KruimelpadVorige
Volgende
Geldend op 09-02-2012
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
1. In geval van verlies van het schip door schipbreuk, is de zeewerkgever verplicht aan den schepeling, zoolang hij dientengevolge werkloos is, doch ten hoogste gedurende twee maanden, eene schadeloosstelling te betalen tot een bedrag gelijk aan het bij de arbeidsovereenkomst in geld vastgestelde deel van het loon. Is het loon geheel of voor een deel niet naar tijdruimte vastgesteld, dan is een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon, dat volgens het gebruik wegens eene reis als die waarop het schip is verloren gegaan, bij vaststelling van het geheele loon naar tijdruimte, wordt betaald. In geval van geschil beslist de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de zetel van het scheepsbedrijf is gelegen.
2. Voor zoover de schepeling krachtens het bepaalde in artikel 440 recht heeft op loon, komt dit loon in mindering van de hierbedoelde schadeloosstelling.
3. De vordering tot schadeloosstelling is bevoorrecht op alle de roerende en onroerende goederen van den zeewerkgever; het voorrecht staat in rang gelijk met dat bedoeld in artikel 288 onder e van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De zeewerkgever die meent dat een of meer van de schepelingen ten aanzien van de schipbreuk grove schuld treft, kan zich wenden tot de kantonrechter met het verzoek hem van zijn in het eerste lid bedoelde verplichting tegenover de betrokken schepelingen te ontheffen.