KruimelpadGeldend op 09-02-2012
De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling.
Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van
in de balk hierboven.
1. De beslagvrije voet bedraagt
a. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
1°. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.
2°. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
b. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn:
1°. indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat inkomen inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand en ten hoogste 90 procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van die wet;
2°. indien het periodieke inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande van 65 jaar of ouder en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel a en b, van die wet.
2. De beslagvrije voet bedraagt:
a. voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als behorend tot een gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van Wet werk en bijstand waarvan alle meerderjarige gezinsleden 18 jaar of ouder zijn doch jonger dan 65 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid, van die wet.
b. in afwijking van het bepaalde onder a voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als behorende tot:
1°. een gezin dat bestaat uit twee meerderjarige personen van 18 tot en met 20 jaar en waarbij er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet werk en bijstand;
2°. een gezin dat uit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet werk en bijstand;
3°. een gezin dat bestaat uit twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar en waarbij er een of meer ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet werk en bijstand;
4°. een gezin dat uit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 2, van de Wet werk en bijstand;
5°. een gezin dat uit drie meerderjarige personen bestaat, waarvan twee personen, 18, 19 of 20 jaar zijn en waarvan een persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is en er geen ten laste komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand;
c. voor schuldenaren die behoren tot een gezin waarvan een of meer gezinsleden 65 jaar of ouder zijn: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
3. Voor zover het een gezin betreft, wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen inclusief vakantie-aanspraak van de meerderjarige gezinsleden aan wie de bijstand samen met de schuldenaar zou kunnen toekomen.
4. Indien de schuldenaar ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije voet wordt verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm genoemd in artikel 23 van de Wet werk en bijstand.
5. De beslagvrije voet wordt verhoogd met:
a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;
b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.
6. De beslagvrije voet wordt verminderd met de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de schuldenaar waarop geen beslag ligt, alsmede met het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud en de toeslag voor een partner of eenoudergezin, begrepen in aan de schuldenaar toegekende studiefinanciering of tegemoetkoming in de studiekosten die niet vatbaar is voor beslag.
7. Met wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen, moet de beslaglegger onverwijld rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de deurwaarder.
8. Tenzij alle betalingen wekelijks geschieden, worden zij, evenals inkomsten van degene aan wie samen met de schuldenaar gezinsbijstand zou kunnen toekomen, voor de toepassing van dit artikel berekend per maand.