot den bevoegden consulairen ambtenaar, door wiens tusschenkomst de aanklacht wordt ingezonden aan den Raad voor de scheepvaart.

    • 4.Indien een Commissie van Onderzoek als bedoeld in artikel 26bis , na een onderzoek overeenkomstig artikel 48, eerste lid, van oordeel is, dat er aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein te varen, doet de Commissie geen uitspraak doch verwijst de zaak naar de Raad voor de Scheepvaart voor het instellen van een onderzoek. Meent de Raad voor de Scheepvaart, dat er geen aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein te varen, dan kan de Raad de zaak ter afdoening weder in handen van de Commissie van Onderzoek stellen.

    • 5.Het recht van onderzoek vervalt wegens verjaring, door verloop van één jaar nadat de aanklacht bij den Raad voor de scheepvaart of de Commissie van Onderzoek is ingekomen, behoudens, dat elke daad van onderzoek de verjaring stuit, mits blijke, dat die daad ter kennis van den aangeklaagde gebracht is.

  • Artikel 50

    Ten aanzien van de maatregelen van tucht, van het onderzoek en van de uitspraken van den Raad voor de scheepvaart, gelden de bepalingen van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing vatbaar zijn, met uitzondering van artikel 37, derde lid.

  • Artikel 51

    Door Ons kan, den Raad voor de scheepvaart gehoord, de ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende geheel of gedeeltelijk worden teruggegeven, of de duur der onbevoegdheid worden bekort.

  • Hoofdstuk VI. Verplichtingen en strafbepalingen

  • § 1. Gebods- en verbodsbepalingen

  • Artikel 52
    • 1.Het is de kapitein verboden een reis te ondernemen of voort te zetten zonder dat de vereiste geldige certificaten zijn afgegeven of - in het geval bedoeld in artikel 2bis - de vereiste geldige verklaring is afgegeven.

    • 2.Het is de kapitein verboden een reis te ondernemen of voort te zetten, terwijl één of meer van de vereiste certificaten ingevolge het bepaalde in artikel 7, derde lid, zijn ingetrokken.

    • 3.Het is de kapitein verboden te handelen in strijd met de voorschriften en beperkingen, krachtens artikel 2bis of 3, tweede lid, verbonden aan een verklaring onderscheidenlijk een certificaat.

  • Artikel 53

    De eigenaar of de kapitein is verplicht de vereiste geldige certificaten of - in het geval bedoeld in artikel 2bis - de vereiste geldige verklaring op eerste aanvraag te tonen aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaren.

  • Artikel 54

    Het is de kapitein verboden met een schip een reis te ondernemen of voort te zetten, indien en zolang het op grond van artikel 16, eerste, tweede of vierde lid, door een ambtenaar van de scheepvaartinspectie is aangehouden of zolang door de betrokken ambtenaren der invoerrechten en accijnzen geen expeditie is verleend.

  • Artikel 54bis [Vervallen per 01-05-1998]
  • Artikel 55

    Het is de eigenaar van een schip verboden de kapitein van dat schip door een der in artikel 47, eerste lid, 2°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen of - indien het een schip betreft, varende met een zeebrief van de Nederlandse Antillen of van Aruba - door een der middelen, vermeld in artikel 49, eerste lid, 2°, van het Wetboek van Strafrecht voor de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk door een der middelen, vermeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht voor Aruba, opzettelijk te bewegen ten aanzien van dat schip in strijd te handelen met het bepaalde in artikel 9, derde lid, 52 of 54.

  • § 2. Strafbare feiten

  • Artikel 56
  • Artikel 57
    • 1.De in artikel 56, tweede lid, bedoelde misdrijven worden, behoudens de gedragingen in strijd met artikel 55, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste € 11 250, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 25 000 onderscheidenlijk AWG 25 000. Gedragingen in strijd met artikel 55 worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste € 11 250, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 25 000 onderscheidenlijk AWG 25 000.

    • 2.De in artikel 56, tweede lid, bedoelde overtredingen worden, behoudens de gedragingen in strijd met artikel 39, eerste lid, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste € 4 500, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 10 000 onderscheidenlijk AWG 10 000. Gedragingen in strijd met artikel 39, eerste lid, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste € 2 250, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 5 000 onderscheidenlijk AWG 5 000.

  • Artikel 58

    Overtreding van het bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste € 4 500, dan wel indien de geldboete wordt opgelegd door de strafrechter in de Nederlandse Antillen of Aruba, een geldboete van ten hoogste ANG 10 000 onderscheidenlijk AWG 10 000.

  • Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2002]
  • Artikel 60 [Vervallen per 01-05-1998]
  • Artikel 61 [Vervallen per 01-05-1998]
  • § 3. Algemeene bepalingen

  • Artikel 62

    Indien de eigendom van een schip behoort aan een rechtspersoon, worden voor toepassing van artikel 55 als eigenaren aangemerkt alle leden van het bestuur, die het strafbare feit hebben gepleegd.

  • Artikel 63
    • 1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze rijkswet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de overeenkomstige wetsbepalingen van de Nederlandse Antillen en van Aruba, belast de ambtenaren met de in- of uitklaring belast, de Nederlandse consulaire ambtenaren en de ambtenaren die daartoe door de overheid in de Nederlandse Antillen of in Aruba worden aangewezen, alsmede de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.

    • 2.De door eenen Nederlandschen consulairen ambtenaar of eenen, in het vorige lid bedoelden, ambtenaar in de Nederlandse Antillen of in Aruba opgemaakte processen-verbaal gelden als wettig bewijsmiddel der door hen geconstateerde daarin omschreven strafbare feiten, mits zij bevestigd worden door zijnen daarin opgenomen schriftelijken eed (belofte).

    • 3.De in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd om al datgene, wat dienen kan tot het bewijs van het strafbaar gestelde feit, in beslag te nemen en de uitlevering daarvan, ter inbeslagneming, te vorderen.

    • 4.Bij het opsporen van een bij deze rijkswet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • Artikel 64

    Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze rijkswet en daarbij de beschikkinjg krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • Artikel 65

    De bij en krachtens deze rijkswet gestelde strafbepalingen zijn toepasselijk op ieder, die zich hetzij binnen, hetzij buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan eenig bij of krachtens deze rijkswet strafbaar gesteld feit.

  • Artikel 66 [Vervallen per 01-05-1998]
  • Artikel 66bis [Vervallen per 01-05-1998]
  • Artikel 66ter [Vervallen per 01-05-1998]
  • Hoofdstuk VII. Slotbepalingen

  • Artikel 67

    • 1.Op een schip van vreemde nationaliteit waarmede vanuit een haven in de Nederlandse Antillen of Aruba een reis zal worden ondernomen, en dat niet ingevolge de artikelen 2 of 2bis onder de bepalingen van deze rijkswet valt, zijn de in het tweede en derde lid genoemde bepalingen op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overeenkomstige wijze van toepassing indien:

      • a. ten aanzien van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, in het land waartoe het schip door zijn nationaliteit behoort, geen bepalingen van kracht zijn, dan wel bepalingen van kracht zijn die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in onvoldoende mate een overeenkomstige strekking en draagwijdte hebben als de hier te lande geldende wettelijke bepalingen, ofwel

      • b. in het land waartoe het schip door zijn nationaliteit behoort wel voldoende bepalingen van kracht zijn en deze bepalingen aldaar ook op Nederlandse schepen worden toegepast, ofwel

      • c. in het land waartoe het schip door zijn nationaliteit behoort wel voldoende bepalingen van kracht zijn doch het schip niet aan die bepalingen voldoet.

    • 2.

      • a. De in aanhef van het vorige lid bedoelde bepalingen betreffen de bij of krachtens deze rijkswet uitgevaardigde voorschriften ten aanzien van de uitwatering, de constructie, de redding- en veiligheidsmiddelen, de radio-inrichtingen, de hulpmiddelen bij de navigatie en de hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen, de minimum bemanningssterkte, het vervoer van passagiers, het vervoer van lading en het beladen, het stuwen en ballasten.

      • b. onder constructie wordt mede verstaan de waterdichte indeling en de stabiliteit, de werktuigen en electrische installaties, de brandbescherming, de brandontdekkings- en de brandbestrijdingsmiddelen.

    • 3.Op een schip als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing het bepaalde in:

    • 4.Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen bij of krachtens deze rijkswet uitgevaardigde bepalingen, andere dan in het tweede of derde lid genoemd, van toepassing worden verklaard op een schip als bedoeld in het eerste lid.

    • 5.Een algemene maatregel van rijksbestuur, als bedoeld in het vierde lid, vervalt, indien deze niet binnen een jaar na afkondiging bij rijkswet is bekrachtigd. Wanneer een voorstel van zodanige rijkswet binnen het jaar bij de Staten-Generaal is aanhangig gemaakt, kan door Ons deze termijn eenmaal met zes maanden worden verlengd.

  • Artikel 68

    Wanneer een schip krachtens het bepaalde in het vorige artikel is aangehouden, wordt van de aanhouding en van de opheffing daarvan ook ten spoedigste kennis gegeven aan den dichtstbij gevestigden consulairen ambtenaar van het land, waartoe het schip door zijne nationaliteit behoort.

  • Artikel 69

  • Artikel 69a

    De toepasselijkheid van de artikelen 67 tot en met 69 op schepen van vreemde nationaliteit die in eigendom of in dienst zijn van een staat, en die worden gebruikt voor andere dan handelsdoeleinden, wordt beperkt door de regels van het volkenrecht.

  • Artikel 70

    • 1.Indien een schip van Nederlandsche nationaliteit, dat krachtens artikel 2 van de toepassing van deze rijkswet is uitgezonderd, door eene scheepsramp wordt getroffen, wordt naar de oorzaken daarvan een onderzoek ingesteld. Deze bepaling is mede van toepassing op vaartuigen in openbare dienst van het Rijk, geene zeeschepen zijnde, en op schepen van vreemde nationaliteit, indien de scheepsramp heeft plaats gehad op of in de nabijheid van de Nederlandsche kust of in de Nederlandsche zeegaten en havens met hunne toegangen naar zee dan wel op of in de nabijheid van de kust van de Nederlandse Antillen of van Aruba of in een haven van een van beide landen.

    • 2.Bij een onderzoek, als in het eerste lid bedoeld, worden de bepalingen van Hoofdstuk IV in acht genomen, met uitzondering van die, vervat in de artikelen 34 tot en met 41.

  • Artikel 71 [Vervallen per 01-05-1998]

  • Artikel 72

    • 1.Onze Minister stelt de tarieven vast voor de vergoedingen, verschuldigd door degenen ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten door de ambtenaren van het betrokken land van het Koninkrijk zijn verricht.

    • 2.Een tariefregeling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

  • Artikel 73 [Vervallen per 01-05-1998]

  • Artikel 74 [Vervallen per 01-05-1998]

  • Artikel 75

    Deze rijkswet kan worden aangehaald onder den titel "Schepenwet".

  • Artikel 76 [Vervallen per 01-05-1998]

  • Artikel 77

    • 1.Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip , met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 3 en 4.

    • 2.Later wordt het tijdstip van in werking treden van de artikelen 3 en 4 eveneens door Ons vastgesteld.

    • 3.De wet wordt met betrekking tot het schip, dat zich op laatstbedoeld tijdstip buitengaats bevindt, eerst van toepassing na verloop van zes maanden of zooveel vroeger, als dit schip eene haven in Nederland binnenloopt.

  • Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven ten paleize het Loo, den 1sten Juli 1909

    WILHELMINA.

    De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,

    A. S. TALMA.

    Uitgegeven den tienden Juli 1909.

    De Minister van Justitie,

    NELISSEN.